V. Koreaanse bronnen over Hamel tijdens zijn verblijf in Korea.

Wat er gebeurde tijdens het verblijf van de schipbreukelingen in Korea en hun perceptie daarop, kunnen we lezen in het manuscript. Maar wat vinden we in de Koreaanse bronnen? Gari Ledyard en Yi Pyongdo hebben daar beiden uitgebreid onderzoek naar gedaan.

Toen Hamel en zijn kornuiten op Cheju-do landen stranden,(1) werden ze al snel naar de hoofdstad van het eiland gebracht en voor het Hoofd van het Departement gebracht (Hamel's gouverneur). Het rapport van deze Hoofd van het Departement (Yi Wonjin) bereikte Seoul pas op 26 september (dag 6 van de 8ste Maan-maand). Op deze datum is dit tenminste ingeschreven in de Hyojong sillok.

Dringende mededeling van Yi Wonjin, Hoofd van het Departement van Cheju

"Er heeft een schip schipbreuk geleden aan het zuiden van het eiland, dit schip strandde voor de kust. Kwon Kukchung, de chef van Taejong, en No Chong, Magistraat, werden er heen gezonden met troepen om te vernemen hoe de situatie was, maar konden niet vernemen van welk land dit schip kwam. Het schip kapseisde in de zee. Acht en dertig man zijn er levend vanaf gekomen. Hun spraak is echter niet verstaanbaar en hun manier van schrijven is ook vreemd. In de lading van het vaartuig zit veel medicinaal materiaal, herte vellen en andere artikelen. Er zijn 94 bundels hout, aromatiek [putschuk], vier kruiken met drake hersenen [Borneaans kamfer; een aromatische wortel] en 27.000 herte vellen. De mensen hebben blauwe ogen, hoge neuzen, blond haar, en korte baarden, hoewel sommigen hun baard geschoren hebben, waardoor er alleen een snor overblijft. Wat betreft hun jassen, die zijn lang, reikend tot aan de dijen in vier lagen; de revers zitten aan de kant, de mouwen zijn lang. De onderkleren zijn geplooid in platte vouwen [geplisseerd], min of meer als een rok. We hebben ze laten ondervragen door een persoon die Japans sprak. Toen we ze vroegen of ze Kirishitan waren van de Westerse Oceaan, zei iedereen, "Ja! Ja!" Toen we naar ons land wezen zeiden ze "Korai!"; toen we naar dit eiland wezen zeiden ze "Gotto!"; toen we naar de Grote Vlakte [China] wezen, zeiden ze òf "Ta Ming!" òf "Ta Pang!" [Groot Land]; als we naar het noordwesten wezen zeiden ze "Tartar"; als we precies naar het oosten wezen zeiden sommigen "Japan!" anderen "Nangasakki." (Ledyard p. 21,22)

Wat betreft de lading van de boot zie (1) Hoewel er enige verschillen zijn, kan dit te wijten zijn aan het verlies van het oplosbaar materiaal in het water (aluin en suiker). Intrigerend is de plaats van de landing. Hamel noemt 33o 32', (1) terwijl de stad Cheju op 33o 31' ligt en het strand van Mosulpo 33o 13'. Gezien de omstandigheden waaronder de metingen plaats vonden is een fout van 18'  goed mogelijk, aangenomen dat hij de declinatie van de zon op dat moment niet wist. Recentlijk kwam het volgend artikel uit de Chiyong Nok boven water (1): geschreven door de secretaris van de gouverneur van Cheju; Yi Ikt'ae, die secretaris was van mei 1649 tot februari 1669. Een schip leed schipbreuk in het gebied van Taeyasu, wat tot Ch'agwi-jin behoort van het Taejong graafschap op de 24e van de 7e Maand in 1653, het jaar van de Kyesa. De bemanning van het schip bedroeg in totaal 64 inclusief Hendrick Yamsen, van hen vonden 26 de dood, 2 stierven na de landing door ziekte en 36 overleefden. Taeyasu wordt geïdentificeerd met Hanjang-dong van Kosan-ri van Han'gyong-myon in het Noord-Cheju graafschap. (In feite ligt de plaats Hanjang-dong in het Westen). Waarschijnlijk is dat Hamel zich alleen de naam van het graafschap herinnerde en de naam van het stadje en de provintie door elkaar haalde.

Ze verbleven in het huis van de ontroonde Koning Kwanghaegun, dus ze kunnen het niet al te slecht hebben gehad (1, Ledyard pag. 148, Noot 1). Ook Yi Wonjin kwam regelmatig langs en zorgde ervoor dat hun omstandigheden niet al te beroerd waren, en ze begonnen Koreaans te leren. Totdat ze ineens met Weltevree geconfronteerd werden. (1)

Weltevree wordt in verschillende Koreaanse bronnen gevonden en de eerste van die bronnen zijn de geschriften van Chong Chaeryun (1648 - 1723), die de zoon was van Chong T'aehwa (1602 - 1673) en de geadopteerde zoon van zijn oom Chong Ch'i hwa (1609 - 1677). Beiden waren hoge ambtenaren aan het hof  gedurende de tijd dat de Nederlanders in Korea waren. Hij heeft dus voldoende gelegenheid gehad om veel van het geroddel op hoog niveau te horen toen hij opgroeide. Zijn verslag is beperkt tot Park Yon of Weltevree. Het is waarschijnlijk representatief voor de algemene indruk die deze Hollander maakte voor de Koreanen van die tijd. De meeste van hen zochten naar niets anders in deze "barbaar" dan gekke gewoontes, vreemde kleren en waarschijnlijk een paar exotische vaardigheden. De naam "Zuidelijke Oceaan Barbaren" komt van de Ming-geleerden, die zodra ze geconfronteerd werden met de eerste westerlingen, deze zo noemden op basis van hun geografische kennis en hun niveau van cultuur. Deze bewoording werd in zowel Japan, China als Korea gebruikt. (Toynbee pag. 114)

Pak Yon was een zuidelijke barbaar. In het jaar Mujin van de Ch'ung-chen periode (1628), had hij schipbreuk geleden in ons land. Hij was als man veel langer dan het gemiddelde. Hij was intelligent en serieus, en met de dingen waarover hij sprak was hij altijd de gelijke van hoog verheven mensen. Altijd als hij sprak over het patroon van goed en kwaad of de calamiteiten en zegeningen, zou hij zeggen: "De hemel zal ze schadeloos stellen". Zijn woorden waren niet ongelijk als die van de Taoisten.
Yon begreep onze karakters niet en sprak zijn naam altijd uit in het dialect van zijn land als "Pak Yon."
[Pak Jan, Bak Jan, Bakker Jan, Vak Jan??] Aangezien hij analfabeet was en aangezien de klanken van zijn taal verschillend van de onze waren, kon niemand zijn voor- van zijn achternaam onderscheiden, en aldus schreef hij zijn naam maar in overeenstemming met de klanken van onze taal.
Als iemand hem vroeg over de gebruiken en folklore in zijn eigen land, zei Yon: "Het is een warme plek. In de winter is er geen sneeuw of vorst, en mensen dragen geen gevoerde kleren. Af en toe wordt het bewolkt, en de mist kruipt in de kleren, en dan zeggen de oude mensen:"Vandaag sneeuwt het in China." Hij zei ook dat hij aan de grens van de beschaving woonde en dat hij de hoofdstad van zijn land niet gezien had. En dus wist hij niets van de ceremonies van de heerser. Maar, volgens de wetten van het land, worden zij die stelen altijd onthoofd, of het vergrijp nu licht of zwaar is. Daarom zijn er geen dieven in het land. Dit schijnt net zo te zijn als Japanse gebruiken.
Verder zei hij dat er in zijn land mensen zijn die goed zijn in het voorspellen van het weer. Ze kunnen vertellen welke dagen het winderig zal zijn en op welke dagen het zal regenen en ze hebben het zelfs nooit maar een beetje mis. Zij die op zee varen moeten hen consulteren en opschrijven wat ze zeiden en dat als richtlijn gebruiken. Maar op zijn reis volgden ze die richlijnen niet met als gevolg dat ze schipbreuk leden. Eens, toen ... Chong Yom in de Keizerlijke stad
[Peking] was, toen was er iemand van Annam [Vietnam] die naar China was gekomen met een klein boek, waarmee hij het weer kon voorspellen. Hij kon zeggen waneer het koud of warm was en of er wind of regen zou zijn... De zuidelijk barbaarse weervoorspellers moeten van dezelfde stroming zijn als deze Annamnees.
Vanuit zijn land ging Yon aan het handelen met Japan, de Ryukus en Annam. Hij zag ook eens het land van de kleine mensen, waarvan de mensen zo groot zijn als een 10 jaar oud Chinees kind, behalve dat hun hoofd net zo groot is als het hoofd van een volwassen man. Er wordt gezegd dat ze experts zijn in het maken van Damasken kleden. Hij zei ook dat hij in zijn land gehoord had dat Koreanen menselijk vlees roosterden en het opaten. Ten tijde van zijn schipbreuk op Cheju, was het juist na het vallen van de duisternis, en de leider van de soldaten had zojuist veel toortsen
[dragers] verzameld en ging naar hen op zoek. De bemanning van de boot zei toen:"Deze vuren zijn om ons te roosteren". Pas na enige tijd realizeerden ze zich dat dat niet het geval was. Waarschijnlijk is het de gewoonte van de barbaren om 's nacht met lantaarns te lopen in plaats van met toortsen. We kunnen hier zien dat als wij verhalen vertellen dat het in dat en dat land zus en zo is, we enkel fantasierijke verhalen en sprookjes aan het vertellen zijn.
Nadat hij naar ons land gekomen was, droeg Yon nooit gevoerde kleren, zelfs niet gedurende de meest strenge winters. Hij zei: "Dit zijn onze manieren."
Yon was groot van lijf en leden en zijn ledematen waren dik. Hij had blauwe ogen en een wit gezicht, en zijn blonde baard hing tot aan zijn maag. Iedereen die hem zag dacht dat hij vreemd was. Hij trouwde met een Koreaanse vrouw, die hem een zoon en een dochter schonk. Het is niet bekend of ze hem overleefden of niet.
(Ledyard, p. 27 - 29)

Chong Yom (1506-1549) was een schilder, kluizenaar, dichter, musicus en schrijver over allerlei onderwerpen. De vreemde beschrijving die Jan van zijn land gaf, moet haast wel slaan op Indië opmerking "aan de grens van de beschaving" duidt daar ook wel op.Waar het verhaal over de kanibalisatie gewoonten vandaan komen is ook onduidelijk, maar er werd in die tijd veel gefantaseerd over onbekende volkeren. Chong Chaeryun trekt er in ieder geval een les uit, hoewel hij zich er op een verrukkelijk naïeve manier van onbewust is dat dit ook op hemzelf slaat.

Het volgende uittreksel komt uit de penseel van Yun Haen'gim (1762 - 1801), die lid was van de staf van de Koninklijke bibliotheek (de Kyujanggak). Hij was dit gedurende de regering van Chongjo, die regeerde van 1776 - 1800, de stichter en patroon van de bibliotheek. Dus had hij alle gelegenheid en tijd om iets van de originele documentatie te zien. Hoewel kort, heeft het niets van de dromerige stereotypen van Chong Chaeryun, en geeft meer informatie over de carriëre van Weltevree.

