voc-glossarium
voc-glossarium
verklaringen van termen,
verzameld uit de rijks geschiedkundige publicatiën
die betrekking hebben op de verenigde oost-indische
compagnie
Instituut voor Nederlandse Geschiedenis
Den Haag / 2000
Het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (i ng)
maakt deel uit van de Nederlandse Organisatie voor
Wetenschappelijk Onderzoek (nwo). Publicaties van
het ing – documentuitgaven, toegangen op historische
bronnen, biografische en bibliografische naslagwerken –
verschijnen in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën (rgp),
waarvan enkele raadpleegbaar zijn via het Internet
(www.inghist.nl).
Het voc-glossarium is ook te raadplegen via Internet
met een interactieve database-applicatie op de website
van het ing:
http://www.inghist.nl/rgp/werkbest/voc/welkom.htm
© Instituut voor Nederlandse Geschiedenis 2000
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar
gemaakt, op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming
van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever,
without prior written permission from the publisher.
inhoud
Inleiding 7
Glossarium 9
Literatuurlijst 127
7
inleiding
In elk van de eerste zes banden van Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische
Compagnie (Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie 63, 68, 74, 76, 83 en 87) is ach-terin
een glossarium te vinden. Deze glossaria zijn gemaakt door F.W. Stapel, de bewerker
van de bron. De termen die erin verklaard worden betreffen vooral producten, functies, ti-tels,
maten, gewichten en munten uit het gebied waarin de voc actief was. Ook scheeps-en
handelstermen zijn erin te vinden. Stapel geeft soms tamelijk uitgebreide verklaringen:
betekenis, herkomst, etymologie, literatuurverwijzing. Omdat het ongemakkelijk is op
zoek naar een verklaring steeds verschillende glossaria door te nemen zijn ze samenge-voegd.
Het oorspronkelijke idee achter dit VOC-glossarium was om het als hulpmiddel bij het
werk aan de serie van de Generale missiven te gebruiken. De glossaria van Stapel vormen
de ruggengraat. Besloten werd het hulpmiddel nog uit te breiden, want ook in andere
bronnenpublicaties van de rgp die betrekking hebben op de voc zijn glossaria te vinden,
minder omvattend in aantal en aard van de woordverklaringen dan die van Stapel. Het
gaat om Bronnen tot de geschiedenis der Oostindische Compagnie in Perzië, uitgegeven door H.
Dunlop (gs 72), De dagregisters van het kasteel Zeelandia, Taiwan 1629-1662, uitgegeven door
J.L. Blussé, M.E. van Opstall en Ts’ao Yung-Ho (gs 195, 229, 233 en 241) en Memories van
overgave van gouverneurs van Ambon in de 17e en 18e eeuw, bewerkt door G.J. Knaap (Kleine
Serie 62). Deze woordenlijsten zijn ook in dit VOC-glossarium opgenomen.
Ten slotte is van nog twee uitgaven, De Nederlanders in Kerala 1663-1701. De memories
en instructies betreffende het commandement Malabar van de Verenigde Oostindische Compagnie,
bewerkt door H.K. s’Jacob (ks 43) en Generale missiven van Gouverneurs-generaal en Raden
aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie, bewerkt door W.Ph. Coolhaas en J.
van Goor (gs 104, 112, 125, 134, 150, 159, 164, 193, 205 en 232) de annotatie doorgenomen
om daaruit de woordverklaringen te lichten en aan dit VOC-glossarium toe te voegen.
Het VOC-glossarium is dus een bijeenvoeging van al eerder gepubliceerde woordverkla-ringen.
Er zijn geen nieuwe verklaringen in te vinden. Evenmin zijn de verklaringen uit-puttend.
De systematiek erachter is niet inhoudelijk. Het gevolg is een zekere oneven-wichtigheid:
de verklaringen van Stapel zijn uitgebreider dan van de andere bewerkers,
de nadruk op termen uit de gebieden Malabar, Kerala, Ambon, Perzië en Taiwan is mis-schien
wat sterker, de nadruk op de zeventiende eeuw is groter dan op de achttiende,
sommige verklaringen dragen er de sporen van dat zij dienden om een term in het ver-band
van een specifieke tekst uit te duiden. Niettemin is het een omvangrijke verzameling
van algemene verklaringen van termen die betrekking hebben op veel aspecten van de
voc en op alle gebieden waarin zij handelde. Het kan dienen als hulpmiddel voor ieder-een
die werkt met bronnen van de voc.
Het VOC-glossarium is ook in de vorm van een data-base op Internet raadpleegbaar
(www.inghist.nl/rgp/ werkbest/voc/welkom.htm) . Daardoor bestaat de mogelijkheid
niet alleen op de beschreven termen, maar op alle woorden – ook uit de woordverklarin-gen
– te zoeken.
Nog enkele korte opmerkingen:
De literatuurverwijzingen zijn naar auteurs of bewerkers van titels die in een aparte
lijst ondergebracht zijn.
Achter het hoofdwoord is steeds een korte vermelding te vinden van de publicatie en
het deel waaruit het afkomstig is. De glossaria van Stapel zijn de ruggengraat. De andere
bronnen zijn niet vermeld als vindplaats in het geval zij niets toevoegden aan de verkla-ring
van Stapel. Waar dat wel het geval was – of als een term in meerdere delen van de
Beschryvinge voorkwam met afwijkende verklaring – zijn de verklaringen samengevoegd
met aanduiding van de verschillende vindplaatsen. Waar betekenisverschil was zijn de
verklaringen gescheiden gehouden.
Er is naar gestreefd in de elementen van de verklaring de volgorde verklaring-etymo-logie-
literatuurverwijzing aan te houden.
Een geografische aanduiding tussen ronde haken achter de woordverklaring duidt
aan dat het woord bij een beschrijving van die geografische plaats aangetroffen is. De taal
van herkomst wordt zonder haken vermeld.
Stapel gebruikte geregeld ‘thans’ of ‘tegenwoordig’ in zijn verklaringen. De
Beschryvinge is tussen 1927 en 1954 verschenen, en dit moet gelezen worden als behorend
bij dat tijdvak.
Termen waarvan de verklaring was dat er geen verklaring voor gevonden was zijn
niet opgenomen.
Bij het zoeken naar een term moet gedacht worden aan verschillen in schrijfwijze:
a - ae - aa - i - o
c - k - s
ch - g - k - ts - tsj
dj - g - j - s
e - a - i
f - ph - v
g - ch - dj - k
i - a - y
j - dj
k - c - q
n - ng
o - a - u
oe - o - ou - u
ph - f
q - k
r - rr (in het algemeen letterverdubbeling)
s - c - sj - ts - tsj - z
t - th
ts - ch - s - tsj
tsj - ch - s - ts
u - o - oe - ou
v - f - ph
z - c - s
Marc Kooijmans
Judith Schooneveld-Oosterling
8
9
A
a of @ (ii,1/ii,2) · afkorting van el * . Portugees ana =
el, evenals Frans aune [ook: ana, aune].
a/r (gm1) · afkorting van reaal van achten * .
aam (i,1/k) · inhoudsmaat of vat van 153,6 liter, 128
mingelen * ; wijnmaat. K: vloeistofmaat; Amsterdam-se
aam: voor wijn 155,2 liter.
aangieren (gm4) · aandoen (van een vaartuig ge-zegd).
aanhalen (k) · in beslag nemen.
aanmerckelijk (k) · in het bijzonder.
aanpart (k) · aandeel.
aanransen (gm2) · aanvallen.
aanslaan (k) · in beslag nemen; verwerven.
aatsjen, zie achan.
abacis, zie abassi.
abassi (ii,2) · zilveren Perzische munt, genoemd naar
sjah Abbas I, ter waarde van circa 16 stuiver * ;
1
Ú 50 tho-man
* . Zie hotz, blz. 240 noot [ook: abacis].
abberdaan, zie labberdaan.
ablako (p) · een minder goede kwaliteit Perzische
zijde * .
abord (gm7) · ontvangst, behandeling. Frans.
aborderen (t4) · enteren.
abrekocken (p) · abrikozen.
absolveren (k) · voltooien.
accomodatie (k) · aanpassing aan wensen, tot gerief
zijn.
accomodeçaans, zie accomodessau.
accomodement (k) · schikking, vergelijk.
accomodessau (gm7) · bepaalde vorm van landuit-gifte
op Ceylon; stuk land dat voor bepaalde werk-zaamheden
of voor verleende diensten aan iemand
in gebruik werd gegeven [ook: accomodeçaans].
achan (gm7/k) · GM7: titel die vader betekent
(Malabar). K: titel van een naduvazhi * [ook: aats-jen].
achmael douleth, zie i’timad ud doulet.
glossarium
Verklaring van de aanduiding van de vindplaats
I,1, I,2, II,1, II,2, II,3, III en IV = de vier delen in zeven banden van Pieter van Dam, Beschryvinge van de
Oostindische Compagnie, uitgegeven door F.W. Stapel (Grote Serie 63, 68, 74, 76, 83 en 87); IV kent geen
glossarium en is derhalve voor dit VOC-glossarium niet gebruikt.
GM = de elf delen van Generale missiven van Gouverneurs-generaal en Raden aan Heren XVII der Verenigde
Oostindische Compagnie, bewerkt door W.Ph. Coolhaas, J. van Goor en J.E. Schooneveld-Oosterling
(Grote Serie 104, 112, 125, 134, 150, 159, 164, 193, 205 en 232 - deel 10 is nog niet verschenen).
T = de vier delen van De dagregisters van het kasteel Zeelandia, Taiwan 1629-1662, uitgegeven door J.L. Blussé, M.E.
van Opstall en Ts’ao Yung-Ho (Grote Serie 195, 229, 233 en 241).
P = Bronnen tot de geschiedenis der Oostindische Compagnie in Perzië, uitgegeven door H. Dunlop (Grote Serie 72).
A = Memories van overgave van gouverneurs van Ambon in de 17e en 18e eeuw, bewerkt door G.J. Knaap (Kleine
Serie 62).
K = De Nederlanders in Kerala 1663-1701. De memories en instructies betreffende het commandement Malabar van de
Verenigde Oostindische Compagnie, bewerkt door H.K. s’Jacob (Kleine Serie 43).
achon (ii,2) · tolk in Bengalen.
achterdachtig (gm4) · bedachtzaam, van goed in-zicht.
achtervallens (i,1) · vallen van de achtersteven van
een schip, zoals voorvallen het vallen van de voor-steven
was. Met het vallen van de steven bedoelde
men de afstand van de punten waar de kiel zich
van voren en van achteren naar boven omboog, tot
de loodlijn, uit het hoogste punt van de voor- of
achtersteven neergelaten. mossel, blz. 154 noemt de
valling de stompe hoek, die de kiel met voor- en
achtersteven maakt. van yk spreekt van achterover-vallen
en voorovervallen. Een zeer puntig voor-schip
noemt hij een ‘veelvallende steven’.
acquiteren (k) · zich kwijten van.
adap, zie atap.
addy, zie ahadi.
adeleth (gm4) · rechtbank. Van het Arabisch adil,
rechtvaardig.
adherent (gm9) · aanhanger.
adhorteren (gm3) · aansporen.
adhoter, zie dhotia.
adi (t3) · op de dag. Latijn ad diem [ook: adij].
adigar (ii,2/gm3) · inheemse naam voor een baljuw
of landdrost op Ceylon en Coromandel. Volgens
yule-burnell van Sanskriet adhikarin = die gezag
heeft. In stapel is sprake van een Compagnies-die-naar
in functie als ‘boeckhouder en adigaar’. va-lentijn
V, 1, blz. 7, omschrijft diens functie als ‘adi-gar
of ontfanger der tollen van de buyten-stad’. Zie
stapel III, blz. 235. GM3: hoofd van de politie en
van de inkomsten; enigszins te vergelijken met een
schout in Nederland.
adij, zie adi.
adipati, zie dipati.
adiyodi (k) · een nairo * titel.
adjude (gm3) · hulp.
advance (k) · voordeel, winst.
advenuen (k) · toegangswegen.
adverteren (k) · bekend maken.
advoy (gm1) · vergunning, toestemming.
advoyeren (gm6/k) · GM6: be- of erkennen. Frans
avouer. K: 1. aanzien; 2. goedkeuren.
aequiteyt (t3) · gelijkheid voor de wet, onpartijdig-heid.
Latijn aequitas.
aetchiar, zie atjar.
afbrenginge (k) · het vervoer naar de kust.
afdrijver (gm3) · bergwerker die het zilver op de
drijfhaard van het lood afscheidt.
affuit (k) · houten onderstel van een stuk geschut.
afgesood (i,2) · van zijde * gezegd; ruwe * zijde moest
eerst worden ontgomd, wat door koken (soden) ge-schiedde;
vandaar afgesode voor ontgomde zijde.
afhaspelen (k) · afwikkelen, afhandelen.
afkruyden (gm3) · nivelleren; wellicht met behulp
van kruiwagens afgraven.
afleggen (gm2) · 1. terugbetalen; 2. onttakelen (van
schepen).
aflijvigheyt (k) · overlijden.
afrijden (t4) · een schip gedurende een storm met
de kop in de wind laten liggen, achter een uitgezet
anker.
afsmeren (t2) · aftuigen van een schip.
afsoeten (gm3) · minder aangenaam maken.
afvloeijen (k) · voortvloeien.
aga, zie agha.
agar agar (gm2) · een soort gelatine [ook: lai-tsjai].
agelhout (ii,1/t1/p/gm1) · welriekend hout, af-komstig
van -. II,1: de aloëboom * (soms werd het
hout van de aloëboom kalambak * genoemd). T1:
verschillende aquilaria en gonysstylussoorten. Het
Portugese aguila is overgenomen uit het Tamil agil.
Latijn lignum aloes. Zie kern I, blz. 83 en II, blz. 40-41,
en yule-burnell in voce eagle-wood. P: als wie-rook
en medicijn gebruikt. GM1: agelhout en ba-lambak
zijn welriekende houtsoorten afkomstig
van verschillende aguilaria en gonystylussoorten.
wilkinson zegt in voce gaharu: ‘true agila-wood is
the diseased core of a large tree aquilaria mallaccen-sis’,
dat waarschijnlijk weer hetzelfde is als rumphi-us’
agallochum secundarium (Herbarium). Onduidelijk
10
Achon
11
is wat nu agelhout is en wat balambak [ook: aguel-hout,
aguilhout, agula, balambak].
agha (p) · heer. De gesnedenen worden thans veelal
met agha aangesproken. Arabisch [ook: aga].
agha amir (p) · heer opperhoofd, ook als eigennaam
gebruikt. Arabisch [ook: aggamir].
aggamir, zie agha amir.
aggregatie (gm9) · goedkeuring.
agnosceren (gm7) · herkennen.
agoni (gm11) · de novemberteelt van zijde * .
agtendeeltje (i,1) · botervaatje, het achtste deel van
een gewone boterton. Men had ook vierendeeltjes
[zie ook: virtel].
aguelhout, zie agelhout.
aguilhout, zie agelhout.
agula, zie agelhout.
ahadi (gm5/gm6) · keurkorps van rechtstreeks on-der
de groot-mogol staande en vaak voor bijzonde-re
opdrachten, zoals het begeleiden van ambassa-deurs,
gebruikte ruiters; bij de voc werd het woord
gebruikt voor bode van de groot-mogol. Van het
Arabische ahad = eenheid [ook: addy, heddi].
ainecutty nambeddi, zie bij namburi.
air (a) · water, rivier [ook: ayer].
alambaar, zie alamber.
alamber (ii,3) · barnsteen. Portugees alambre, Ara-bisch
al-anbar [ook: alambaar].
albeschicq (k) · iemand die grote macht heeft en al-les
beheerst.
alcatief (i,2/ii,2/t1) · tapijt of karpet, uit wol of zij-de
* geweven, meest met patronen van goud- of zil-verdraad.
Arabisch al-katifah = tapijt; dit woord is
afgeleid van de stad Al Qatif aan de Perzische Golf.
Zie voor deze plaats kern II, blz. 60 noot 5. T1: zit-kleed.
alckoran (a) · de koran.
alfandega (ii,2) · tolhuis, kantoor der in- en uitvoer-rechten.
Portugees. Zie yule-burnell in voce [ook:
alfandinan, alphandigo, forda, forde; zie ook: bang-sal].
alfandinan, zie alfandega.
aldea (gm7) · plattelandsgehucht, vaak een neder-zetting
onder leiding van de missie. Portugees.
alferis (gm3) · vaandrig.
alfoeren (gm3) · bergboeren, bewoners van het bin-nenland
van Nieuw-Guinea [zie ook: papua’s].
alia (ii,2) · mannetjesolifant zonder slagtanden.
alibanees (ii,2) · zeker soort katoenen Coromandel-se
doeken. Een poging tot verklaring der etymolo-gie
bij yule-burnell in voce piece-goods.
allamat, zie ngalamat.
alleassen (ii,3) · katoenen doeken uit Broach.
allegeren (gm1) · aanhalen, opgeven [ook: alle-gueren].
allegias (i,1/i,2/ii,1/ii,2) · veelkleurige fijne zijden
doeken uit Turkestan, vervaardigd uit legia * zijde * ;
ook wel half zijde, half katoen. Soms met goud-draad
bewerkt. De bijgevoegde aanduidingen, als
Cassarische allegias, allegias-Patchery, allegias-gan-tisaal
* en dergelijke geven de naam van het dorp
van herkomst aan. Zie yule-burnell sub alleja.
allegueren, zie allegeren.
almadia (ii,3) · Portugese naam voor een inheems
open vaartuig uit Voor-Indië, door de inlander
meest chiambok genoemd. Zie yule-burnell in vo-ce
sambook [ook: chiambok, jambok, sambok, sjam-bok].
aloë succotorra, zie aloëhout.
aloëhout (i,2/ii,3) · sterk en aangenaam riekende
houtsoort, voor reukwerk en in medicijnen ge-bruikt.
De wetenschappelijke naam is cordia naar de
botanicus Cordus. II,3: de beste kwaliteit groeide
op het eiland Sokotra in de Golf van Aden [ook:
aloë succotorra, cayo garou, cordia, lignum aloë,
paradijshout; zie ook: alouwa].
alouwa (gm2) · ingedroogd melksap van de aloë-plant,
als geneesmiddel in gebruik; de beste kwam
van Sokotra [zie ook: aloëhout].
alphandigo, zie alfandega.
alquerael (gm1) · de koran.
alsem (i,1) · 1. naam van een plant, artemisia absint-hum,
met sterk bittere smaak; 2. aftreksel van de
knoppen van die plant, als maagbitter gebruikt.
Alsem
alsemen (i,1) · wijn mengen met het onder Alsem
genoemde alsemaftreksel, met als doelen de wijn
voor omslaan of bederf te bewaren en tot een mid-del
tegen koorts te maken. Tegenwoordig zit er nog
alsem in vermouth. Een Duits Compagniesdienaar
noemt in zijn journaal de alsemwijn Wermuth [ook:
alsen].
alsen, zie alsemen.
aluin (t2/k) · T2: grondstof gebruikt als fixeermid-del
in de ververij en de leerlooierij. K: gebruikt voor
leerlooien en als beitsmiddel bij textielkleurstoffen.
amandel (ii,3) · munt van kleine waarde in Gudja-rat,
gelijk aan 1/36 pais * .
amarilsteen (i,1/ii,2) · met veel kwarts vermengde
harde steen, gebruikt bij ’t schuren en polijsten van
metalen, kristal en edelgesteenten en bij het snijden
van glas en marmer.
amasseren (k) · verzamelen.
ambalavAsis (k) · tempeldienaren. Zij volgden in
rang direct op de Nambuthiris * .
ambaradia (gm2) · vertegenwoordiger van de ko-ning
van Ternate. Maleis hambaradja = vorstenslaaf.
amber (i,2/ii,1/iii) · 1. welriekende, harsachtige, op
barnsteen gelijkende stof, uit zee opgevist, afschei-ding
van de potvis, geelachtig bruin. De beste stuk-ken
zijn hard en doorzichtig, en verspreiden bij
wrijving een aangenaam prikkelende geur; 2. II,1:
barnsteen. Samentrekking van het Portugese alam-bre,
uit het Arabische al-anbar = barnsteen. III:
Arabisch anbar, in het Portugees overgenomen als
ambar. Zie kaempfer, blz. 472 e.v. [zie ook: amber-gris].
amber van oosten (p) · barnsteen. ‘Oosten’ staat hier
voor de Oostzee.
amber-de-gris, zie ambergris.
ambergris (i,2/p/gm1) · licht askleurige, taaie, wel-riekende,
amberhoudende stof, met zwartgele stip-pen.