Pak Yon, een man van Haranda [Holland] leed schipbreuk in Honam [een informele naam voor Cholla-do] in het eerste jaar van de Ch'ung Chen periode [1628]. Het hof wees hem toe aan het training bureau en gaf hem het commando over de overwonnen Japanners en Chinezen die schipbreuk hadden geleden [dit wees er overigens weer op dat Korea buitenlanders niet liet gaan, en genereus was voor diegene die ze gevangen hadden genomen]. Yon's originele naam was Hot'anman. Hij was een expert in militaire geschriften en was kundig in het maken van kanonnen, die zeer vakkundig gemaakt waren.
In het vierde jaar van Hyojong
[1653], strandde er een koopmansschip in het Chindo [een groot eiland in het zuidwesten van Cholla-do] district. Op het schip waren 36 man. Hun kledij en hoedendracht waren vreemd en uitzonderlijk, hun neuzen hoog en hun ogen diep gezet. Sommigen van de onzen zeiden dat het mensen waren van de Westerse Oceaan, anderen dachten dat het Zuidelijke Barbaren waren. Het hof beval Yon om daarheen te gaan om hen te onderzoeken. Nadat Yon hen gezien had en met ze gepraat had, begonnen de tranen te stromen. hij huilde totdat zijn revers doorweekt waren. Al deze mannen waren vertrouwd met de sterren en astronomische tijdrekening, en ze muntten uit in het schieten met vogel geweren [musketten] en kanonnen.Vervolgens werden ze toegewezen aan garnizoens in de hoofdstad en de omgeving daarvan. Veertien jaar [= 13 oosterse jaren] later gingen acht van hen die waren toegewezen aan de linker Maritieme hoofdkwartieren in Honam, heimelijk met een vissersboot en ontsnapten naar [een van de] eilanden van Nagasaki in Japan. Het Japanse hoofd stuurde een rapport naar het hof waarin stond: "Aranda is een ondergeschikte staat van Japan". Het hof vernam dus voor de eerste keer dat Pak Yon ook van Aranda kwam. Yon zat in de staf van generaal Ku Inhu, en zijn afstammelingen waren achteraf ook ingeschreven in het militaire register van het trainingbureau. (Yi Pyongdo, p. 98)

Ku Inhu was een machtige en hooggeplaatste generaal, gedurende de regeringen van de koningen Injo en Hyojong. Het training bureau (hunguk) was een bijnaam voor het Generale Directoraat voor de Militaire Training (Hullyon togam). Een orgaan opgezet voor de fabrikage van speciale wapens, voornamelijk vuurwapens, en voor de training in het gebruik daarvan. Beide bovenstaande bronnen hebben het over de aankomst van Weltevree in 1628, terwijl Hamel het heeft over 1627. Waarschijnlijk toen Weltevree in 1653 vertelde dat hij al 26 jaar in het land was, kwamen de Koreanen eerder uit op 1628 dan op 1627. Er is geen sillok notitie over de aankomst van Weltevree, maar er is een andere Koreaanse bron die bevestigt dat het in 1627 was. Toen de Koreaanse autoriteiten de feiten betreffende de Hollanders in 1667 onderzochten, nadat Hamel en zijn zeven kornuiten ontsnapt waren, versnelden de diplomatieke onderhandelingen met Japan. Van een informant uit Pusan werd vernomen dat Weltevree, die hier Pak In genoemd werd, gekomen was met twee andere "Zuidelijke Barbaren" in 1627. Ambtenaren in Seoul hebben Weltevree onafhankelijk hierover ondervraagd, en bevestigden de datum. In de diverse Nederlandse bronnen vinden we dit terug.

De plaats van aankomst wordt ook verschillend genoemd. Yun Haengim zegt dat het Honam was: met andere woorden: Cholla-do, Chong Chaeryun heeft het over Cheju-do. Deze tegenstrijdigheid kan opgelost worden door het Pusan rapport van 1667, volgens welke Weltevree strandde in Kyongsang-do, in het district Kyong-Ju. Aangezien dit rapport in andere details nauwkeurig is en dit feit door Weltevree bovendien bevestigd is, moet daardoor deze laatste landingplaats als feit geaccepteerd worden. 

Een schijnbare tegenstrijdigheid is de tegenspraak tussen de twee rapporten over Weltevree's alfabetisme, zowel in het Koreaans (Hankul) of de Chinese karaktertekens (Hanja). Chong Chaeryun zegt dat hij analfabeet was, maar deze opmerking werd wel geplaatst in de context rondom de tijd van aankomst van Weltevree. Het is nauwelijks voor te stellen dat iemand de taal spreekt en zijn leven slijt in een land en niet in staat is bekend te worden met Hankul, wat veel gebruikt werd door de technici waarmee hij samenwerkte. Yun Heang'im beweert met klem dat Weltevree erg bekwaam was in de militaire schrijfwijze, wat waarschijnlijk verwijst naar de Koreaanse militaire geschriften. Als dat zo was, dan moet hij op zijn minst een minimale kennis hebben gehad van Chinese karaktertekens. Er is geen reden te bedenken dat hij, na jaren daar gewoond te hebben, geen kennis zou hebben gehad van Chinese karaktertekens. Er is een verwachting wekkende kleine verwijzing dat hij in ieder geval zich op de een of de andere manier schriftelijk kon uitdrukken: een notitie in het Injo sillok zegt dat "vier en negentig mensen, inclusief Pak Yon, zijn geslaagd voor de militaire examens" in 1648 (Injo, 26/7/chongnae = 10 oktober 1648). Er zijn in het midden van de 17e eeuw geen andere verwijzingen gevonden naar een andere persoon dan Weltevree die Pak Yon genoemd wordt en dit zou dan naar hem toe moeten verwijzen. Het feit dat hij als enige bij naam genoemd werd zou kunnen suggeren dat hij als beste geslaagd zou zijn. Dit zou eigenlijk een beetje te veel van het goede zijn, maar het is een intrigerende mogelijkheid.

Haeng'im's verklaring over Pak Yon's Nederlandse naam, die in een volgende passage tekst herhaald wordt, is moeilijk te interpreteren. Yi Pyongdo stelde dat Hot'anman een mogelijke verbastering was van Weltevree, maar hopman (in die tijd betekende dat de kapitein van het schip) lijkt daar dichterbij in de buurt te komen. Wellicht dat zijn kornuiten hem zo noemden, en dat de Koreanen dit interpreteerden als zijn achternaam.

De volgende notitie, van de hand van Song Haeung (1760 - 1839), vat Chong Chaeryun's verslag samen en vervolgt dan met een bredere beschrijving van de Hollanders en dat is gelijk het langste Koreaanse verslag wat we hebben van de eerste ontmoeting met Weltevree. In sommige details overlapt het 't officiële rapport wat al eerder geciteerd is van de Hyojong sillok, maar het is interessant dat het enige informatie van Hamel's verslag weerspiegelt.

In het jaar kyesa, de vierde van het regime van Hyojong [1653] was er een [Westers] Oceaan schip gestrand in het district van Taejong [Op Cheju-do].....
De Oceaan mannen hebben blauwe ogen en rode snorren, hun neuzen zijn hoog en hun lichamen lang, hun haar is lang gekapt zodat het hun schouders bedekt. Ze dragen hoeden van schapehuiden vilt en leren schoenen met hoge achterkanten. Hun jassen, die verschillende kleuren hebben, hangen tot op hun knieën. De revers en manchetten hebben beide lange rijen knopen, die met een ruk naar binnen allemaal tegelijkertijd los komen. Hun sokken komen tot aan hun knieën en verbinden de binnenkant van hun [knie] broeken.
In een eerbiedige begroeting verwijderen ze zowel hun hoed als schoenen, en vouwen hun handen tot aan de grond en knielen voor een langdurige tijd met hun hoofd naar beneden. Hun zingen lijkt op de tonen van de Chinese. Ze huilen maar jammeren
[weeklagen] niet. Ze weten niet van rijst, nemen alleen maar van het vlees, wijn, cake en noedels; ze kunnen ook slangen eten.
Hun alledaags schrijven is grofweg hetzelfde als die van de Manchus, alleen schrijven ze horizontaal in lijnen van links naar rechts. De getallen schrijven ze op een toepasselijke wijze, behalve dat het karakter voor "tien" wordt geschreven als een X   voor een "vijf" V, vanaf de "zes" voegen ze de toepasselijke nummers toe in penseelstreken tot V. Noch hun taal, noch hun schrift is te begrijpen.
Toen er in het Japans "Westelijke Oceaan Kirishitan" tegen hen gezegd werd, reageerden ze allemaal met enthousiasme en vreugde en zeiden "Ja! Ja!" Dit "Ja! Ja!" lijkt op "Yea! Yea!"
[Koreaans voor Ja!]. Ze moesten allemaal hun naam opschrijven [en deze werden overgezet in het Koreaanse alfabet]. Degene die bovenaan de lijst stond was Peakyeyaumsaiun [Pekje, Bekje?? of Wekje?? en dan Joms of Janszoon, eigenlijk komt er niemand van de 19 bekende namen in aanmerking voor deze verbastering]. De uitdrukking saiun [zoon] werd op dezelfde manier gebruikt in veel van de andere namen. Saiun moet zoiets betekenen in de orde van het Chinese songssi [familienaam en geslachtsverwantschap]. Het hoofd, Yi Wonjin, rapporteerde de zaak aan het hof en het Bureau van de paraatheid vaardigde Pak Yon af om daar heen te gaan en hen te ontmoeten.... Toen Yon deze barbaarse schipbreukelingen zag, sprak hij eerst niet, zodat hij het gedrag van de mannen kon observeren. De barbaarse schipbreukelingen keken naar Yon voor een lange tijd en zeiden toen: "Deze man is als een broeder voor ons," waarop ze hem aankeken en de tranen vrij lieten lopen.
De Barbaren zeiden," Veel kooplui van ons land gaan naar Japan, als U ons naar Japan stuurt, zijn we in staat naar huis terug te keren." Maar Yon vertelde hen, "In Japan is de enige open markt in Nagasaki. De handelsschepen gaan in de regel niet aan land, alle handel wordt aan dek van de schepen gedaan. En het is de wet van Japan om diegene die aan land komen als schipbreukelingen te doden, zelfs hun landgenoten.  Nog enkele jaren geleden kwamen er volgelingen van Jezus hier in Korea, en toen Korea ze naar het eiland van Tsushima stuurde, slachtte de Heer van het eiland hen allemaal af en nam al hun kostbaarheden. Als we jullie nu naar Japan zenden is er geen reden te bedenken waarom jullie levend zouden ontsnappen. Overigens ben ik, zolang ik hier ben, toegewezen aan het algemene directoraat voor de militaire training. Ik leef comfortabel en het voedsel voldoet. Je zou met mij naar de koninklijke hoofdstad mee moeten komen." De barbaren stemden er mee in, en het volgend jaar werden ze allemaal naar de hoofdstad gestuurd, ze werden verdeeld en gestationeerd in verschillende kampen in en buiten de stad.....
De schipbreukelingen waren allemaal gezond van lijf en leden, hoewel sommigen van hen nog jongens waren en niet ouder dan tien jaar oud. Ze zeiden dat drie van hen naar China waren geweest om te handelen en dat zeven zelfs in Japan waren geweest.
(Yi Pyongdo pag 95, hij maakte een speciale studie van Song Haeung, de notities zijn sinds 1938 in het bezit van het Chindan genootschap in Seoul)

Sommige dingen vinden we zeker bij Hamel terug: de emoties van de ontmoeting met Weltevree, de zwijgzaamheid van de laatste toen hij hen eerst zag. De mening dat het hof hen nooit naar Japan zou laten gaan (hoewel met interessante variaties), etc. Aan de andere kant, zij die Hamel al gelezen hebben, zien in deze verslagen dingen die de boekhouder zelf nooit verteld heeft. Namelijk dat Weltevree een Koreaanse naam had, dat hij getrouwd was met een Koreaanse en kinderen had, dat hij betrokken was bij de fabricage van wapens, dat hij leidinggevende verantwoordlijkheden had in het Koreaanse leger, en al helemaal niet dat hij verantwoordelijk was voor andere schipbreukelingen in aanvulling op de bemanning van de Sperwer, inclusief Chinese en Japanse. Van al deze dingen vind je geen spoor terug in Hamels journaal. Het meest interessante is de verbasterde naam. Wie zou daarvoor in aanmerking komen?

In feite ziet men een zekere terughoudenheid in het Journaal als het om Weltevree gaat; iets wordt er achtergehouden. Dat is speciaal het geval bij de opmerkingen over het afscheid van Weltevree, toen Hamel en zijn kornuiten werden verbannen van de hoofdstad in 1656: hij zegt dat ze daarna taal nog teken van Weltevree vernomen hebben. Hij vertelde hetzelfde nogmaals toen hij door de Japanse autoriteiten in Nagasaki op 14 september 1666 ondervraagd werd. Maar op dezelfde dag verteld hij het Opperhooft nog dat Weltevree "nog leefde en ongeveer zeventig jaar oud is" (1). Waarom liet Hamel dit feit over Weltevree opzettelijk achterwege, zowel in zijn Journaal als in de ondervraging door de Japanners. Deze vragen krijgen een toegevoegde waarde als we kijken naar de tegenstrijdige versies over Weltevree's aankomst in Korea. Kijken we naar de volgende passage:

"....seijde ik ben oock een Hollander, geboortich uijt de Rijp, en hiete Jan Jansz. Weltevreen ende heb hier al 26 jaren geweest, verhaelende wijders hoe hij ao 1627 op 't Jacht Ouwerskerck hadde gevaeren, Item dat hij op seecker joncque door gemelte Jagt in dit Noorse vaerwater genomen, overgezet zijnde, en omtrent dese Eijlanden vervallen was met eenige van sijn geselschap aen lant gevaeren om waeter te haelen en nevens twee andere persoonen door d' Chineesen gevangen geworden, mitsgaders dat voorn. twee mackers ten tijde als dese Eijlanden van de Tartaren wierden ingenomen, waeren dootgebleven; gemelte Jan Jansz. Weltevreen was op 't afscheijt van dikgenoemde 8 persoonen uijt Corre nogh in't leven ende een man van ruijm 70 jaren oudt"(1)

Hij is dus niet aan boord van de Ouwerkerck aangekomen maar aan boord van een jonk en is dus waarschijnlijk niet meteen door de Koreanen gevangen genomen maar door de Chinese bemanning van de jonk aan hen overhandigd. Verder lezen we in een missive van de Gouverneur van Taiwan aan die van Batavia (1) dat de Ouwerkerck een Chinese jonk had gevangen die op weg was naar Amoy. Zeventig van de hondertvijftig Chinezen werden van de jonk aan boord van de Ouwerkeck gebracht, terwijl er op hun beurt zestien van de Ouwerkerck op de jonk werden overgebracht, met de orders om de overblijvende Chinese bemanning naar Taiwan te brengen. Maar even verder lezen we "gemelte joncque is door storm van haer geraeckt ende tot op dato niet geparesseert, beduchtende verongeluckt is." De Ouwerkerck zelf werd een paar maanden later door de Portugezen veroverd en verbrand:

".....van de chineesche roovers hebben verstaen dat Ouwerkerck omtrent Maccauw des nachts door eenige Portugeesche fusten overrompelt ende verbrant is; achttien coppen souden daervan gevangen, gelijck mede 't geschut becomen hebben, sijnde 't resterende volck alt'samen verongeluckt".

Het is dus duidelijk dat men achter heeft willen houden dat Weltevree een piraat of in de taal van de V.O.C. een kaapvaarder was, waarom dat men zijn status in Korea zo vaag heeft willen houden heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat ook de verhouding van de V.O.C. met Japan niet zo'n eenvoudige was. Mogelijk liet ook Weltevree in Holland een vrouw en kind achter. Dit wordt gesuggereerd door losse stukjes archiefmateriaal in de dooparchieven in Vlaardingen.

Nadat ze Weltevree ontmoet hadden verbeterde de situatie van de Nederlanders aanzienlijk. Yi Wonjin mocht ze graag en hield ze vaak onderhoudend bezig. Tegen het einde van het jaar echter, liep zijn termijn als hoofd ten einde en werd hij teruggeroepen naar de hoofdstad. Voordat hij terugging gaf hij hun persoonlijke eigendommen terug en gaf ze elk een cadeautje en kleren voor de winter. (1) En hoewel Hamel de winterkleren aan de goedheid van Yi Wonjin toeschreef, was deze deels te danken aan een beslissing in Seoul, en kwam niet zo zeer ten goede van de Hollanders als wel ten koste van hen. De zaak was naar voren gekomen in een koninklijke bespreking op 18 januari 1654 toen de directeur van het bureau voor de rijksmiddelen bemerkte dat zijn hertevellen waren uitgeput en dat er geen beschikbaar waren voor de verwachte heffing van het gezantschap van de Manchu's en hun komend bezoek. Toen herinnerde de koning hem eraan dat er veel herte-vellen gered waren van het recentelijke wrak op Cheju-do. Hierop opperde de Hoofd Raadsheer dat deze voor de heffing gebruikt zouden worden en dat de schipbreukelingen vergoed zouden worden met katoenen materiaal wat ze gebruiken konden voor winterkleren. Dit idee werd goedgekeurd. Enkele dagen later meldde het bureau voor de rijksmiddelen dat slechts vier- of vijfhondert van die vellen van goede kwaliteit waren en deze waren schoon gemaakt voor een eventuele overhandiging. Er werd een aanbeveling gedaan dat er een compensatie gedaan zou worden van vier stukken katoen voor elk van de zesendertig schipbreukelingen. De koning gaf hier enkel zijn voorwaardelijke goedkeuring aan : "Goedgekeurd. Vier stukken katoen lijkt een wat kleine hoeveelheid, maar katoen is ook beperkt voorradig." Mogelijk werd hierdoor het uiteindelijk rantsoen verhoogd, hoewel het bewijs daarvoor ontbreekt. De overblijvende vellen werden laten teruggegeven aan de Hollanders, hoewel Hamel zegt dat tegen de tijd dat ze die kregen ze aardig aangetast waren door insecten en andere schade.

Er is ook nog een notitie over de beschikkig van de Borneaanse kamfer of "drake hersenen", maar in dit geval is er geen aanwijzing dat ze daarvoor compensatie kregen. Al gauw nadat de de geredde lading in Seoul was aangekomen, nam de paleisdokter de gelegenheid te baat om de aandacht te trekken op de spaarzame voorraden van dit kostbaar goedje. Hij verzocht of deze gelukkig gekregen voorraad overgedragen kon worden aan zijn bureau voor medicinaal gebruik. Dit werd goedgekeurd. Noch Hamel noch de Koreaanse bronnen melden verder wat er gebeurd is met de putchuk. Maar gezien de omstandigheden kan men onder de indruk zijn van de Koreaanse eerlijkheid in verband met de lading van de Sperwer. Ze hadden het heel gemakkelijk kunnen confiskeren en helemaal geen compensatie kunnen geven.

Ondertussen terug op Cheju-do, hadden de gebeurtenissen een kwade wending genomen. Het nieuwe hoofd was niet van hetzelfde slag als Yi Wonjin. Hij verminderde onmiddellijk de rijstrantsoenen en zelfs rijst werd al snel ingewisseld voor gerst en tarwemeel met een beetje zout en water. De mannen smeekten Yi Wonjin, die op het eiland had moeten blijven vanwege het slechte weer, om voor hen in te grijpen, dit deed hij ook, maar zo gauw hij vertrokken was, werd de situatie zelfs slechter.

Toen er enkele maanden voorbij waren gegaan zonder een woord van het koninklijke hof, begonnen de Hollanders uit te zien naar kansen om te ontsnappen. Ze hielden de bootjes in de haven en hun bewakers scherp in het oog. Er kwam een kans in het begin van mei 1654. Toen zes van hen een luchtje gingen scheppen aan de kust, namen ze een onbewaakt bootje waar. Snel renden ze naar huis om wat provisie te halen, gingen terug en sprongen aan boord. Maar ze werden onmiddellijk waargenomen, in hun haast viel de mast en het zeil overboord, en toen ze deze weer overeind wilden zetten en met de platting vast wilden zetten, viel hij weer overboord. Ze werden gemakkelijk weer gevangen genomen. Deze groep nam voor het eerst kennis van de Koreaanse bestraffing: met een stok op de voetzolen slaan. Sommigen waren een maand later nog in bed. Iedereen werd nu tot strikt huisarrest veroordeeld.

Aan het eind van mei kwam de order voor hun verzending. Hamel zou waardering hebben kunnen opbrengen voor de manier waarop. Het dagboek van het koninklijke secretariaat (Sungjonwon ilji) is de bron waaruit dit verhaal komt en dit is van belang omdat de nieuwe rechtssecretaris hun oude vriend was, Yi Wonjin, die woord had gehouden.

Audientie met de hoofdofficieren en de senior beambten van het paraatheidsbureau.
De rechtssecretaris Yi Wonjin had
[eerder] een petitie gemaakt om het bestaan van de mannen van de Westerse Oceaan aangenamer te maken. Hij suggereerde dat als de hoofdofficieren aanwezig waren geweest, zou zijne hoogheid een andere instructie over hun situatie hebben verordend. Op deze dag waren de hoofdofficieren aanwezig en ze discussieerden over wat ze zouden moeten doen.
Zijne Hoogheid: "De barbaren zijn hier gekomen als schipbreukelingen. Er is geen sprake van hen terug te zenden, maar we hebben een morele verplichting
[tao] om hun bestaan te verlichten. Ik heb gehoord van de hongersnood en honger op het eiland; ze zeggen dat het daar moeilijk is om in leven te blijven. Wat moeten we met ze aan?
Hoofd Rijksraad Chong T'aehwa: "Laten we hen begunstigen met een met een regeringstoelage. Aangezien hun
[huidige] situatie moelijk is, laten we hen naar het vasteland brengen. Dit zou hen de mogelijkheid bieden om in hun bestaan te voorzien, en ik zie er geen bezwaren tegen."
Zijne Hoogheid: "Laat ze naar de hoofdstad brengen, schrijf ze in in het trainingsbureau en zie erop toe dat ze het aangenaam hebben."
T'aehwa: "Hun handelswaar zou hier per schip heengebracht kunnen worden, zij zelf zouden over de landroute hierheen begeleid kunnen worden, waarbij de locale districten hen voorraden dienen te geven. Hoe zou dat zijn?"
Zijne Hoogheid: "Laten we het zo doen."
(10 april 1654, Ledyard pag. 41,43)

De datum van deze notitie laat zien dat de beslissing om iets te doen voor de Hollanders met zes maanden vertraagd was na het eerste nieuws van hun schipbreuk. De reden waarom kan gemakkelijk geraden worden: mogelijk was er wat verschil van mening in Seoul geweest om te beslissen wat voor actie er ondernomen moest worden en er was een tussentijdse oplossing gevonden om ze voorlopig op het eiland te laten. De combinatie van de vertwijfelde voedselsituatie,  met de initiatieven van Yi Wonjin, hadden eindelijk een beslissing geforceerd.