Evenals de amber * meest op de oostkust van
Afrika gevonden; werd dikwijls nagemaakt. Zie
ook valentijn IV, 2, blz. 242, rumphius, D’Amboin-sche
Rariteitkamer, blz. 255 e.v., en kaempfer, blz.
472 e.v. P: harde, vettige, geelachtige, welriekende
stof, zeer gewild als parfum. Afkomstig uit de inge-wanden
van de cachelot, gevonden aan de kusten
van Zuid-Amerika, West-Indië, Afrika, Indië, China
en Japan. Zie ook encyclopaedia britannica I,
blz. 794. GM1: ook als geneesmiddel gebruikt [ook:
amber-de-gris].
amberlijs (ii,3) · goedkope lijnwaden uit Surat.
ambernoir (gm2) · mindere kwaliteit van amber * dan
ambergris * .
amfioen (i,1/ii,2) · opium. De Arabische vorm afiun
is in de meeste inheemse talen overgenomen.
Maleis: tjandu.
amir · chef.
ammanam (ii,2) · hoeveelheid van 24.000 stuks op
Ceylon, meest gezegd van areka * - of pinangnoten.
Op Ceylon had men ook nog grote ammanams van
27.000 tot 28.000 stuks, op Pulicat rekende men met
ammanams van 20.000 stuks. De versameling der
woorden stelt de ammanam op 26.000 stuks. Zie
ook stapel II, 2, blz. 391 [ook: annenam].
ammarauw, zie umara.
ammelaken (i,1) · tafellaken. Middelnederlands en
Vlaams.
amplecteren (gm2/gm3) · GM2: omvatten, ook: als
vriend behandelen. GM3: omhelzen in de zin van
aannemen.
ampliëren (gm1) · uitbreiden.
ampon (gm11) · vergiffenis, genade. Ampun.
ana (i,2) · 1. (reken)munt uit Voor-Indië, gelijk aan
1
Ú 16
ropia * [ook: anna]; 2. zie a of @.
anachoda (t1/t2/p) · Aziatische scheepskapitein,
gezagvoerder van een oosters vaartuig. Perzisch na-khuda
(T2), Perzisch-Arabisch an-nakhoda (P) [ook:
annakhoda, nachoda].
anak mas (a) · kind uit een relatie tussen een vrije
man en een slavin [ook: annack maes, annamaes].
anck (p) · merk.
angelien, zie angely.
angely (k) · hout van de artocarpus hirsuta [ook: an-gelien,
angolij].
angolij, zie angely.
angria (gm6) · een Marathageslacht, dat vooral ter
zee optrad.
anil (i,2) · andere naam voor indigo * . In de
Compagniespraktijk had anil de betekenis van min-derwaardige
indigo. Vgl Arabisch annir, Hindoe-staans
nila en Sanskriet nila; hiervan is aniline afge-12
Alsemen
leid, dat oorspronkelijk uit indigo bereid werd. Zie
ook kern I, blz. 43 noot 6 [ook: nila].
animadversie (gm1) · reprimande, bestraffing, waar-schuwing.
anna, zie ana.
annack maes, zie anak mas.
annakhoda, zie anachoda.
annamaes, zie anak mas.
anneantie (gm1) · vernietiging.
annenam, zie ammanam.
anticipatiegelden (i,1) · algemene naam van een le-ning
op nog te verkopen producten, nog te innen
belastingen, etc. Bij de Compagnie kreeg hij, die
haar gelden voorschoot op de met de eerstvolgende
vloot verwachte specerijen, daarvoor, behalve een
vaste rente, ook preferentie bij de verkoop dier spe-cerijen.
Later werden het voorschotten tegen reci-pissen,
op korte termijn, meestal zes maanden, à
3%.
antoffel (i,1) · de steel van de kruidnagel * ; derde
kwaliteit * [ook: staak, steel].
apensteen (iii) · zeker soort bezoar * steen, afkomstig
uit de ingewanden van een aap.
appan (k) · term waarmee in de patrilineaire kasten *
de vader wordt aangeduid.
apparentie (k) · waarschijnlijkheid.
appliceren (k) · gebruiken, toepassen.
apprehenderen (gm2/gm3) · GM2: duchten, schro-men.
GM3: in hechtenis nemen.
approberen (k) · goedkeuren.
apropriëren (gm2) · inrichten, in orde maken.
apuhami (gm2/gm9) · GM2: Singalese titel voor een
man van goede huize, ‘landjonker’. GM9: eretitel
voor zoons van hoofdlieden.
araatchie, zie arraci.
aracci (k) · hoofd van een dorp [ook: araatchie, ara-che].
arachchi (gm4) · bevelvoerder over een kleine com-pagnie
laskaren * .
arache, zie aracci.
arak (ii,1/iii/t2/k) · alcoholische drank, bereid uit
saguweer * of andere plantaardige stoffen. III: Arak
api is letterlijk: vuur-arak. T2: brandewijn gestookt
van rijst * , suiker of van de areka * -palm. K: palm-wijn,
bereid door destillatie van gegist palmsap [zie
ook: knijp, saguweer, tuak].
aranbay, zie orembaai.
aranbayck, zie orembaai.
arangotta raja (gm7) · titel van de vorst van
Valluvanadu.
aranmanai (k) · paleis [ook: armenee].
archidiacon (gm3) · titel van de hoogste kerkelijke
autoriteit van de Thomas-christenen * .
ardasse (i,2) · grove kwaliteit Perzische zijde * uit het
district Shirvani. Portugees ardasse = Perzische zijde
[ook: ardias].
ardassina (i,2) · Perzische zijde * , parelzijde van de
beste kwaliteit. Portugees ardassina = Perzische zij-de.
ardias, zie ardasse.
arduin (k) · blauwachtig-grijze kalksteen, ook ge-bruikt
als vloersteen [ook: hardsteen].
areeck, zie areka.
areecq, zie areka.
areka (ii,1/k) · noot van een palmsoort, de areca-ca-techu
of betelpalm, in de Archipel meest pinang of
betel genoemd, voornaam bestanddeel van de
sirih * pruim. Ook in de pharmacopae gebruikt. Zie
ook kern II, blz. 7 e.v., yule-burnell in voce areca
en schouten I, blz. 176. K: vrucht van de areca ca-techu,
wordt met betelblad en wat kalk gebruikt om
op te kauwen [ook: areeck, areecq, betel, pinang; zie
ook: catechu, sirih].
arènboom · saguweer * boom.
arengh, zie harrang.
ares (ii,3) · hoeveelheid van 100 miljoen in Gudjarat,
onderverdeeld in 10 crore * of 1000 lak * .
argeren, zie verergeren.
arguatie (gm1) · tegenwerping, redetwist.
13
Arguatie
armade de rema (p/gm1) · vloot van galeien * of roei-vaartuigen.
armeline (gm7) · hermelijn.
armené (gm5) · de term waarmee de regering van
Madurai werd aangeduid; vergelijk voor Turkije de
porte.
armenee, zie aranmanai.
armesijn, zie armozijn.
armozijn (i,2) · dunne zijde * of satijnachtige stof,
veel als voering gebruikt. Naar de stad Ormuzd ge-noemd
[ook: armesijn; zie ook: chauls].
arnegaden (p) · renegaten.
artal (ii,2) · gele verfstof van plantaardige oor-sprong,
uit Bengalen en Pegu.
artikelbrief (gm1/k) · de bepalingen waaronder het
Compagniespersoneel diende. K: reglement van or-de
voor Compagniesdienaren in de Oost.
aru pittu (gm4) · het college van landsgroten dat
met de vorst van Boni het bestuur voerde. Bugi-nees,
letterlijk: Zeven Vorsten.
arung (ii,1) · Bonische adellijke titel, gelijk aan ka-raëng
* op Makassar.
asa foetida (ii,2/t1) · sterk ruikende gomhars.
Geliefde kruiderij voor de Hindu, die het door alle
mogelijke spijzen mengt; voor de Europeaan wee
en walgingwekkend. Wegens zijn kracht als genees-middel
wordt het ook wel in de pharmacopae ge-bruikt.
Zie milburn I, blz. 133-134, nieuhof,
Gedenkwaerdige zee- en lant-reize, blz. 229-230, en
stapel II, 3, blz. 50. T1: bereid uit de wortel van de
Perzische plant asa dulcis [ook: duivelsdrek, hing,
hingo].
ase (ii,1) · gewichtseenheid; 5120 ase is 1 mark * .
asmarand (p) · smaragd.
assamanis, zie assumanis.
assault (k) · gewapende aanval.
assenadjo, zie ngaju.
assidueel (gm5) · onverdroten, voortdurend.
assopiëren (gm1/gm6) · GM1: sussen, doen be-daren,
verzachten, bijleggen. GM6: Frans assoupir.
assumanis (ii,1/ii,3/p) · eenvoudige groene of blau-we
katoenen doeken, meest uit Dabul afkomstig.
Zie rouffaer-juynboll in voce osmani. II,3: ze zijn
genoemd naar de plaats Samana, ten zuiden van
Lahore. P: voor zomertenten en zeilen gebruikt
[ook: assamanis, osmani, semanis, semianen, siu-manen,
siumanis].
asta (ii,1/ii,3) · oud-Indische lengtemaat, ellemaat,
de afstand van de top van de middelvinger tot aan
de elleboog. Het woord leeft voort in het Javaanse
hasta, ontleend aan het Sanskriet. Thans in
Nederlands- Indië vastgesteld op 42 centimeter.
atal (t1/gm2) · T1: gele verf. GM2: gele kleiaarde,
als verfstof gebruikt. Javaans.
atap (ii,1) · dakbedekking voor inheemse huizen en
vaartuigen, gemaakt van de droge bladeren van di-verse
palmsoorten, vooral van de nipapalm, maar
in de oostelijke Archipel ook wel van de sagopalm;
een enkele maal zelfs van alang-alang, een wilde
grassoort [ook: adap].
atapattu (gm4) · wacht van een dessave * [ook: atte-patte].
atinckuel, zie tingkal.
atjar (i,1) · ingemaakt zuur. Het woord is oorspron-kelijk
Perzisch, in de meeste Indische talen overge-nomen
[ook: aetchiar].
atjar ketimun (i,1) · komkommerzuur.
atjar tjampur (i,1) · gemengd zuur.
atlas (i,2/gm6) · fijne zijden stof, of ook kleedjes van
die stof gemaakt, dan atlassen of attelassen * ge-noemd.
Arabisch atlasa = glad, zacht. GM6: satijni-ge,
glansrijke stof.
attelas (i,2) · doeken en kleden van fijne atlas * zijde * .
attepatte, zie atapattu.
attumaed-douleth, zie i’timad ud doulet.
auctarium (gm6) · toegift.
aune, zie a of @.
aurum pigmentum (gm11) · goudverf.
auweldaar, zie havildar.
avela (ii,2) · spijs- of eetgelden voor de wevers en
ververs van textiel. Het woord is uit de Indische ta-len
overgenomen in het Portugees, waar het thans
betekent: gebakken rijst [ook: avella].
14
Armade de rema
15
avella, zie avela.
ayer, zie air.
ayhong (t1) · Chinese ambtenaar.
azhi radja (k) · heer van de zee.
B
baa (gm2) · zijden stof uit Tonkin.
baar (gm1) · 1. zie bahar; 2. ondiepte voor de mond
van een rivier [ook: barra].
baarblijkelijck (k) · overduidelijk.
baars (i,1) · kuipersbijl. Zie mossel, figuur 70 [ook:
holmes, houw].
babato’s (gm9) · rijksgroten, letterlijk: regelaars
(Ternate).
badaks (ii,2) · edelstenen. Zie kern II, blz. 65 met
noot 4.
badjes, zie toradjeners.
badjos, zie toradjeners.
baedion, zie baju.
baffy (p) · weefsel. Perzisch.
baftan (p) · weven. Arabisch bafteh is geweven, baffy
is weefsel.
baftas (i,1/ii,3) · fijne katoenen doeken, wit en
zwart, ‘lanc 6 vadem * ende sijn bij stucken gepackt
in pampieren en hebben boven op de ruggen een
vergult wapen, alwaer men die aen kent voor vol-maect
mogen passeren’ (stalpaert). Ze waren in
geheel Azië zeer in trek. De beste kwamen uit
Broach. Van het Perzisch bâfta = geweven [ook:
beeuwtas].
bageel (ii,3) · rijstmaat op Calicut, circa 75 Hollandse
pond * [zie ook: bagel].
bagel, zie bageel.
bagge (ii,3/gm2) · juweel, meest een ring met edel-steen.
Oud-Hollands. GM2: borstsieraad.
baginda (gm7) · term die het begrip ‘majesteit’ weer-geeft.
Maleis.
bahadur (ii,3) · suffix achter namen van Voor-
Indische vorsten, met de betekenis held.
bahar (i,1/ii,1/ii,3/gm1) · inlandse inhoudsmaat,
bevattende ongeveer 500 Amsterdams pond * spece-rijen;
het gewicht was afhankelijk van de soortelijke
zwaarte. Als gewichtseenheid elders meestal 3 pi-kol
* of 375 pond. Op de Molukken bij het afwegen
der kruidnagels * werd de Portugese bahar gebruikt,
550 Hollandse pond. (GM1: de Molukkenbahar be-droeg
625, die van het Ambonse 550 pond. Een
Javaanse bahar is 20 barot * , dat is 220 pond.) In
Arabië was de bahar 393
3
Ú 4 Hollandse pond. Op
Coromandel was bahar ook een andere naam voor
kandijl * , wat vermoedelijk ook voor Bengalen geldt.
Maleis; de oorsprong van het woord is het Sanskriet
bhara. Zie kern I, blz. 78 noot 6 [ook: baar, bhaar; zie
ook: barot].
bahays, zie boha.
bahia (k) · baai.
baileu (a) · vergader- en ceremoniehuis [ook: ba-leuw,
baleeuw; zie ook: baleye].
bairams, zie taffachelas.
baju (a) · kledingstuk voor het bovenlichaam, blouse
[ook: baedion].
bak (i,1) · 1. het voorste bovendek van een schip, het
dek * boven het vooronder; 2. plaats op dat dek,
waar de matrozen aten; 3. eetbak of balie * , waaruit
gegeten werd; 4. de ploeg mannen, die te zamen
aten. Bij de Compagnie bestond een bak uit zeven
man; 5. schotel of kom, ook tinnen of metalen etens-bord.
bakkaleytsvaartuyg (gm5) · oorlogsprauw. Maleis
berkelahi = vechten, twisten.
bakshi (gm4/gm5) · GM4: militaire betaalmeester.
Hindi. GM5: betaalmeester, ook wel een militaire
aanvoerder [ook: baxy, buxee].
bakstag (i,1) · het touwwerk, dat de boegspriet aan
weerskanten met de bak * verbindt; ook het steun-touw
van de punt van de grote mast naar de bak.
Een ‘bakstage wind’ of ‘bakstagswind’ is een stevig
doorstaande wind, zodat de bakstag, waar het zeil
tegen bolt, strak staat en niet labbert. valentijn
zegt in zijn 1 e uyt- en thuysreyse: bakstage wind, het-geen
wij ‘anders gezeylt of half wind’ noemen. Hij
bedoelt dus een schuin van opzij instaande wind. In
deze betekenis tal van voorbeelden bij kluge in vo-ce
[ook: pardoen].
balaatiouwers (i,1) · ruwe witte kleden, in Indië als
zeildoek gebruikt. Vermoedelijk dezelfde als ballatios * .
Balaatiouwers
balagat (ii,2) · plat vaartuig, gebruikt bij het vervoer
van goederen langs de rivieren in Coromandel en
Bengalen. Volgens havart I, blz. 152 noot, noemen
de Hindus ze ballakattu: ‘aan malkanderen gebon-dene
planken’. Zie ook yule-burnell in voce bul-kut,
‘a large decked ferryboat’ [ook: ballegat].
balambak, zie agelhout.
balana, zie harder.
baleeuw, zie baileu.
balenoer, zie vallunavar.
baleuw, zie baileu.
baleye (gm5) · vergaderplaats, loods. Maleis balai [zie
ook: baileu].
bali (t2) · vruchten van de aegle marmelos. Maleis bi-lak.
balie (i,1/i,2) · houten bak, in het bijzonder die wel-ke
bestemd was om het eten voor elke bak op het
schip in te doen: snertbalie. Bij de uitdeling van het
oorlam stond de bemanning om de brandewijnsba-lie.
Geheel iets anders was de versebalie – verse ba-lie
– oorspronkelijk zoetwaterbak, ook naam voor
de matroos die het pekelvlees een etmaal voor het
gebruik in zoet water te week zette en ook de stok-vis
weekte en beukte. Zie a winschooten op varse-balie.
I,2: houten kuip of tobbe. Ook wordt er wel
een mand mee aangeduid.
baliën (gm1) · met een balie * het water uit een schip
verwijderen.
baliou (t1) · Quinams vaartuig.
balksbalken (i,1) · zware balken die in het dek * van
een schip liggen ter plaatse waar de mast erdoor
gaat [ook: balksplanken].
balksplanken, zie balksbalken.
balkweger, zie bij weger.
ballatios (ii,1) · effen katoenen doeken, gewoonlijk
wit, een enkele maal zwart, afkomstig van Naga-pattinam
en omliggende plaatsen. Zie rouffaer-juynboll
in voce bélatju [ook: bolatios; zie ook: ba-laatiouwers].
ballegat, zie balagat.
ballenpoes (ii,3) · overkleed of ‘opperrock’, veelal
als geschenk aan vreemde bezoekers aangeboden.
Verbastering van het Perzische bala-push.
balnoor, zie vallunavar.
balou (gm1) · klein roeivaartuig, vaak als roofprauw
gebruikt.
ban, zie bun.
bancan (ii,3) · vermoedelijk ruwe katoen.
Hindustani banga.
bancket (gm4) · verhoging aan de binnenkant van
een borstwering.
bancksael, zie bangsal.
bandaar, zie bandar en sjahbandar.
bandaharo (gm4/gm7) · titel van de eerste van de
Basar Ampat Balai, de Vier Groten van de Raadszaal,
van het Minangkabause rijk [ook: bandhare].
bandanas (i,2) · donker gekleurde doeken, met lich-te
vlekken of figuren erop, die zijn verkregen door
die plekken ongeverfd te laten. Zie yule-burnell
sub voce bandanna [ook: bandesen].
bandar (ii,1) · haven. Soms korte aanduiding voor
sjahbandar * . Maleis [ook: bandaar].
bandara, zie bendahara.
bandees (gm2) · presenteerblad of verlakt tafeltje.
Maleis; Portugees bandeja.
banderen (gm2/gm3) · GM2: verzetten. GM3: sa-menspannen,
zich verbinden.
bandesen, zie bandanas.
bandhare, zie bandaharo.
bandongan, zie bendungan.
bang (ii,1) · Indische hennep of daaruit bereide opi-um.
Sanskriet bhanga. Zie kern II, blz. 46 e.v. en
yule-burnell in voce bang [ook: bangie, bangue,
bank, bhang].
bangasaal, zie bangsal.
bangie, zie bang.
bangsa (a) · volk, dorpshoofdenfamilie.
bangsal (ii,2/gm2) · inheemse naam voor alfande-ga
* . Voor diverse etymologieën zie yule-burnell in
voce bankshall. GM2: loods, met name van het tol-kantoor,
ook uitgebreider, terrein van dat kantoor
[ook: bancksael, bangasaal].