Maar wat zat er achter deze beslissing? Waarom was er "geen sprake van dat ze terugkonden?" The Chosôn dynastie had altijd een humane politiek gevoerd met betrekking tot schipbreukelingen. De uitzonderlijk lange kustlijn van Korea en de vele eilanden hadden vaak als eerste redplaats voor zeelui in problemen gediend. Gewoonlijk ging het dan om Chinese of Japanse zeelui, maar af en toe ook mensen van de Ryuku eilanden. Deze werden tot dan toe goed opgevangen en met gastvrijheid behandeld en weer op weg gestuurd nadat de nodige onderhandelingen waren uitgevoerd met de Japanners of de Chinezen. Deze landen hadden een soortgelijke politiek als het om Koreaanse visserslui ging. Was er een basis voor Weltevree's stelling dat het de constante gewoonte was van Korea om allen die op de kust aankwamen nooit te laten vertrekken? Hijzelf scheen een levende getuigenis van dit gebruik te zijn en had waarschijnlijk het commando in Seoul over andere vreemdelingen in soortgelijke situaties.

Als er al een uitzondering op de algemene regel was die de positie van schipbreukelingen betrof was het wel in de periode gedurende en na de invallen van de Japanners (1592-1598) en Manchu's (1627, 1636) en speciaal gedurende de regering van Hyojong (1649-1659), de koning die op de troon zat toen Hamel en zijn groep aankwam. Zijn grootste zorg was voortdurende militaire paraatheid en hij was waarschijnlijk afkerig van het idee dat Chinese en Japanse schipbreukelingen naar huis zouden keren en zijn vijanden zou informeren over de status van zijn verdediging. En behalve de Hollanders zijn er eigenlijk geen bewijzen gevonden dat er sprake was van ongebruikelijke detentie van schipbreukelingen. Er waren kennelijk enkele anti-Manchu Chinezen die blijkbaar hun heil zochten in Korea, en aangezien vele zuid- en zeevarende Chinezen dit wilden, zouden ze heel goed per schip daar zijn aangekomen en velen het idee hadden gegeven dat zij die naar Korea kwamen daar hadden te blijven.

In het geval van de Nederlanders was de zaak ingewikkelder doordat de Koreanen onzeker waren wie ze nu eigenlijk waren. Ze hadden natuurlijk gehoord van de "Zuidelijke Barbaren" (Namman, de Japanse uitspraak was Namban) van zowel de Chinezen als de Japanners en hen waarschijnlijk ook gezien, zoals blijkt uit de vele missieven en dagregisters, maar ze waren zich er waarschijnlijk niet van bewust dat er een onderscheid bestond tussen de (katholieke) "Kirishitan" Portugezen, en de (protestantse) "Kirishitan" Hollanders. Toen de Hollanders positief reageerden op de vraag of ze "Kirishitan" waren, moeten de Koreanen zich zorgen hebben gemaakt, want ze waren zich wel bewust dat zulke Namban, voor problemen hadden gezorgd in Japan, en de grondige poging van de Japanners om deze uit te roeien. Als de introductie van een buitenlands geloof met zich de problemen meebracht die meer buitenlandse betrokkenheid betrof en rampen als de Japanse Shimbara opstand (1638), dan wilden de Koreanen deze niet. Het veiligst was om te voorkomen dat deze "Kirishitan" met hun landgenoten zouden communiceren.

Aan de andere kant was het natuurlijk ook mogelijk dat ze rechtvaardiging zochten in hun handelen op humanitaire gronden die, volgens de Koreaanse versie van het verhaal, de drijfveer was van Weltevree's argument. Koreanen wisten dat elke christen die in Japan gevonden werd een gruwelijke dood vond. Zelfs als ze zich ervan bewust waren dat er een speciale regeling was voor een speciaal soort "Zuidelijke Barbaren", in de haven van Nagasaki, en het is niet zeker dat ze zich daarvan bewust waren, dan konden ze een veilige overtocht niet garanderen, aangezien alle onderhandelingen met de Japanners zorgvuldig beperkt waren tot de contacten met de Heer van Tsushima. Als de Nederlanders een keer in zijn handen waren, was het niet zeker wat er met ze zou gebeuren. Ze hadden dat gezien in een soortgelijk geval met een groep Chinese schipbreukelingen, die van Guangzhou naar Nagasaki onderweg waren, overgedragen waren aan de Heer van Tsushima, die hen naar Nagasaki zond, waar ontdekt werd dat vijf van hen christen waren. Ze werden gedood. Dit geval betekende een precedent in de Japans-Koreaanse relaties, zoals we zullen zien. Ondertussen konden de Koreanen best geredeneerd hebben dat de beste manier om de Nederlanders in leven te houden was om ze in Korea te houden.

Noch was het een optie om de Nederlanders te repatriëren door ze aan de Manchu's over te dragen. Deze relatie was al onderdrukkend en vervelend genoeg, om ze ook nog eens te belasten met verdere buitenlandse zaken. In de Chopchikko, een manuscript van onbekende hand gedateerd in 1835, vinden we een lijst van de Manchu gezanten en de smeergelden die betaald werden. Als het ging om hun veiligheid in handen van de Japanners, dan was daar nog minder sprake van dat de Manchu's ze veilig zouden vervoeren en overhandigen. De Manchu's waren per slot van rekening "echte" barbaren. De Koreanen verachtten en wantrouwden ze. Erger nog, de ambassadeurs van de Manchu's deden nooit iets voor niets. Via hen de Nederlanders te repatriëren kon een kostbare zaak zijn.

In aanvulling op deze overwegingen, waren er andere van meer positieve aard. De Nederlanders bleken goede en bruikbare vaardigheden te bezitten en in de tijd dat ze aan land kwamen, was er veel vraag naar deze vaardigheden. Het Koreaanse hof had in die tijd zelf actieve militaire plannen om een invasie in Manchuria te doen. Het idee van zo'n actie zou, vanuit ons modern standpunt uit bezien, op het najagen van een hersenschim lijken, en zelfs voor hun tijdgenoten was het min of meer "wishfull thinking". Maar voor vele Koreanenen in die tijd was dit werkelijkheid en speciaal Hojong had zo'n inval al gepland zo gauw hij de troon had bestegen en misschien zelfs wel eerder gedurende zijn achtjarige gevangenschap die hij gedwongen was te ondergaan als prins. De redenering die achter deze plannen schuilging was dat gedurende zijn regime de Ming prinsen nog steeds verzet boden in zuidelijk China en zouden ze ooit in staat zijn een aanval tegen het noorden op gang te brengen, zou Korea zich in een uitstekende positie bevinden om ze te helpen vanuit de achterhoede. Door dat te doen zouden ze zeker de Machu's kwijt zijn. Zelfs als de Koreanen het eerst zouden aanvallen, zouden ze geredeneerd hebben, zou de situatie van de Ming troepen wel eens op een voordelige manier kunnen veranderen. Interessant genoeg, bevalen de Manchu's in 1654 dat de Koreanen troepen moesten zenden om hen te helpen een Nason (Lo-shan= Russia=Rusland) vestiging nabij de Hei-lung rivier te veroveren. De vijand werd verjaagd, en het grappige is dat deze Russen werden verjaagd met de technologie van de Hollanders. De geplande inval van Manchuria vond echter nooit plaats. (Ledyard pag. 151, noot 11)

Dus toen Hamel en zijn kornuiten aankwamen, was Korea een gewapend kamp. Waarschijnlijk op geen moment daarvoor of daarna, was gedurende de Chosôn dynastie het Koreaanse leger in zo'n hoge staat van paraatheid en training. In Hamel's journaal vinden we dit op vele plaatsen bevestigd. Door ze aan "de algemene raad voor militaire training" toe te wijzen, bracht Hyojong ze meteen daar waar hun talenten het best gebruikt konden worden. Hoewel deze militaire eenheid brede verantwoordelijkheden had, was zijn hoofdfunctie het ontwerpen en vervaardigen van speciale wapens en het trainen van mensen om deze wapens te gebruiken en om ze onder commando te hebben. De technologie voor de wapenindustrie was in Korea destijds beslist niet onderontwikkeld, maar de Nederlanders konden er beslist verbeteringen aan toevoegen. Weltevree had al bewezen dat hij nuttig was. Een ander voordeel om ze in het trainingsbureau te plaatsen was dat ze onder de directe supervisie stonden van Weltevree, die zich kennelijk als loyaal en betrouwbaar had betoond. Hamel zelf maakt er geen enkele melding van dat de Hollanders dit soort werk deden. Ook sijpelt er uit de Koreaanse bronnen teleurstelling over hun vaardigheden door.

Tot slot sijpelt er een duidelijk element van sympathie door in de beslissingen en opmerkingen van Hyojong. Mogelijk dat deze gevoelens teweeg werden gebracht door zijn eigen bittere ervaringen als gevangene volgend op de inval van de Manchu's in 1638. De Manchu's eisten na hun militaire overwinning dat de kroonprins Sohyon en zijn jongere broer Hyojong (toen bekend onder de naam Pongnim) als gijzelaars gehouden werden, als garantie tegen enige Koreaanse intentie om met de Chinezen (de Ming) te communiceren. Van 1636 tot 1644 toen de Ming dynastie volledig verslagen was, leefden de twee prinsen gevangen in Mukden. Gedurende deze tijd schijnt Hyojong behandeld te zijn volgens zijn rang, maar de psychologische gevolgen van gevangenschap en ballingschap zijn dingen die hij beslist begrepen heeft. Hamel geloofde in ieder geval dat hij en zijn maten hun leven te danken hadden aan Hyojong en aan een van zijn andere broers, prins Inpyong, die beiden ingrepen toen de Hollanders problemen kregen in Seoul.

In juni 1654 werden Hamel en zijn kornuiten aan boord gebracht van verschillende boten om naar het vasteland te gaan. We lezen in het journaal hoe dat in zijn werk ging en kunnen de eerste helft van de tocht naar Seoul vrij nauwkeurig volgen (zie ook *). (Met dank aan Paik Sunjong, Universiteit van Tbingen, tegenwoordig Sogang University Seoul). Daarna lezen we alleen nog iets over het oversteken van een rivier. Naar de redenen daarvan kunnen we alleen maar raden. Het is mogelijk dat de mannen te moe waren om nog maar iets op te merken. Het kan ook zijn dat ze tijdens hun verblijf in Pyongyong toen ze bedelreizen maakten, die beperkt waren tot Cholla-do, zich herinnerden waar ze eerder doorheen gekomen waren en daardoor in staat waren nauwkeuriger hun heenreis op te schrijven. Hoe dan ook op 26 juni kwamen ze in Seoul aan en Hamel zegt dat ze in eerste instantie in een groot huis verbleven en later in kleine groepen over verschillende huizen verdeeld werden bij Chinese "slaepbazen". De genoemde afspraken vinden we nauwkeuriger in de Koreaanse bronnen terug, omdat Hamel op een gegeven ogenblik de westerse kalender uit het oog verloor en oosterse data ging gebruiken. De volgende twee notities vinden we terug in de dagboeken van de autoriteiten van de grensparaatheid (Pibyonsa): een machtige groep van ambtenaren, die verantwoordelijk waren om supervisie uit te oefenen over alle militaire zaken en zaken met betrekking tot de defensie: Een soort nationale veiligheidsraad met uitvoerende macht. Dit was het orgaan waarmee de Hollanders het meest te maken hadden tijdens hun verblijf in Korea. Hun dagboeken waarvan er vele tot op de dag nog steeds bestaan, bestaan meestal uit verslagen van vergaderingen met de koning en petities die aan de troon gestuurd werden. Aan het eind van elke petitie is altijd de beslissing van de koning aangegeven, die als die schriftelijk was, altijd voorafging met de mededeling: "Overdracht":

Petitie.
De mensen die hier door Pak Yon begeleid werden, zijn nu in de hoofdstad en zijn bevolen om hun kwartieren op te slaan in het Bureau van de Vertalers. Ze worden vanaf vandaag op de salarisrollen gezet. De meesten hebben een taak gekregen als bewaker. Het bureau voor de rijksmiddelen en oorlog heeft de opdracht gekregen geschikt werk voor ze te vinden. Maar zou het niet beter zijn om over hun bestemming daarna een bredere discussie op te zetten en dan een koninklijke beslissing?
Overdracht:
Goedgekeurd.
(26 juni 1654, Ledyard pag. 51)

Petitie.
Wij, uw onderdanen, zijn bijeengekomen in de schatkamer en Pak Yon opgeroepen om hem te ondervragen. We hebben besloten dat deze mannen niet samen kunnen wonen op een plek. Ze zouden overgedragen moeten worden aan een borgsteller en bij elkaar in de buurt moeten wonen. Ze zouden op elk moment de toestemming moeten hebben elkaar over en weer te bezoeken. In overeenstemming met de vorige beslissing zijn ze ingeschreven in het trainingsbureau en Pak Yon zou het commando over hen moeten voeren en hen instrueren in technieken. Het materiaal en hun kledij zou van het trainingsbureau moeten komen, in overeenstemming met de regels voor artilleristen. Totdat ze borgstellers hebben dienen ze in het vertaalbureau te blijven, maar aangezien Pak Yon de opdracht heeft gekregen voor accomodaties te zoeken waar ze aan toe worden gewezen, zodat ze later uitgezonden worden naar datgene wat hij vond. We zijn het hier eenstemmig overeengekomen. Kunnen we orders geven volgens deze richtlijnen?
Overdracht"
Goedgekeurd.
(27 juni 1654 Ledyard pag. 51, 52)

Op basis van de laatste notitie, is het aannemelijk dat de Chinezen waarover Hamel spreekt, diegene zijn waarover Weltevree het comando voerde en die door Weltevree werden ingeschreven als borgsteller en huisbaas. Andere details van de beslissing worden ook door Hamel bevestigd, die zegt dat ieder een salaris van 70 catty rijst per maand ontving en een musket en kledij kreeg toegewezen. Aanvullend werd iedereen een houten plakaat gegeven waarop "onse namen (diese op haere spraeck verandert hadden) ouderdom, wat voor volcq waren, ende waer voor den co: diende, met carcters uijtgesneden, ende met des Co: ende veltoverste zegel ofte Chiap daer op gebrant was" (1). Iedereen in het koninkrijk had er een en toen de Nederlanders die van hen ontvingen maakten ze daadwerkelijk deel uit van de Koreaanse maatschappij.

Het verblijf en de aankomst van zo'n grote groep van zuidelijke barbaren wekte natuurlijk de nodige nieuwsgierigheid op, niet in het minst door Hyojong zelf. (1). Hier vinden we weinig van terug in de Koreaanse bronnen. Ook hun uitrusting trok de nodige belangstelling en daarvan vinden we alleen maar iets terug bij Song Haeung, wiens herinnering aan Weltevree al eerder zijn gegeven. Gelet op de opmerking die aan het eind van deze passage staat, schijnt hij een bron te hebben gebruikt die vijftig jaar na de aankomst van de Hollanders te dateren valt, of aan het begin van de 18e eeuw.

Vele van de barbaren waren technici. Ze waren bijzonder bedreven met betrekking tot astronomische zaken en medicijnen. De meest bedreven ambachtslieden en metaal bewerkers stierven tijdens de schipbreuk, maar van hen die overleefden, waren er ongeveer tien artillerie experts, een begreep de sterren en astronomische zaken, twee kenden boks technieken, en een was een expert met het "vogel-geweer".
Wat betreft de manier waarop ze hun kanonnen afschieten: ze vuren ze af vanaf een platform met wielen, waardoor het gemakkelijk is om het kanon om te draaien en hoger en lager te richten. Bij het schieten van het kanon, rollen de wielen terug en daardoor de kracht van de terugslag beperkend en het voorkomt tevens het splijten van de mond van het kanon. Het grootste kanon bevat acht catty kruit en de middelste zes en de kleinste vier catty. Het "vogel-geweer" gebruikt negentiende ons
[yang] kruit het gewicht van de loden kogel is acht-tiende ons. Twee of drie kogels worden samen gebonden met draad en indien ze op die manier worden afgevuurd, wordt er een behoorlijk gat gemaakt als het iets raakt.
Er waren meer dan vijftig verschillende artikelen in hun schip, inclusief een behoorlijk aantal exotische handelsartikelen en ongebruikelijk gereedschap. Enkele tientallen catty drake hersenen; 600 ons Japans zilver, een glazen klok gemaakt door twee flessen met de mond aan elkaar te monteren met stromend zand erin; een instrument om de
[hellingshoek van] de zon te meten; een frame met een as waarop ringen van gesmeed koper [kennelijk het apparaat om de kompas horizontaal tegen het slingeren van het schip te houden], die, als hij bewogen werd, dan weer links of rechts, dan weer voorwaarts of achterwaarts bewoog. Deze verschilde weinig van het Chinese ontwerp; ook een meetlat; een duizend-li spiegel [telescoop]; glazen spiegels [spiegels of verrekijkers?]; een moederwolken [=gekleurd glas, =mica] raam; vele vaten en koperen, tinnen of zilveren borden. De wapens werden allemaal naar onze wapenmagazijnen vervoerd. De metingen van het "vogel-geweer" zijn gerekend volgens de Chou-meetlat, lengte: 102 cm., omtrek aan de onderkant 11,7 cm en 7,8 cm. aan de top. De mond had een diameter van 2 cm., het oog een breedte van 3 cm. Het oog heeft een bedekking en een slot die samen een geheel vormen; het slot kan of los of bewerkt zijn als een geheel. De vuurveer [vuursteen] beweegt naar binnen om op het ijzer te slaan [en daardoor het kruit te ontsteken]. Het aangezicht van voren is zo smal als een linze-boon, terwijl het aangezicht van de loop een kruisvormige staaf is met een kerf in het midden. Men richt het geweer door de kerf. Het ontwerp is erg slim. Het kruitblikje bestaat echter niet meer en verdere proeven kunnen niet meer gedaan worden.
Hun lange zwaarden lijken op die van het Japans ontwerp. De stelen van hun speren, gemaakt van een onbekende houtsoort, zijn licht en buigzaam en breken niet. Nadat ze al vijftig jaar in het wapenmagazijn zijn opgeslagen hebben ze nog niet geleden door schade van insekten.
Het kruit en ijzer wat van het schip gekomen is, is alles bij elkaar tien duizend catty. De zeilen van stof maten bij elkaar vierenzestig sim
[128 m2] in de breedte. (Ledyard pag. 54-56)

Volgens de experts wijst deze beschijving op de snaphaan musket. In: The age of fire arms, a Pictorial Study, geschreven door Robert Held en uitgegeven in 1957 door Harper, New York, kan men het volgende lezen over deze vuurwapens:

The miquelet, in simplest terms, was a snapping lock like a snaphaunce, but refined by the revolutionary feature of having the battery combined with the flashpan cover in one L-shaped piece hinged at the toe, the upright section being struck by the flint and the horizontal forming the flashpan cover. To shoot a miquelet lock, the shooter first cocked it in the half-cock position, and no amount of pressure could release the cock to snap. To fire it nothing remained but to cock it in full-cock and pull the trigger. But at times a worn or defective gun-lock did snap out of half-lock while being carried about, an always unexpected as usually disastrous occurrence commemorated in the saying 'to go half-cocked'. ( pag 74)

Dit type was ontworpen door de Spanjaarden, aan het eind van de 16e eeuw maakten de Nederlanders hier kennis mee toen er op hen geschoten werd. Maar in 1600 tijdens de slag van Nieuwpoort schoten de soldaten van Prins Maurits er al mee terug.

Ondanks de opmerking in het verhaal van Song Haeung over de technische vaardigheden en uitrusting, schijnen er geen andere Koreaanse bronnen te bestaan om te suggereren dat de Hollanders serieus werk deden als metaal-gieters, wapensmeden of astronomische experts. Het laatste beroep kan op iedereen slaan die berekeningen kon uitvoeren met observatie van hemellichamen, zoals een navigator. Eibokken was mogelijkerwijs degene waarop gedoeld werd met betrekking tot de medicijnen; hij was de onderbarbier van het schip en meestal waren dat ook de dokters aan boord van een schip. Echter noch hij, noch Hamel maakt daar verder enige vermelding van als het gaat over hun plichten in Seoul. Ze vermelden ook niets dat instituten zoals het algemeen directoraat voor de militaire training maar suggereert. Hamel zegt simpelweg dat ze in dienst waren als lijfwachten (lijff schutten). Er werd van ze geëist dat ze elke nieuwe en volle maan zouden verzamelen, kennelijk voor een algemene kleding en wapen inspectie. Er werd van ze verwacht dat ze een salvo afschoten en ook om deel te nemen in training en oefeningen die elk drie maanden in beslag namen gedurende lente en de herfst. Eibokken verteld dat de oefeningen zoveel als 80.000 man kon beslaan, die elkaar in een namaak gevecht tegenover elkaar stonden. De koning kon 500.000 man mobiliseren wanneer hij dat maar beliefde (Witsen 58b, 59b). Omdat ze deel uitmaakten van de koninklijke garde, hadden de mannen de mogelijkheid, om de koning te observeren tijdens zijn minder officiële momenten. Dit was maar weinigen gegeven. Eibokken vertelt, dat hij een grote man was, erg vaardig in het gebruik van pijl en boog, die, op lichtzinnige momenten, met een hand kon schieten, tewijl hij de boog onder zijn kin hield. (Witsen 59b). Hij geeft een interessante karakterschets van de koninklijke processie naar het platteland voor een bezoek aan de koninklijke tomben. Hij had grote moeite met het schouderen van hun zware musketten en tegelijkertijd in de pas te blijven met zijn Koreaanse kameraden (Witsen 56a, 1).

De Hollanders werden door hun Chinese huisbazen opportuun gebruikt om minderwaardige baantjes uit te voeren, zoals het fourageren van brandhout. Toen de winter van 1654 aanbrak, deed er zich een gelegenheid voor om van deze plaag verlost te worden. De mannen hadden een voorraad herte-vellen gekregen die van het wrak gered waren om hun winterkledij te kopen. Maar ze legden hutje bij mutje en konden daardoor een huis kopen, er de voorkeur aan gevend om liever in privacy te sterven dan om de onheilen van hun borgstellers te verduren.