16
Balagat
17
bangue, zie bang.
banjo, zie benjo.
bank, zie bang.
banken (gm5) · in: ‘het ergens kunnen banken’, het
ergens kunnen volhouden.
bannissement (k) · verbanning.
banquet (gm5) · standplaats voor de soldaten achter
een borstwering.
banyan, zie benjaan.
barang (t2) · goederen, spullen. Maleis [ook: ba-reng].
barberot (ii,1/iii) · chirurgijnsleerling. Het woord is
uit het Portugees overgenomen, het is het verklein-woord
van barbeiro. III: letterlijk: barbiertje.
barckhout, zie barghout.
barckoen (i,2) · scheepsterm voor dwarsbalk of stut
[ook: berkoen].
barcqueson (gm1) · klein vaartuig.
bardezaan (gm1) · soort hellebaard.
bareng, zie barang.
barghout (i,1) · brede stevige band om de buiten-huid
van het schip, dat dient tot meerdere stevig-heid
of verband. Grote schepen hebben twee of
meer van die barghouten: boven- en benedenbarg-hout
[ook: barckhout, berghout, berkhout; zie ook:
stoothouten].
bariga (i,2) · Bengaalse zijde * van de tweede kwali-teit
* ; ook algemene aanduiding van tweede kwali-teit
of soort. Portugees barriga = buik [zie ook: kwa-liteit].
baringh (t3) · aarden wal.
barkan (i,2) · sterke stof uit wol of geitehaar gewe-ven,
en daarom ook wel kamelot * genoemd. Dit van
oorsprong Arabische woord leeft in het Frans voort
als bouracan, ‘ancien tissu de laine, de nature assez
grossière’ (augé). Onder ‘gewaterde’ kamelotten
werden verstaan gevlamde of moiré [ook: berkan,
kamelot].
barkier (ii,2/k) · 1. zie champanotty; 2. K: iemand
die een schip vaart.
barm (k) · berm, strook grond van de voet van de
muur tot de gracht.
barot (ii,1) · gewichtseenheid, verkleinwoord van
bahar * , in de Molukken
1
Ú 50 Portugese bahar of 11
pond * , de gemiddelde dracht van een kruidnagel-boom
per jaar. Zie rouffaer-ijzerman I, blz. 220
[ook: barudt].
barotgeld (a) · vergoeding aan de Ambonse elite
voor de medewerking aan het welslagen van de
kruidnagelcultuur [ook: hasilgeld].
barquier, zie champanotty.
barra, zie baar.
barre (t2) · zandplaat voor een riviermonding.
barring-barringh (gm4) · kraam; ook kamp. Maleis
barung-barung.
barudt, zie barot.
barung (gm7) · tijdelijk gebouw, marktkraam; in de
generale missive wordt de term ook gebruikt in de
zin van kooplieden, dus gebruikers van dergelijke
gebouwtjes. Maleis; Javaans warong.
bas (i,1/ii,1) · 1. klein scheepskanon, meestal met de
bijvoeging ‘metalen’. a winschooten: ‘schijnt sijn
naam te hebben van het bassen der honden’. II,1:
een klein bronzen kanon zonder affuit. Maleis lila;
2. II,1: een zware gong.
basar, zie bazaar.
basaroeke, zie buseruku.
basarwachter (t2) · toezichthouder over de Chine-se
markt [zie ook: bazaar].
baschia, zie pasja.
basiliscus (gm5) · fabeldier, gewoonlijk een slang
die door zijn blik mensen doden kan.
bassa, zie pasja.
bassies (t4) · draaibassen [ook: bassjens].
bassjens, zie bassies.
bassura (ii,2) · roeivaartuig in Bengalen.
bastant (gm1) · genoeg, voldoende. Overbastant is
meer dan voldoende.
bastonnade (gm5) · afstraffing met stokslagen. Stok
= baton.
Bastonnade
bastonneren (gm4) · met een stok afranselen.
bataat, zie patatta.
bate-pullery, zie pullery.
batman (p) · Perzische gewichtseenheid, gelijk aan
de men-i-tabriz * .
batta (i,2) · agio, winst bij wisseling van munten
verkregen. Thans wordt de soldij der inlandse troe-pen
in Engels-Indië batta genoemd.
battoor, zie batur.
batur (iii) · volgeling, huisbediende. Bij de Compag-nie
meest gebruikt ter aanduiding van een Javaanse
koelie * of herendienstplichtige. Javaans [ook: bat-toor].
baxias, zie bokhcha.
baxy, zie bakshi.
bayenhout (ii,3/gm6) · goed timmerhout van de ba-jur.
GM6: hout van pterospermumsoorten, algemeen
in gebruik voor bruggen, vaartuigen, planken enz;
bajur.
bazaar (p) · de overdekte winkelstraten in het oos-ten,
de plaats waar men kwam om te handelen, te
winkelen, te praten, het nieuws te horen, te roken
en koffie of thee te drinken [ook: basar, besar].
bazarropia, zie bij ropia.
bea (gm1) · tolrecht, uit- en invoerrecht. Te betalen in
percentages. Maleis.
beas, zie cauris.
bebilian (gm1) · koopdwang, verplichting tot aan-koop
van zekere goederen tegen door de verkoper
vastgestelde prijs. Maleis beli = kopen [zie ook: beli-belian].
bedding (i,2) · planken vloer, bijvoorbeeld die waar-op
het geschut staat; batterijplank. Ook wel houten
brits. Het meervoud is zowel beddings als beddin-gen.
bedect (t4) · in het geheim.
beer (k) · gemetselde dam door de vestinggracht
naar boven spits toelopend.
beerta (t4) · onbekende textielsoort, misschien de-zelfde
als baftas * .
beeuwtas, zie baftas.
begar (gm7) · herendienstplichtige [ook: biga].
beglerbegi (ii,3/gm7) · titel voor Arabische hoog-waardigheidsbekleder.
Het woord is een Semitisch
genitief; beg of bey = heer en beglerbey = heer der he-ren.
Thans is in Perzië beglerbegi de titel voor bur-gemeesters
van grote steden. GM7: heer der heren,
de titel van de gouverneurs der grootste provincies,
later die van de burgemeesters der voornaamste
steden.
begrijpen (k) · aanvatten, ter hand nemen.
bejaan, zie benjaan.
bekroon (iii) · klacht, reden van beklag.
Middelnederlands becroninge.
belatjang (gm8) · een soort conserve van kleine vis-jes,
als toespijs bij de rijst. Maleis [ook: bladjang].
belialskinderen (t3) · aanduiding voor de satan,
een demon of afgod. Ook gebruikt in de betekenis
van niet-christenen. Hebreeuws belial = nietswaar-digheid.
beli-belian (ii,3) · letterlijk: koopgelden, de oude
naam voor de rechten of tollen, te betalen aan de
vorsten in de Archipel, in wier gebied men produc-ten
inkoopt. Maleis béli of mémbéli = kopen [ook: bi-libillan,
billy-bilibian; zie ook: bebilian].
belegh van saken hebben (k) · met overleg te werk
gaan.
belopen (k) · verzorgen, voorzien in.
bendahara (gm2) · schatmeester, eerste staatsdie-naar;
titel voor de rijksbestuurder. Maleis [ook: ban-dara].
bendungan (gm7) · ringkade, ringdijk, ingedijkt wa-ter.
Javaans [ook: bandongan].
bengaen, zie benjaan.
bengewijn, zie benzoë.
bengiuyn, zie benzoë.
beniumin, zie benzoë.
benjaan (ii,2/ii,3/p) · oorspronkelijk een lid van de
hindu * kaste * der kooplieden in Gudjarat, later ook
voor koopman in het algemeen en ook wel voor
hindu, in tegenstelling tot moor * (= mohamme-daan);
dit laatste in het westelijk deel van Indië. Zie
18
Bastonneren
yule-burnell in voce banyan en baldaeus, blz. LXI
met noot 2. P: inboorlingen van Bengalen, die veel
buitenlandse handel dreven [ook: banyan, bejaan,
bengaen].
benjo (ii,1/gm2) · keizerlijke ambtenaar in Japan
(valentijn), stedelijk ambtenaar vanwege de cen-trale
regering, letterlijk: ‘aanbieder van geschenken’
(feenstra kuiper), in ’s Compagnies stukken ge-woonlijk
edelman, in de zin: vertegenwoordiger of
lid van het gevolg des keizers. De benjo’s of benjo-zen
hadden het recht om twee zwaarden te dragen,
welk onderscheidingsteken men op oude Japanse
prenten overduidelijk ziet aangegeven. De ambte-naren
der voornaamste steden hadden, als dienaren
der vijf keizerlijke goeuverneurs, ook het twee-zwaardenrecht,
en werden derhalve eveneens ben-jozen
genoemd. valentijn V, 2, Japan, blz. 130:
‘Stadsdienaars, mede banjoozen genaamd, doch
geen edellieden; maar omdat zij wegens de stad
[Nagasaki], dat een keizerlijke is, komen, en 2 hou-wers
dragen, zoo werden zij naast de banjoozen
geëerd.’ Volgens kaempfer mochten de echte ben-jozen
een piek voor zich laten uitdragen, ‘verciert
met een bal en een zilveren bord, van deselve af-hangende’.
Door de Compagnie werd verschil ge-maakt
tussen opper- en onderbenjozen. Zo lang de
schepen der Compagnie op Decima lagen, was daar
steeds een benjo namens de Japanse regering met
het toezicht belast. kaempfer geeft als spelling bug-jo,
uitgesproken als bénjo; feenstra kuiper schrijft
bugyo. GM2: Japans stedelijk ambtenaar vanwege
de centrale regering; men had er van verschillende,
vrij hoge rang; in de Nederlandse stukken gewoon-lijk
de twee (sinds 1687 drie, sinds 1700 vier) derge-lijke
ambtenaren voor Nagasaki, waarvan er één
(sinds 1700: twee) in Jedo resideerde. De Nederlan-ders
noemden ook lagere ambtenaren uit beleefd-heid
wel zo. In de generale missiven worden de
echte benjo’s veelal gouverneurs genoemd [ook:
banjo, benjoy, bongioi, bongoy, bonjoy, bugjo].
benjoy, zie benjo.
benjuin, zie benzoë.
benjuwijn, zie benzoë.
benteng (a) · vesting [ook: benting].
benting, zie benteng.
benzoë (i,1) · welriekende gomhars uit de styrax ben-zoïn;
werd in opgeloste vorm in diverse medica-menten
en reukwerken gebruikt; is in alcohol vol-komen
oplosbaar. Reeds valentijn verklaarde de
naam als een verbastering van luban djawi =
Javaanse wierook. Zie kern II, blz. 33 e.v., dozy-engelman
op benjoim en yule-burnell op benja-
min, zoals dit artikel bij de Engelse O.I. Compagnie
steeds werd genoemd [ook: bengewijn, bengiuyn,
beniumin, benjuin, benjuwijn, benzuyn, beyuwin,
storax].
benzuyn, zie benzoë.
bepalen (k) · begrenzen.
beram, zie taffachelas.
beraupaats (ii,3) · blauw of wit, vrij duur lijnwaad
uit Gudjarat.
berberij, zie beri-beri.
berck (t3) · klein Japans schip dat vaak als lichter
werd gebruikt.
bercquelang, zie phra-klang.
bereytschap (k) · gereedschap.
bergervis (i,1) · Noorse stokvis, uit Bergen aange-voerd.
berghout, zie barghout.
beri-beri (t2/gm1) · tropische ziekte met verlam-mingsverschijnselen
in de benen, veroorzaakt door
vitaminegebrek. Maleis [ook: berberij].
berkan, zie barkan.
berkelang, zie phra-klang.
berkhout, zie barghout.
berkoen, zie barckoen.
berm, zie taffachelas.
beroerten (k) · onlusten.
besaeltje (i,1) · klein zakje, speciaal voor het vervoer
van edelgesteenten. Mogelijk is dit woord een ver-vorming
van het Middelnederlandse besaesge =
Frans besace. Zie verdam-verwijs op besaetse.
besaensreede (i,2) · ra * aan de bezaans * mast [ook: be-saensroe].
besaensroe, zie besaensreede.
besaersitter (gm2) · verkoper op de bazaar * .
besar, zie bazaar.
beschaeren (t2/t4) · T2: bedekken. T4: toedelen.