Voorzover de omstandigheden het de Hollanders toelieten, waren ze in staat een normaal leven te leiden, behalve op een gelegenheid na, dat was als de afgezant van de Manchu's in de hoofdstad was. Op de eerste van zo'n bezoek, die plaatsvond enige maanden na hun aankomst in Seoul, werden ze allemaal uit de stad weggestuurd en verbannen naar het fort op de Namhan berg, ongeveer twee en dertig kilometer ten zuiden van de stad. De Koreanen waren er kennelijk bang voor dat men van hun bestaan op de hoogte kwam, en de gezant zou wel eens de lading en de uitrusting van het schip kunnen opeisen, speciaal de waardevolle kanonnen.

Maar in de lente van 1655, toen een andere gezant van de Manchu's kwam, schenen de Koreaanse beambten wat minder nerveus geweest te zijn over een mogelijk incident, want de Nederlanders mochten deze keer in de stad blijven hoewel ze huisarrest kregen. De bewaker was echter laks en op 21 april toen de gezant de stad verliet, slopen Hendrik Janse, en Hendrik Janse Bos (waarschijnlijk bosschieter, om hem te onderscheiden van de andere) heimelijk weg, met het excuus om brandhout te halen in het bos. Eenmaal buiten de stad verborgen ze zich in het kreupelhout vlakbij de Hongje brug, ten noordwesten van de stad (nu Hongjedong, ruim binnen de stad). Vlakbij de Hyongjebrug was de verblijfplaats van de Chinese gezant die daar zijn ceremoniële kleren verwisselde voor zijn reiskleren (Ledyard, pag 153 noot 3). Toen het convooi dicht bij kwam, kwamen de mannen tevoorschijn. Ze grepen met een hand de teugels van het paard van de gezant en met de andere trokken ze hun Koreaanse kleren opzij om de Hollandse eronder te tonen. Ze probeerden hun situatie wanhopig uit te leggen. De gezant die niet in staat was ze te begrijpen en behoorlijk perplex was, beval dat Hendrik Janse hem vergezellen zou naar zijn pleisterplaats. Intussen, toen hij begrepen had dat Weltevree bestond, liet hij hem halen om te vertalen. 

Toen het nieuws van de gedurfde ontsnapping binnen de stadsmuren kwam, moesten de achtergebleven Hollanders voor de Rijksraden verschijnen. Hun ontkenning van enige betrokkenheid bij het plan, bracht de Koreaanse autoriteiten niet tot kalmte, die beval om ze allemaal naar de gevangenis te sturen en hen met 50 slagen voor de schenen te straffen. De koning heeft dit echter weten te verhinderen en stelde ze onder huisarrest. Ook werd er snel actie ondernomen voor de situatie met de gezant. Weltevree werd volgens de orders op weg gestuurd met in zijn kielzog andere afgezanten met veel smeergeld om de gezant er toe te brengen de situatie te vergeten. Kennelijk was de aangeboden hoeveelheid voldoende want de hele zaak werd al snel "vergeten." Weltevree kwam terug met de twee vluchtelingen en enige maanden later vernamen ze dat ze dood waren.

Hamel's versie van dit verhaal is vollediger dan die van de Koreaanse bronnen. Maar de laatste voegen enige interessante details toe. De eerste notitie komt van de koninklijke secretaris, met de indicatie dat hij citeert uit de files van het trainingsbureau.

Generaal directoraat voor de militaire training. Petitie.
Enige van de Zuidelijke Barbaren ontsnapten in het convooi van de keizerlijke gevolmachtigde. Dit was volkomen onverwacht; toen het nieuws kwam waren we enorm geschokt en gealarmeerd. Om te vernemen wie van de mannen ontsnapt waren, hebben we onmiddellijk de Zuidelijke Barbaren ter appel bijeen geroepen. Twee van hen, Nam Puksan en Nam Ian, verschenen niet. Toen we het rapport ontvingen van de afgevaardigde die belast was met de afscheidsbegeleiding, hoorden we voor het eerst dat, terwijl Puksan ontsnapte in het convooi, Ian wegrende. Voor het moment vergaten we degene die binnen het convooi zat en er ons van bewust waren dat we onmiddellijk degene moesten vinden die er vandoor was gegaan, bevalen we de reserve vlaggeofficier en anderen, elk met een detachering soldaten, om de heuvels te doorzoeken rondom de Chang'ui poort.
De hoofdstraten binnen de muren werden ook door de informanten afgespeurd. Ian werd onmiddellijk ontdekt op de Tongsumon weg door soldaten gedetacheerd bij het oostgarnizoen die hem oppakten en het ons rapporteerden.
Wij veroorloven ons de vrijheid te verzoeken om hem de kang
[een soort schandblok] om te doen en te boeien, en hem onder strikte afzondering op te sluiten in de gevangenis.
Overdracht:
Bevestigd. Het is beter hem meteen te berispen en hem hierbij gerust te stellen. Aan de andere kant, let op al zijn bewegingen.
(21 april 1655 Ledyard pag. 60-61)

Met Hendrick Janse Bos, alias Nam Ian, veilig in hechtenis, wachten de Koreanen de terugkomst van zijn handlanger, Hendrick Janse, alias Nam Puksan, af. De details van zijn terugkeer worden opzettelijk vaag gehouden in de rapporten van de koninklijke secretaris zoals we kunnen zien uit het volgende:

Wettig gezag voor de grensparraatheid. Petitie.
Met betrekking tot het informele memorandum van dit gezag, was het antwoord:
Bevestigd. Met betrekking tot de barbaar die is terug gebracht en mijn instructie dat hij streng bewaakt dient te worden, mijn instructie is inmiddels overgedragen.
Puksan kwam gisteren onder onze hoede gedurende het uur van de aap
[15:00 - 16:00 uur] waarop wij we de dienstdoende generaal van het algemeen directoraat bevalen om hem achter  slot en grendel te zetten en streng te laten bewaken. Wij durven deze inlichtingen door te geven.
Overdracht:
Bevestigd.
(25 april 1655 Ledyard pag. 61)

Het zou interessant zijn om de inhoud van het informele memorandum te weten, dat in deze petitie genoemd wordt. Misschien bevat het details over de onderhandelingen met de gezant van de Manchu's. Wat de inhoud ook moge zijn, het citaat van het koninklijk commentaar erop, was kennelijk bedoeld om vast te leggen dat er voldoende autoriteit achter zat om Hendrick Janse gevangen te zetten.

Met deze notitie schijnt de zaak uit de archieven van de koninklijke secretaris te verdwijnen. De Shillok heeft echter ook nog een vermelding van de zaak. Kennelijk veroorzaakt door de dood van Hendrick Janse, inclusief materiaal die voor en na het incident gedateerd zijn. De notitie begint met de samenvatting over de achtergrond van de Hollanders en vervolgt dan:

... Toen de Ch'ing [Qing] afgezant kwam, een van hen, Nam Puksan, legde zijn klacht onmiddellijk voor aan de gezant op de grote weg, smekend om naar zijn eigen land teruggestuurd te worden. De Ch'ing gezant was erg gealarmeerd en droeg hem over aan dit land om vast gehouden te worden tot nadere order. Maar Puksan, zenuwachtig en somber, weigerde te eten tot hij stierf. Het hof was erg verontrust hierover maar de Ch'ing wonnen geen verdere inlichtingen in. (30 mei 1655 Ledyard pag. 62)

Dit is het laatste wat we van deze zaak vernemen in de Koreaanse bronnen. Er is verder geen enkele vermelding van het smeergeld, noch van de dood van Hendrick Janse Bos (Nam Ian). Hamel zegt dat hij van de dood van beide op hetzelfde moment hoorde, ongeveer drie of vier maanden later.

Het blijkt duidelijk uit Hamel's journaal dat vanaf het moment dat de vluchtpoging plaatsvond het leven van alle Nederlanders aan een zijden draadje hing. Gedurende de tijd dat ze nog in Seoul waren werden ze nauwkeurig in de gaten gehouden en op momenten dat de Manchu's er waren, zagen ze nauwelijks het daglicht. Drie van de groep die heel goed  Koreaans spraken, werden naar de zuidelijke kust gestuurd, onder voorwendsel dat er een vermeende schipbreuk had plaatsgevonden van nog een schip, met als verklaring dat Weltevree te oud zou zijn voor zo'n reis. De echte reden was echter om diegene die goed Koreaans spraken de stad uit te krijgen en in een positie die kon dienen om de rest die in Seoul achterbleef goed te laten gedragen. Toen de volgende afgezant van de Manchu's kwam ontvingen de achterblijvers een brief van de drie. Daarin stond dat:

.... ende aldaer seer scherp bewaert worden, tot dien eijnde daer gesonden waren, dat bij aldien tartaersen Chain sulcx was ontdect geworden, ende ons had Comen opte eijsschen dat haer gouverneur alsdan soude schrijven dat sij na 't eijland vertrocken ende onderwegen gebleven, om haer alsoo te verduijsteren, ende In haer lant te houden. (1)

In het begin van 1656, was de druk om de Hollanders helemaal kwijt te raken, toegenomen. Hamel zegt dat er een vergadering plaatsvond die drie dagen duurde. De mannen waren er van overtuigd dat hun tijd gekomen was. Maar Weltevree probeerde ze wat gerust te stellen met de woorden: "kent gijlijck nog drie dagen leven, gij sult wel langer leven." (1) Gelukkig voor de Hollanders waren de koning en zijn broer tegen extreme maatregelen en uiteindelijk werd besloten om ze te verbannen naar de zuidkust. Hun toelage werd verminderd van zeventig tot vijftig catty rijst, en die kwam nu op de persoonlijke rekening van de koning. Hamel en zijn kornuiten mogen dan wel niet veel vrienden hebben gehad, maar ze hadden in ieder geval de juiste.

Koreaanse bronnen, zoals die nu bestaan, schijnen geen notities te hebben over het leven van de schipbreukelingen voor bijna de hele periode van hun verbanning in Cholla-do (zie ook *). Alleen na hun ontsnapping, toen de Japanse autoriteiten diplomatieke inlichtingen gingen inwinnen naar het wel en wee van de Nederlanders. Voor de andere jaren hebben we niets anders dan Hamel's journaal.

Hun reis naar het oord waarnaar ze verbannen werden eindigde voor de Hollanders op het hoofdkwartier van het zuidelijk legerdistrict van Cholla-do. Hamel noemt deze plaats duijtsiang of thella peing (1). Het laatste is een verbastering van Cholla Pyongyong, door de locale bevolking Cheilla Pyeingyeing (J.P. Buys: in de inleiding), ofwel Cholla garnizoen genoemd. Het eerste is een verbastering van het Koreaanse Taech'ang ofwel "grote graanschuur", dit was de plek van de belangrijkste voedselvoorziening voor het leger. De manier waarop Hamel dit geschreven heeft is min of meer een bewijs dat hij geen notities heeft gemaakt maar heeft vertrouwd op zijn geheugen toen hij zijn journaal schreef. Hij vertrouwde immers op de uitspraak van de locale bevolking en niet op datgene wat hij aan het hof had gehoord.Verder komen de schrijfwijze en de manier waarop dit in het 17e eeuwse Nederlands uitgesproken werd tamelijk overeen. Hij probeerde alleen bepaalde klanken in het Koreaans in het Nederlands uit te drukken, want nu een keer moeilijk gaat.