19
Beschaeren
besieboom (t2) · moerbij.
beslaan (gm4) · bezetten.
beslaghoepen (iii) · ijzeren of houten hoepels om
een vat te beslaan.
besoar, zie bezoar.
besonjeren (k) · handelen, optreden.
bestellinge (k) · plaatsing, stationering.
bestiael (p) · lastdieren.
bet (gm1) · meer.
betej, zie bethilles.
betel, zie areka.
betelmaal (gm9) · belastingkantoor. Beit-al-mal.
bethilles (i,1/ii,2) · fijne mousseline, sluierachtige
doeken. De meeste kleden waren effen – zwart,
groen, paars, indigo – met een veelal rood hoofd * .
Daarnaast had men vrij veel geruite; alle waren in
hoofdzaak bestemd voor kleding: heupdoeken,
buikbanden en hoofddoeken; ook wel voor dekens.
Volgens yule-burnell komt de naam waarschijn-lijk
van het Spaans-Portugees beatilha = sluier; zie
ook kern I, blz. 66. Bethilles-otisaals of d’Oirnaal of
d’Oringaal waren zo genoemd naar de plaats
Oragel bij Golconda. Zie havart II, blz. 197.
Bethilles-allegias waren van legia * -zijde * gemaakt.
Verder werden nog tal van onderscheidingen ge-maakt,
meest naar de plaats van herkomst, als
Burhampurse, Cammanse, Sesterganti- en Calle-waphu-
bethilles. yule-burnell noemt de laatste
callawapores [ook: betej].
beting (i,1) · stevige stelling voor op het schip om de
ankertouwen te bevestigen, bestaande uit twee dik-ke
stijlen met een dwarsbalk erover. Etymologisch
staat beting in verband met bijten; er waren kerven
in ‘gebeten’ om meer houvast voor de touwen te ge-ven
[zie ook: speen].
beursvaatje (i,1) · buskruitvaatje, van boven met
een leren beurs of zak dichtgebonden, opdat er
geen vonken van de lont in zouden vallen.
bever (p) · hoed van beverwol gemaakt (kastoren
hoed).
bey, zie bij beglerbegi.
beyck, zie bey.
beyuwin, zie benzoë.
bezaan (i,1) · zeil aan de achterste mast (bezaans-mast).
bezarsteen, zie bezoar.
bezeeuwd (i,1) · door het zeewater beschadigd,
meestal van specerijen gezegd: bezeeuwde nagelen *
of (muskaat * )noten [ook: gemarineerd, verzeeuwd].
bezoar (i,1) · steenachtige lichamen die worden aan-getroffen
in het darmkanaal van sommige dieren, in
het bijzonder de Perzische geit, en waaraan men
grote kracht toeschreef als tegengif. De kleur va-rieerde
van geel over grijs tot groen. De varkens-steen
heet pedra de porco * . Voor de samenstelling
zie van eerde, blz. 306. Zie ook baldaeus, blz. 169-170,
dozy-engelman sub voce bezar en kern II, blz.
68 en 69. De Compagnie rangschikte de bezoarsteen
onder de juwelen! Volks-Nederlands: slangensteen;
Maleis: guliga, Arabisch: bâzahr = tegengif, Perzisch
padzahr = beschermer [ook: besoar, bezarsteen, gali-ga,
lapis besoar; zie ook: apensteen, pedra de por-co].
bhaar, zie bahar.
bhang, zie bang.
bheram, zie taffachelas.
bherm (ii,2) · taffachelas * . yule-burnell leidt, in vo-ce
beiramee, de naam af van het Perzische bairam;
volgens stapel zijn ze genoemd naar de plaats
Berampoer = Burhanpur.
bhoemy sjonkan, zie chungam.
bias, zie cauris.
bidjara (gm1/a) · GM1: bespreking, vergadering.
Maleis bitjars = overleggen, vergaderen, bespreken.
A: bespreking, onderhandeling [ook: bitcharinge,
pitcharinge; zie ook: pitchiaeren].
bidoor (ii,1) · gewichtseenheid op Malakka, speciaal
gebruikt bij het afwegen van tin, gelijk aan 3
Hollandse pond * .
biga, zie begar.
bijleggen (t4) · een schip bij storm met de kop in de
wind leggen [zie ook: bijlegger].
bijlegger (i,1) · 1. schip dat bijdraait; 2. hevige tegen-wind
die belet zeil te voeren en tot bijdraaien noopt
[zie ook: bijleggen].
bijsonder (k) · afzonderlijk.
bilibillan, zie beli-belian.
20
Besieboom
biljoen (i,1/gm2) · oorspronkelijk een substantief en
de naam van een mengsel van goud of zilver met
een ander metaal. Geleidelijk kreeg het de betekenis
van onzuiver, vals. GM2: buiten gebruik gestelde
munten [ook: billioen, bouljon].
billioen, zie biljoen.
billy-bilibian, zie beli-belian.
bing (i,2/gm7) · keizersthee, thee * soort volgens va-lentijn
verkregen uit de bloesems van de thee-struik.
GM7: een soort groene thee.
binnenkiel, zie kolsem.
bisty (ii,3/p) · zilveren muntje in Perzië ter waarde
van circa 8 cent Hollands. Zie yule-burnell, 389b.
P:
1
Ú 500 thoman [ook: blank].
bitcharinge, zie bidjara.
bits (ii,2) · gewichtseenheid in Pegu, gelijk aan 3
Nederlandse pond * . Zie yule-burnell in voce viss.
bitsgans (ii,2) · geldswaarde in Pegu, gelijk aan
1
Ú 10
pagode * . Het was een bits * , of 3 pond, gans * .
bittersteen (gm4) · steen waaraan men heilkracht
toeschreef.
bladjang, zie belatjang.
blank, zie bisty.
blauwhout, zie campêchehout.
blind (i,1/t3) · naam van een zeil aan de boegspriet
van een schip. Deze had twee blinds: het grote blind
onder de boegspriet en het kleine erboven. van
lennep verklaart de naam: ‘omdat deze zeilen als
een blinde muur het uitzicht naar voren beletten.’
T3: razeil dat onder de boegspriet aan de blinde ra
werd gevoerd [ook: fockerack].
bloedvlag (p) · een rode vlag, waarin geborduurd
een hand, houdende een zwaard. Zie l’honoré na-ber-
wright, blz. 38 noot 1.
bloem sjonkan, zie chungam.
blok (i,1/iii) · houten katrol met een of meer schij-ven,
waarover het zogenaamd lopend want loopt.
blom (i,1) · vierde kwaliteit kruidnagel * [ook: paille,
peverel, poeier].
bloodt (gm11) · met lood bekleed.
boa camiry (gm7) · vrucht van de kemiri, aleurites
moluccana, een noot, die bij allerlei spelen, vooral
van kinderen, wordt gebruikt. Maleis buah kemiri.
bobati, zie bupatih.
bobato (gm4/a) · GM4: hoofd van een vrij hoge rang
in de rijksregering. Ternataans. A: Noord-Molukse
term voor de aanduiding van een hoofd van minde-re
rang.
boborij (a) · geneeskrachtige zalf.
bockija, zie bokhcha.
bockraes, zie bokhcha.
bocsias, zie bokhcha.
bodemerij (gm1) · lening op onderpand van schip en
lading.
boeagoh, zie boeloeloekloepa.
boeghouten, zie stoothouten.
boegseren (i,2) · een zeilschip bij windstilte of tegen-wind
naar de gewenste plaats slepen door middel
van roeisloepen. De oudere vormen boegsjaren en
boucksarden maken het waarschijnlijk dat dit
woord is afgeleid van het Arabische dzjarra = trek-ken
of slepen. De lettergreep boeg zal er dan voor
geplaatst zijn omdat de sleeplijnen aan de boeg be-vestigd
werden [ook: boegsjaren, boucksarden].
boegsjaren, zie boegseren.
boei (i,2/gm7) · thee * soort van mindere kwaliteit.
Chinees bu-ie-tscha (tscha = thee), genoemd naar het
gebergte Bu-ie of Wu-ie in de provincie Hokkien.
De Fransen hebben in de zeventiende eeuw ten on-rechte
deze naam – thé boa – als de speciale naam
voor zwarte thee beschouwd, in tegenstelling tot de
groene. Zie ook valentijn IV, 2, Beschrijving van
China, blz. 13-14. GM7: Zwarte thee.
boeien (i,1) · een schip van onderen op met planken
bekleden; de eerste plank, de zaad- of zandstrook * ,
zit opzij in de kiel gegroefd. Op het breedste gedeel-te
van de scheepszijde of buik heet deze het boeisel.
Bij ruw weer werden boten of sloepen opgeboeid,
dat wil zeggen de boorden met planken en dergelij-ke
hoger gemaakt [zie ook: opboeien].
boeireep (t3) · kabel of reep die met een boeireep-steek
op het kruis van een uitgezet anker is gesto-ken
en aan de onderkant van een ankerboei is vast-gemaakt.
21
Boeireep
boelboel-sjessimaes, zie bulbul chasm.
boeloeloekloepa (gm9) · afgevallen jonge kokos-noot.
Javaans [ook: boeagoh].
boem sjonkan, zie chungam.
boeratten, zie boratten.
boeseroek, zie buseruku.
boevenet (i,1) · 1. een traliewerk van hout of touw
dat over of voor de open delen van een schip is ge-plaatst,
om overspringen door de vijand of over-rompeling
bij nacht te voorkomen; 2. het hoogste
dek op het achterschip, later meestal campagne ge-naamd.
Een ‘doorgaande boevenet’ is een over het
hele achterschip doorlopend campagnedek [ook:
bovenet].
boevensbalken (i,1) · samentrekking van boevenets *-balken,
de balken waarop het campagne * dek steunt.
bogy (ii,1/t1) · Japanse naam voor gele Chinese zij-de
* . T1: gele rouwe * zijde.
boha (gm1/gm9) · poeha, drukte, rumoer (om een
geringe zaak). Frans [ook: bahays, bohay].
bohay, zie boha.
bohra (gm4) · groothandelaar, zakenman, geldlener
(India).
boijero (k) · ossendrijver. Portugees boieiro.
bokhcha (p) · baaltje. Perzisch [ook: baxias, bockija,
bockraes, bocsias, boussjaes].
bolatios, zie ballatios.
boliaus (t1) · bruin-blauwe satijntjes.
bolster (i,1) · een klos naast de voorsteven van een
schip, om de boegspriet op vast te leggen, zodat de-ze
niet heen en weer kan slingeren.
bomme sjonkan, zie chungam.
bongioi, zie benjo.
bongis, zie cauris.
bongoy, zie benjo.
boniet, zie saboa.
bonjoy, zie benjo.
bonkus (a) · pak.
bonne sjonkan, zie chungam.
bonnet (i,1) · verlengstuk dat onder aan een zeil van
een schip kon worden vastgeregen om dit bij zwak-ke
wind groter oppervlak te geven [ook: mooiweer-slap].
boogaartman (k) · pop in een boomgaard gezet om
de vogels af te schrikken, een vogelverschrikker.
boom (k) · slagboom over de vaart waar de tollen
werden geïnd.
boombrood, zie sago.
boontjes, turkse – (gm4) · pronkboon, phaseolus ni-gritarum
of phaseolus multiflorus.
boort (ii,2) · zeer kleine diamantjes of diamantgruis,
gebruikt in de instrumenten der diamantslijpers en
glazenmakers [ook: boot, bort].
boorzwengel, zie omslag.
boot, zie boort.
borael (p) · een soort textiel.
boratcho (gm1) · dronkaard. Portugees [ook: boura-chio].
boratten (i,2/ii,1) · grove wollen stoffen. Frans bu-rat
(borat of brat) = grof laken, in het Nederlands
ook wel pijlaken genaamd. Zie woordenboek der
nederlandsche taal op borat [ook: boeratten].
borax (i,1/ii,3/gm4) · een zout, gebruikt bij het
smelten van en het solderen met metalen. I,1: het
Perzische burah en het Arabische burak betekenen
salpeter; II,3: van het Arabische burax = blinkend.
GM4: geen salpeter, maar de stof die wij nu onder
de naam borax kennen.
borborie, zie boreh.
bordel (gm3) · in: ‘in bordel laten lopen’, in het hon-derd
laten lopen, in de war laten raken.
boreh (ii,1/ii,2/t1) · gele zalf, bereid uit klapperolie,
poeder van sandelhout en curcuma * . Bij plechtige
gelegenheden bestreek de Javaan zijn bovenlijf met
deze zalf. Javaans. Zie schouten I, blz. 25 [ook: bor-borie,
borre, borreborri].
borgen (k) · uitstel verlenen.
borre, zie boreh.
22
Boelboel-sjessimaes
23
borreborri, zie boreh.
borst (i,1) · 1. boeg van een schip; 2. een houtverbin-ding
op een schip. witsen: ‘een heckbalck * , vast met
een borst en zwalue in de steven’.
bort, zie boort.
bosbank (i,1) · 1. dolboord, balkje aan de boorden
van een roeivaartuig, waarin openingen, om de rie-men
in te draaien; 2. afdekking van de einden of
koppen der ribben (inhouten * ) van een schip, die-nende
om inwatering te voorkomen en tevens om
het verband tussen de inhouten stevig te maken
[ook: potdeksel].
boscasijn (gm1) · stenen raamopening.
boskaneel, zie kaneel de matte.
boskleedje (gm5) · kleedje van geklopte boombast of
fuja. Verbastering van de Minahassische term wu-jang
= vrouwensarong.
bosmarinjo (gm9) · persoon belast met het toezicht
op het gebruik van de bossen [ook: marinyo hutan;
zie ook: marinjo].
bosschaede, zie embosschada.
bosschieter (t3) · fuselier, zeesoldaat, kanonnier.
bossiet, zie bouget.
bot (i,1/p) · 1. eind touw; ‘bot vieren’ of ‘bot geven’
is het touw laten schieten, het tegenovergestelde
van aanhalen of inpalmen; 2. de bocht in de dekbal-ken
van een schip, waardoor het dek * in het midden
hoger komt te liggen dan aan de kanten; 3. P: een
soort fust of vat.
boucksarden, zie boegseren.
bouffon (gm5/t4) · GM5: nar, grappenmaker. T4:
‘de bouffon spelen’, de paljas uithangen.
bouget (t1/t2/gm2) · T1: betel * doos. T2: zakje.
GM2: grote beurs, reistasje [ook: bossiet, bousset].
boulang, zie bij poleng.
bouljon, zie biljoen.
bourachio, zie boratcho.
bousset, zie bouget.
boussjaes, zie bokhcha.
boutidars (ii,3) · zeer dure, fijn, met gouddraad be-werkte
doeken.
bouwtijt (k) · periode van de eerste rijstoogst en de
tweede plant van augustus tot november.
bouya, zie buaya.
bovenet, zie boevenet.
boyeer (ii,2) · opperhoofd der ossendrijvers op
Machilipatnam. Mogelijk is dit hetzelfde woord als
Telugu * boyi = palankijn * drager. Zie yule-burnell
in voce boy, 2. Volgens de versameling der woor-den
betekent boys draagossen.
brahmaan, zie bij nambUthiri.
bramcappers (i,1) · vermoedelijk een soort kapper,
dat is een glas op voet, inhoudende ongeveer een
kwart liter.
braminees (k) · Konkani brahmanen.
braminen (ii,2) · 1. gekleurde lijnwaden uit Gudjarat
[ook: breami, bremmi, bremmi-fimis]; 2. bij de
Compagnie niet alleen de geleerde vedakenners,
maar alle hindus die lezen en schrijven konden. ha-vart
omschrijft bramine door: ‘schriftgeleerde of
pandiet’, maar elders vertelt hij, evenals stapel, dat
bij het personeel van ’s Compagnies lijnbaan te
Palicol ook behoorde ‘een expressen bramine, die
de rekening houd van den hennip en deszelfs leve-rancier’.
De versameling der woorden zegt:
‘Bramine is een paap, ook schrijver of notaris.’ Zie
ook canter visscher, blz. 152-155; schouten I, blz.
270-271 en II, blz. 95-96 en 108-110; ook yule-bur-nell
in voce brahmin.
bramzeil (i,1) · zeil, onmiddellijk boven het mars-zeil
* , dus het derde van onderen en oorspronkelijk
tevens het bovenste zeil. Later kwam daar nog een
bovenbramzeil boven. De bramzeilen moeten bij
meer dan matige wind gereefd of gestreken worden
daar het schip anders topzwaar wordt. Een matige
wind, waarbij deze zeilen gebruikt kunnen worden,
heet bramzeilskoelte.
bramzeilskoelte, zie bij bramzeil.
brandam (ii,2) · katoenen doek uit Coromandel.
brandewijnsbalie, zie bij balie.
brandewijnsstukken (i,2) · brandewijnsvaten. Zie
verdam-verwijs sub voce stuc.
bras (i,1/gm5/gm7) · 1. gedorste en gepelde rijst * kor-rels.
GM7: Javaans beras; 2. GM5: mengsel, brouw-sel;
ook wel rommel.
Bras
braules, zie broal.
brauwel, zie broal.
breami, zie braminen.
breegang (i,1) · het deel van de buitenhuid van een
schip dat tussen het reehout * en het bovenste barg-hout
* ligt en waar de geschutsmonden doorsteken
[zie ook: gang].
brem (ii,3) · soort van arak * , door gisting uit gekookte
rijst bereid.
bremkappers (iii) · kappertjes; nog gesloten bloem-knoppen
van de brem, in zout of ook wel azijn inge-legd
en gebruikt bij het bereiden van sauzen en spij-zen.
bremmi, zie braminen.
bremmi-fimis, zie braminen.
bresielyhout, zie pernambuchout.
breucke (gm2) · boete.
bricado (gm4) · barricade.
brieff (gm3) · hoeveelheid; bij spelden een gros.
brijselijk, zie kantig.
bril (t4) · van brillen: kwellen, bedriegen.
broal (ii,3) · zeker soort lijnwaad uit Gudjarat. Zie
ook yule-burnell in voce brawl, 706a [ook: braules,
brauwel].
brocades (i,1/t2) · zijden stof, met veel kleuren, ook
wel goud- en zilverdraad, doorweven. Vergelijk
ons brokaatpapier. Italiaans brocare = stikken. T2:
brokaat, goudlaken of kostbare met gouddraad
doorweven zijde * [ook: brouckado].
brood (i,2) · harde scheepsbeschuit. Als tegenstelling
werd gewoon brood aangeduid als: week brood.
broodkamer (i,1) · de kamer * , die meest achter in het
ruim lag, dienend om de scheepsbeschuit * in te be-waren.
brouwersnoten (i,1) · inferieure muskaatnoten * ; of
dit een bepaalde kwaliteit dan wel een andere va-riëteit
van noten was, is onduidelijk. Ze worden bij
rumphius (Herbarium) en bij valentijn niet ge-noemd.
buaya (a) · krokodil [ook: bouya].
budjang (ii,1/gm2) · ongehuwde man, bediende, ar-beider
of koelie * . GM2: ongehuwde, soms slaaf. In
Atjeh duidt het woord een zendeling, een bood-schapper
van de vorst, vermoedelijk van lage rang,
aan. Maleis.
bugis (i,1/ii,3) · 1. minderwaardige foelie * soort, naar
de Buginesen genoemd; thans in de handel als
Makassar-foelie aangeduid. Zie warburg, blz. 475;
2. II,3: cauris * ; de naam bugis werd meest in Afrika
gebruikt. Portugees buzios.
bugjo, zie benjo.
buikstuk (i,1) · deel van een spant. De gebogen delen
die de buik of romp van een schip vormen, heten
ribben of spanten * . Bij houten schepen bestaat een
spant niet uit één stuk; de onderste en dikste delen
heten buikstukken; daarnaast aan weerszijden een
sitter * . De verlengstukken naar de boorden van het
schip toe heten oplangen [ook: vrang, wrang].
buitenvertuining, zie vertuining.
bulangs (ii,1) · de algemene naam voor hoofddoe-ken,
hoewel er in de zeventiende eeuw niet uitslui-tend
hoofddoeken mee aangeduid werden. havart
vermeldt als uitvoerproduct van Teganapatnam bu-langs
van 15 el * lang. Ze waren meest effen indigo-blauw.