Nadat de mannen enige dagen op het garnizoen geweest waren, werden ze herenigd met hun maten, die naar de kust waren gestuurd in het jaar daaraan voorafgaand (1). Deze zijn tot die tijd vastgehouden op het hoofdkwartier van het rechter provinciale maritieme district (Udo suyong, gewoonlijk afgekort tot Usuyong)

Zouden de Hollanders terugkeren naar het Korea van vandaag dan zouden ze vinden dat deze plaatsen nog steeds dezelfde namen hebben als zij die kenden. Pyongyong ligt op 15 kilometer afstand zuidoostelijk van Yongam en ongeveer 10 km ten noordoosten van Kangjin, terwijl Usuyong in de bocht van een lang schiereiland ligt, ongeveer 30 km. ten westen van Haenam.

In Pyongyong werden de Nederlanders onder de hoede van een "peingse" (pyongsa) ofwel een militaire commandant gezet. Er waren twee van zulke commandanten, een in het noorden en een in het zuidelijk gedeelte van de provincie, maar de positie van de pyongsa in het noorden werd altijd vervuld door de gouverneur van de Provincie, die zijn hoofdkwartieren verder naar het noorden, in Chonju heeft. Hamel beschrijft de pyongsa als "de eerste naest den stadhouder ende overste over de militie van die Provincie", dit was een opmerkelijk nauwkeurige beschrijving; maar voorzover het de Hollanders betrof, de gouverneur was ver weg en had weinig van doen met ze. Hun lot lag geheel in handen van de zuidelijke commandant. Hij was degene die de beslissingen nam over hun huisvesting, plichten en behandeling; het enige waar hij geen directe controle over had, was het maandelijkse rijstrantsoen, dat was door de koning bepaald. Gedurende hun zeven jaren in Pyonyong, werden de Hollanders gecronfonteerd met een successie van vijf commandanten, en na hun overplaatsing naar de maritieme basis langs de kust, hadden ze er nog eens vier. Sommige waren goed, anderen waren slecht. Hamel maakt zijn oordeel in elk geval duidelijk.

De Nederlanders begonnen hun verblijf in Pyongyong met op drie na alle zesendertig overlevenden. Ze werden in het begin kennelijk gehuisvest in een groot gebouw (1), maar in de loop der tijd hadden ze hun: "huijsen, huijsraet, ende 't huijntjes op die lants wijse redelijck versien waren, t' selve met groote moeijten gecregen"(1) Eibokken zegt dat sommigen Koreaanse vrouwen namen en kinderen hadden (1 Witsen 53b), een feit dat door Hamel niet eens gesuggereerd wordt tenzij in de regel die net geciteerd wordt. In aanvulling op hun maandelijks rijstrantsoen, hebben ze waarschijnlijk voldoende verdiend om aanvullend voedsel en kledij te kopen, hoewel deze voorraden minder zeker waren dan hun rijstrantsoenen. Ze vulden deze hoofdschotels aan met de lekkernijen die ze konden vergaren. Eibokken rapporteerde dat ze een deel van hun zoutvoorraad gebruikten om haring te zouten, een toepassing die de nieuwsgierigheid van hun Koreaanse vrienden opriep (1, Witsen 57a). Spoedig na hun aankomst kregen ze de resterende huiden die nog van het wrak gered waren en die niet de moeite van het vervoeren naar Seoul waard werden geacht. Met het geld wat ze met de verkoop van deze huiden kregen konden ze zich van enig huisraad en andere gemakken voorzien.

De eerste commandant was er een van het goede soort. Hij vroeg niets meer van ze dan dat ze het gras plukten en het garnizoensterrein schoon hielden, en voor de rest liet hij ze aan hun lot over (1). Helaas was zijn termijn afgelopen en werd hij vervangen in het begin van 1657 door een man die van een heel ander slag was. De nieuwe commandant legde veel nieuwe taken op boven datgene wat ze al hadden en herriep sommige privileges. De belangrijkste verandering was dat de Hollanders er nu op uit moesten om het brandhout te verzamelen dat hen eerst vanuit de garnizoensvoorraad werd gegeven. Het werk op zich was niet zozeer lastig maar ook kostbaar omdat het voor hen onmogelijk werd om hun kleding en schoeisel in een goede konditie te houden en er was geen voorziening getroffen om die te vervangen. De tweede commandant werd vervangen in de herfst van 1657 wegens ziekte, maar zijn opvolger was er een van hetzelfde slag. Met het invallen van de winter en de kleding situatie erger dan ooit, werden de Hollanders wanhopig. Ze konden niet eens een pond zout maken zonder hout te verzamelen en ze konden evenmin hout halen omdat ze bijna naakt waren (1).

De oplossing voor hun problemen was dat de Hollanders gingen bedelen. Een effectievere manier om zichzelf te onderhouden in hun omstandigheden kon haast niet gevonden worden. Aan de ene kant hadden de schipbreukelingen gezien dat bedelen niet als oneerbaar werd beschouwd. Aan de andere kant, doordat ze vreemd uitziende buitenlanders waren, konden ze gemakkelijk de aandacht van de nieuwsgierigen trekken en ze verleiden iets af te staan in ruil voor een avontuurlijk verhaal over wat ze in de zuidelijke zeeën hadden meegemaakt. De Nederlanders vroegen de commandant permissie om te bedelen. Hij gaf wijfelend toe om hun benarde toestand te verlichten en ze mochten het garnizoen verlaten in wisselende groepen: een bleef voor een vaste periode achter terwijl de ander marktplaatsen zochten en andere plekken waar ze waarschijnlijk hun nieuw beroep konden uitoefenen. Als de eerste groep terugkwam zouden ze hun verdiensten met de tweede delen, die dan op hun beurt erop uit zou trekken voor hun eigen excursie. De vierde commandant wiens termijn van 1658 tot 1660 duurde, gaf ze kennelijk toestemming om grote afstanden te reizen, aangezien Hamel zegt dat de enige plaatsen waar ze niet mochten komen de hoofdstad en de Japanse loge in Tongnae waren. In feite zou het echter vreemd zijn als ze de grenzen van Cholla-do konden overschrijden. Ook dit spreekt weer ten voordele van de hypothese dat Hamel het journaal op Deshima schreef aangezien bijna alle plaatsen van hun eerste reis zich in Cholla-do bevonden op Unjin, Yonsan en Kongju na (1,2). Op sommige tijden konden ze wel 20 dagen achter elkaar wegblijven.

Het jaar 1660 begon voor hen met voor en tegenspoed. De commandant die deze keer overnam was de beste die ze tot nu toe hadden gehad. Hij bevestigde hun toestemming om te bedelen en toonde zijn vriendelijkheid en vriendschap op vele andere manieren. De keerzijde van de medaille was dat zijn termijn samenviel met een verschrikkelijke hongersnood die begon in 1659 en was nog steeds gaande toen de Nederlanders afscheid van hem namen in 1663. Hamel vertelt niet of ze zelf ontberingen hebben geleden, waarschijnlijk kregen ze zelfs in deze moeilijke tijden in ieder geval een deel van hun rantsoen. Maar het tekort aan ander voedsel, de algehele moeilijke situatie waarvan Korea in die jaren te lijden had, en de besmettelijke ziekten en verzwakte gezondheid die altijd samengaan met hongersnood, eisten ook dezelfde tol bij de Nederlanders als dat gebeurde bij de rest van de bevolking. Toen de Nederlanders Pyongyong verlieten waren er nog maar 22 van de 33 over die er oorspronkelijk zeven jaar daarvoor waren aangekomen. Hamel noemt niet eens dat deze gestorven waren, en sprak al helemaal niet over de oorzaak van hun dood. Had hij niet het aantal genoemd wat naar de nieuwe locatie vertrok dan zouden we niet eens weten dat er elf gestorven waren. (1)

De hongersnood was de directe aanleiding van hun overplaatsing. Het garnizoen had niet genoeg graan om de koninklijke toelagen te betalen en had verzocht dat ze naar andere plaatsen die hen beter kon onderhouden werden overgebracht. Waarschijnlijk wilde geen enkele commandant 22 mensen in een keer opnemen en daarom werden de mannen in drie groepen opgesplitst en naar drie verschillende locaties gebracht. Twaalf gingen er naar Saijsing (SaesOng) vijf naar suinschien (Sunchon) vijf naar namman (Namwon)  (1). Over de naam Saijsing zegt  Gary Ledyard in een persoonlijke discussie het volgende: (1)

However, while later researching Japanese fortified bases during the Imjin Wars, I came upon Konishi Yukinaga's famous bastion near Sunch'On (S. ChOlla prov.), which was on the east coast of the YOsu peninsula facing Kwangyang man, about 30 km. north of YOsu and 10 km southeast of Sunch'On. Remains of this fortress still exist today, and I have visited them several times over the years. The name of the town where this fortress is located is SinsOngp'o. SinsOng means "new fortress," and corresponds very well with Hamel's Saijsing, which means the same thing but is written with the pure Korean word for "new." (1)

Verderop in deze discussie zien we dat er nog steeds onenigheid is over de exacte locatie van Saijsing. Ook in de Koreaanse bronnen vinden we niet voldoende ondersteuning voor het een of het ander.

De verhuizing bracht veel onrust bij Hamel en zijn vrienden. Sommigen waren niet zo gezond meer en toen ze op weg gingen waren ze bang dat ze naar een plek gingen waar de hongersnood nog erger was. Ze verlieten een plek waar ze zich, gezien de omstandigheden, redelijk lekker voelden en ze hadden een commandant die hun alle voorkomendheid en vriendelijkheid had betoont. Ook viel de opdeling hen hard aangezien hun gedeelde ervaringen en vriendschap een belangrijk onderdeel vormden om het moreel hoog te houden. Een van hun angsten werd al gauw bewaarheid, de groep, waarbij Hamel ook hoorde, die naar Saijsing ging, ontmoetten een slechtgehumeurde commandant die hun veeleisende en vernederende klusjes opdroeg en soms vernederende bestraffingen toe liet dienen. Hij werd echter al snel gedwongen om de houding van zijn voorgangers aan te nemen en toegeven dat de Nederlanders minder problemen gaven als ze op zichzelf werden gelaten. Hij gaf ze toestemming om bij beurten te bedelen voor perioden van drie dagen, maar al snel rekten ze dat tot perioden van een maand.

In het begin van 1664 werd deze beambte vervangen door een man die niet alleen begrijpend was, maar ook genereus en vriendelijk. Hun levensstandaard werd opgekrikt tot de standaard van de andere Hollanders in de twee andere steden, die het beter hadden getroffen dan hun vrienden aan de kust. In saijsing leefden de Nederlanders waarschijnlijk in kleine groepjes in hun huizen, zoals ze dat daarvoor al in Pyongyong hadden gedaan. Ze hadden toestemming om tussen de andere plaatsen Sunchon en Namwon heen en weer te reizen en om met grote vrijheid door te gaan met bedelen. Ze gingen regelmatig op stap bij de monniken in de bergen, waar ze altijd goed ontvangen werden, en hoewel ze weinig ophadden met de godsdienstige gevoelens van deze afgodsaanbidders, waren ze wel onder de indruk van hun vriendelijkheid.

Het goede leven duurde twee jaar, maar eindigde in 1666, toen hun weldoener werd overgeplaatst. Hamel was hartgrondig in zijn lof over deze humane man:

1666 Int begin van 't Iaer raakten wij onsen goeden vrunt weder quijt, door dien sijn tijt gexpireert, ende vanden Co: met een grooten bedieningh begifticht was, hadde ons in sijn twee Iaren, veel vruntschap bewesen, was van de borgers ende boeren om sijn goetheit seer bemint, van den Co: ende grooten om sijn goede regeringe ende kennisse die hij hadde, de stadts en lanthuijsen seer laten verbeteren, ende goede ordre op d' Zee, lant en oorloghs Ioncken gehouden in sijn tijt, 't welcq te hove soo hoogh wiert genomen dat den Co: hem met soodanige offitie begiftichden (1)

Het interessante van deze opmerking is dat deze weerspiegelt wordt in de Koreaanse notities van deze commandant. In deze en andere voorbeelden kan Hamel's algemeen oordeel en objectiviteit afgemeten worden. Aan het eind van 1666, toen de regering het personeel van Cholla-do onderzocht, vernamen ze het volgende van Yi Tobin, de man die Hamel zo goed kende maar niet bij naam noemde.

Yi Tobin, de voormalige maritieme commandant van het linker district in Cholla-do, overtrad op geen enkele manier de regels. Hij was erg conciencieus in het uitvoeren van zijn taken, onderhield alle openbare gebouwen, muren, versterkingen, schepen en militaire installaties op een goede manier. Hij was er speciaal op bedacht om zijn mannen met liefde en vriendelijkheid te bejegenen. Hij zette een hecht nabuurbureau [een bureau om elkaar te ondersteunen in voorkomende gevallen] op. Hij was genereus in het uitdelen van graan en stof om de kledij kosten te dekken die men opliep tijdens het zenden en verwelkomen van zijn onderofficeren. De lokale militia en de reguliere soldaten die aan het garnizoen, dat onder zijn commando stond, verbonden waren, prijzen hem tot op de dag van vandaag (25 december 1666, Ledyard pag. 72 )

Het verlies van Yi Tobin was des te moeilijker te slikken omdat de man die hem verving kennelijk een wrede en ongevoelige man was, een man die het leven niet alleen moeilijk maakte voor de Hollanders maar ook zijn plichten verwaarloosde. Gelukkig was hij er niet zo lang. Hamel vertelt hoe deze commandant aan boord van een oorlogsjunk was tijdens de maritieme oefeningen (1). Iemand was zorgeloos met vuur en het kruitmagazijn ontplofte, waarbij er vijf doden vielen. De commandant rapporteerde het ongeluk niet en probeerde het dood te zwijgen, maar het kwam een van de koninklijke geheime agenten ter ore, die de gouverneur van de Provincie inlichtte. Het hof hoorde al snel alle details. De commandant werd teruggeroepen en volgens Hamel kreeg hij 90 slagen en werd voor het leven verbannen. Het Koreaanse rapport ondersteunt Hamel's verhaal, waarbij alleen het aantal doden anders is:

Gedurende maneuvers in volle zee onder het commando van Yi Minbal, linker maritieme commandant van Cholla-do, was er sprake van roekeloosheid met vuur op een van de oorlogsschepen en drie mensen stierven. Minbal verzweeg het voorval en maakte geen rapport. De gouverneur [van de Provincie] Min Yujung hoorde ervan en zond een dringende petitie, verzoekend om een strafvervolging. Zijne hoogheid beval dat er condoleances voor de doden gezonden zou worden en dat Minbal onder arrest gesteld zou worden en de klachten vastgelegd zouden worden. (20 mei 1666, Ledyard pag. 72, 73 )

Er is verder geen stuk gevonden waarin de straf gemeld werd die hij opgelegd kreeg. Het geval duikt voor meer dan een maand op in de analen van de koninklijke secretaris en schijnt dan te verdwijnen. Yi Minbal's opvolger was echter van hetzelfde slag. Hamel wist waarschijnlijk niet dat de volgende commandant onder hevig vuur heeft gelegen voor incompetentie, zelfs voordat hij werd aangestelt voor de functie. De eerste aanval op zijn positie vinden we in de volgende notitie:

Het censoraat. Petitie
De taken van de generaal buiten de hoofdstad zijn de belangrijkste militaire posten die er bestaan; men kan niet lichtelijk zomaar iemand aanstellen. De nieuwe aanstelling van Chong Yong als de linker maritieme commandant van Cholla-do
[staat ter discussie]. Hij is een onkundig man en zijn gedrag in het verleden was ordinair en stom. Toen hij in functie als districtsmagistraat was, was hij lui en onoplettend in zijn taken. Zonder uitzondering volgde hij het advies van zijn dansmeisjes en zijn concubines. Hij deed illegale dingen zonder terughoudendheid, en de schade reikte tot aan de grenzen van zijn district. Hij was het doelwit van spot van de hele Provincie en werd laag geacht, waar hij ook ging. Hij is door de hele wereld verlaten. Hoe kan zo'n man aangesteld worden voor zo'n zware post, waar hij alleen maar corrupte praktijken kan introduceren onder de soldaten van de maritieme verdedigingsstrijdkrachten. De algemene opinie zal geschokt zijn als het bevel voor deze aanstelling word bekrachtigd. We smeken dat Chong Yong, de linker maritieme commandant voor Cholla-do vervangen wordt. (25 december 1666, Ledyard pag. 73, 74 )

Het is duidelijk dat Chong Yong protectie genoot, want het censoraat herhaalde gedurende een week dagelijks zijn aanvallen, zonder dat er ook maar actie werd ondernomen. Op 15 juni 1666 beval de koning eindelijk dat de aanvallen op Chong Yong moesten ophouden en de aanstelling vond plaats.

Hamel en zijn kornuiten in de maritieme basis waren de eersten die van het besluit hadden te lijden. Zo gauw als Chong Yong aankwam werden de lasten van hun werk verhoogd. Het werk wat hen het meest dwars zat, was dat ze dagelijks 100 vadem stro moesten verzamelen. Verder legden de overige onderofficieren, die verder nog nooit door hem genoemd werden, hun eigen vernederingen er boven op. De benarde situatie bereikte een nieuw laagtepunt. Maar Chong Yong zou hun laatste commandant zijn, want toen hij ziek werd en de aandacht naar hen toe minder werd, begonnen ze hun voorbereidingen voor hun vlucht te maken.

Natuurlijk waren de mannen in de maritieme basis in de beste positie om te ontsnappen, ze konden de zee in de gaten houden, zien hoe de stromingen liepen en zien wanneer het eb en vloed was, hoe de wind waaide, hoe vaak de patrouilleboten langskwamen en wat al niet. Ook misten ze geen enkele kans om de Koreaanse vissers te vragen hoe ze bij Nagasaki moesten komen. Dit was niet zo simpel als het leek want de Nederlanders wisten dat ze niet overal konden landen. Ze moesten redelijk dicht bij Nagasaki komen want anders zouden ze wel eens aangezien kunnen worden voor Kirsishitan en een vreselijk lot ondergaan.

Ze hadden de aansporingen van hun vriend Yi Tobin ter harte genomen en een boot op de kop getikt. Deze was weliswaar te klein om te ontsnappen maar ze konden op deze manier in ieder geval de fundamenten van hun ontsnapping leggen. Bovendien raakte de locale bevolking eraan gewend hen in een boot te zien zitten

De komst van Chong Yong moedigde hen ongetwijfeld aan om met hun voorbereidingen haast te maken. Er waren nog maar vijf man over van de twaalf die uiteindelijk naar de basis waren gekomen. Aangezien hun levensomstandigheden steeds beroerder werden, waren ze bereid grotere risico's te nemen. Ze hadden kennelijk toch voldoende kapitaal, zowel financiëel als in materiële zin, goodwill bij Koreanen vergaard. Ze gebruikten een van hun vertrouwde vrienden om een boot aan te schaffen onder het excuus dat ze wol wilden bedelen op een van de verder gelegen eilanden. Toen de verkoper erachter kwam dat het om de Hollanders ging, weigerde hij aanvankelijk de verkoop. Door de prijs te verdubbelen wisten ze hem zover te krijgen dat hij overstag ging. Ook moesten ze nog zien te voorkomen dat hij meteen naar de autoriteiten zou gaan als ze weggingen, dus vertelden ze hem dat hij naar de autoriteiten kon gaan, maar niet te snel, want als ze gevangen genomen zouden worden zouden ze de overheid vertellen dat hij deel uitmaakte van het complot. Tevreden gesteld werd de koop gesloten.

De boot werd zo snel mogelijk gevuld met de noodzakelijk dingen zoals een anker en een zeil, touwen en hoewel de boot groter was, konden ze er toch niet allemaal in. De anderen in de andere plaatsen werden dan ook niet op de hoogte gesteld (1), alleen een paar dagen voor de gunstige vloed, kwamen er twee van hun vrienden uit Sunchon langs die gauw in het complot werden betrokken en al snel werd besloten dat ze eigenlijk Jan Pieterse nog nodig hadden, omdat hij als navigator kon dienen. Een van hen liep weer terug en hij maakte een lange tocht van 50 mijlen om hem halen.

Op de avond van de 4e september maakten zij een feestje zodat het niet op zou vallen dat ze aan het strand waren en toen alle Koreanen die nieuwsgierig waren wat ze nu eigenlijk van plan waren, waren vertrokken, gingen ze aan boord en in volle zee. Ze kregen bijna meteen de goede wind en met een vol zeil vertrokken ze. Hoewel ze nog een patrouilleboot tegenkwamen, wisten ze deze te vermijden en op de ochtend van de 5e hadden ze al een behoorlijke afstand afgelegd. Ze roeiden met man en macht om zonder zeil minder op te vallen voor eventuele Koreaanse boten. Toen ze er dan ook een tegenkwamen die hen wilde praaien, roeiden ze nog eens extra hard en het gevaar was geweken. Toen rond de middag de wind weer toenam werden de zeilen weer gehesen en al gauw waren ze buiten Koreaanse wateren. De wind hield de hele dag aan en de mannen voeren door in een algemene zuidoostelijke koers.

Op de morgen van de 6e zagen ze land maar aangezien niemand ooit in Japan was geweest hadden ze maar op hun gezond verstand af te gaan en op de informatie die ze van hun Koreaanse vrienden hadden. Uit deze passage blijkt dus dat degene die eerder in Japan waren geweest gestorven waren. Ze dachten dat ze te ver naar het noorden waren gegaan, terwijl ze later vernamen dat het land wat ze gezien hadden Hirado was. Ze gingen dus weer naar zee en begonnen een lange tocht door het Goto eilandenrijk. Hadden ze gewoon rechtdoor gevaren waren ze waarschijnlijk recht op Nagasaki aangevaren, maar nu gingen ze rondom de Goto eilanden. Als ze niet door tegenwind waren teruggedreven dan was hun tocht waarschijnlijk op een ramp uitgelopen. Tegen de middag op de achtste zochten ze anker in een baai, waarvan ze geen idee hadden of het Japans was, laat staan of het de Goto eilanden waren. (Zie ook *)

Toen ze eerst door boten werden benaderd probeerden ze wanhopig er weer vandoor te gaan, maar ze werden afgesneden en gedwongen terug te keren. Ze hesen hun Nederlands vlaggetje en schreeuwden "Holland, Nagasaki". Dit had het beoogde effect. Een van hen werd van het bootje gehaald en naar de locale autoriteiten gebracht en de anderen werden bewaakt. De locale autoriteiten brachten degene die eruit werd gehaald naar de daimyo van het eiland Goto Morikatsu. Hij ondervroeg ze naar beste kunnen, kwam erachter wie ze waren en lichte Nagasaki in.