Maleis.
bulbul chasm (ii,2) · zeker soort katoenen doeken.
Bulbul chasm = bulbuls oog (bulbul is een Perzische
nachtegaal); volgens balfour is dit de naam van
een eigenaardig weefpatroon [ook: boelboel-sjessi-maes].
bumi-partiga (gm8) · titel van de troonopvolgers in
Bima.
bun (ii,3) · inheemse naam voor de koffieboon. Het
Arabische bunn is eigenlijk de naam voor de koffie-boom,
terwijl de drank bij de Arabieren kahwa heet.
Zie ook yule-burnell in voce coffee [ook: ban; zie
ook: cauwa].
bupatih (ii,1) · rijksgrote op Java; thans de inheemse
naam van de regent [ook: bobati].
bus (ii,3) · klein kanon [zie ook: busschieter, haak-bus].
buseruku (ii,2/gm2/gm4/k) · munt op Malabar ter
waarde van
1
Ú 24 Hollandse stuiver * . Portugees baza-rucco.
Zie valentijn IV, 1, blz. 358, en yule-bur-nell
in voce budgrook. GM2: later ook wel van lood
gemaakt. GM4: kleine tinnen of koperen munt, aan-vankelijk
1
Ú 24 stuiver. K: pasmunt, geslagen uit een
mengsel van lood en tin [ook: basaroeke; boe-seroek].
24
Braules
busschieter (ii,3/k) · kanonnier. K: artillerist van la-gere
rang [zie ook: bus, haakbus].
buxee, zie bakshi.
C
c I .s A . (gm7) · cammi sama.
cabaram (ii,2) · in Machilipatnam te betalen lasten,
‘sijnde een soorte van grontrechten’.
cabessa (i,2/t1) · 1. eerste soort Bengaalse zijde * ; ook
algemene aanduiding van de eerste kwaliteit * .
Portugees cabeça = hoofd [zie ook: kwaliteit]; 2. T1:
dorpshoofd. T3: hoofdman (China).
cabier (ii,3) · Arabische munt, niet overal van dezelf-de
waarde. De cabier-Mokka gold
1
Ú 50 tot
1
Ú 60 reaal, de
cabier-Missery of Egyptische cabier
1
Ú 30 tot
1
Ú 35 reaal
(Arabisch Miçr = Egypte). Arabisch kbîr = munt.
cabinet comptoir (gm1) · schrijfcassette.
caboksteen (gm9) · laterietsteen.
cabos (ii,1) · smakelijke zeevis, ikan kabos, volgens
valentijn III, 1; volgens van der capellen even-eens
de naam voor een zoetwatervis, die onder an-dere
in het meer van Tondano veel voorkomt.
caboutrias (ii,3) · zeker soort sitsen * uit Gudjarat.
cadjang, zie kadjang en katjang.
cady, zie kadi.
caeck, zie kaak.
caetcha, zie catechu.
caetchies, zie caetjes.
caetjes (ii,2) · eenvoudige katoenen doeken van
Coromandel, veel als lendendoeken gebruikt [ook:
caetchies].
caetsjo, zie catechu.
caffa (i,2/t1) · bontbewerkte zijde * of katoen, ‘blom-fluweel’.
T1: gaas [ook: caffan].
caffan, zie caffa.
caffel, zie kafilah.
cagie (gm9) · 1. kadi * ; 2. hok of huisje.
cahoor (ii,2) · inheems dienaar, palankijn * drager of
koelie * in Bengalen. Zie yule-burnell in voce kuhar.
caimael, zie kaimal.
cair, zie kayiru.
cairo, zie kayiru.
caixa, zie kasje.
caiyaut, zie cayot.
cajati, zie kiatehout.
cajongs (ii,2) · zeker soort lijnwaden.
calamista, zie seylsteen.
calange · gewichtseenheid voor het wegen van pa-rels
* en edelstenen, circa 7,2 gram. De onderverde-ling
was: 1 calange is 20 mangelin * ; 1 mangelin is 6
grein * ; 1 mangelin is 20 man * ; 1 man is 4 cani * ; 1 cani
is 4 munderi * [ook: coelang].
calangeren (gm6) · in staat van beschuldiging stel-len.
calangers, zie kalangs.
calaturshout (i,1) · rode sandelhoutsoort, hoofdza-kelijk
uit Coromandel, gebruikt voor inlegwerk en
het maken van verf. Genoemd naar de stad Calitur
(= Kistnapatnam) [ook: caleatourshout].
calaway, zie kaluway.
caleatourshout, zie calaturshout.
calewey, zie kaluway.
calico’s (i,1) · eenvoudig geweven katoenen kleden,
die hun naam ontleenden aan Calicut. Volgens van
hoytema: kaliko, dicht, effenbindig katoen, ge-bleekt,
soms bedrukt.
calimbacq, zie kalambak.
callawapores (ii,1) · bethilles * uit Callewaphoe
[ook: Callewaphoes].
callewaphoes, zie callawapores.
calleway, zie kaluway.
callodi (gm1) · tollenaar.
calmcaries (ii,2) · fijne geschilderde sitsen * ; het
woord werd meest als epitheton achter een andere
25
Calmcaries
naam geplaatst. Kalam-kari betekent letterlijk: met
de trekpen getekend, dus: uit de hand geschilderd.
Zie ook yule-burnell blz. 202 noot, en rouffaer-juynboll,
blz. 462.
caloanger (gm9) · koninklijke bediende. Siamees
khaluang.
cambaay (i,2) · guinees * . Genoemd naar de stad
Cambaya. Zie valentijn II, 2, 168a en kern I, blz.
42. Het woordenboek der nederlandsche taal
neemt aan dat cambaay van dezelfde oorsprong is
als kabaai, het bekende Indische kledingstuk, waar-van
dozy de Perzische oorsprong vermeldt.
cambang, zie kanban.
cambresinen (p) · fijn linnen dat naar de stad
Kamerijk (Cambrai) werd genoemd [ook: Came-ricx].
cameelscom, zie kandeelskop.
camelotten (t4) · camlet, kostbare geweven stof.
camericx, zie cambresinen.
camise (p) · tolet * . Portugees camiza = hemd.
cammans (ii,2) · zekere katoenen doeken.
cammerband, zie commerband.
campagne (i,1/t4) · hoogste of commando-dek * van
een schip. T4: dek boven het verhoogde achterste
gedeelte van een schip [ook: compagie; zie ook:
boevenet].
campêchehout (gm2) · verfhout uit de Mexicaanse
staat Campêche, in het westen van Yucatan [ook:
blauwhout].
campon, zie kampung.
canarijns (k) · werkvolk gehaald uit de Konkan be-noorden
Goa. De Portugezen noemden hen Cana-rijns,
naar Canara, direct ten noorden van Malabar.
canary (i,2) · gele zijde * met witte stippen.
canaster (i,1/i,2/ii,1/ii,2/iii) · mand van gevloch-ten
riet, rieten koffer, rieten verpakking van tabak,
suiker, specerijen en dergelijke. I,2: rieten mand of
korf. II,1: mand of verpakking van riet of biezen.
Later ook algemeen gebruikt voor tas: ‘leren reis-canassers’.
II,2: mand of reistas. III: een van riet of
gespleten bamboe gemaakte baal, waarin foelie * , ta-bak,
suiker enzovoorts werd verpakt. Vulgo knaster.
Van het Portugees canastra = mand [ook: kanasser].
candela (p) · kaneel.
candi, zie kandijl.
candil, zie kandijl.
candyl, zie kandijl.
canefas, zie canvas.
cangan (gm1/gm9) · 1. GM1: blauwe verfstof uit
Siam, een soort indigo * ; 2. GM9: hoofdman van een
kaste * . Kankaname (Ceylon).
cangans (ii,1) · veelkleurige katoenen sjaals van de
kust van Coromandel. Thans worden aan de oost-kust
van Afrika nog in Europa gedrukte katoenen
sjaals verhandeld, die daar kanga’s heten. Mogelijk
is de naam van Europese oorsprong. Zie verdam-verwijs
in voce cangant, goed met weerschijn, en
het Franse changeant. Zie ook muller, blz. 269 [ook:
cangijs].
cangie (ii,2/t4) · rijstewater, dat gedronken werd,
maar ook gebruikt om geweven of geverfde doeken
op te maken en te stijven. Tamil kanji = rijstewater;
Maleis kandji = stijfsel. Zie yule-burnell in voce
congee. T4: soort pap van water waarin rijst is ge-kookt
[ook: canje, cansy, causje].
cangiën (ii,2) · van stijfsel voorzien [zie ook: cangie].
cangijs, zie cangans.
cani (ii,2) · gewichtseenheid voor parels * ,
1
Ú 4 man * , 4
munderi * .
canifas, zie canvas.
canje, zie cangie.
canjeren (gm5) · stampvoeten als krijgshaftige dans-beweging,
onderdeel van de zogenaamde aru-cere-monie,
een plechtige betuiging van trouw, waarbij
men de hand aan het gevest van de kris houdt.
Makassaars kandjara.
cannagy (p) · een kwaliteit van zijde * .
cannegums, zie kannekijns.
cannekappel (ii,2/gm3/gm5) · inheems schrijver of
boekhouder, administratief ambtenaar, ook wel
tolk, op Coromandel. Voor de etymologie zie yule-burnell
in voce conicopoly. GM3: ook op Ceylon.
cannequins, zie kannekijns.
cansy, zie cangie.
26
Calmcaries
27
cantar (p) · gewicht van 100 pond * . Arabisch.
canvas (i,1/gm1) · grof doek voor scheepszeilen,
zakken enzovoorts. Van het Latijnse cannabis = hen-nep
[ook: canefas, canifas].
cany (ii,2) · landmaat. Zie stapel II, 2, p. 194 noot 1.
capada (p/gm1) · gesnedene, eunuch. Meervoud ca-pades
[ook: capado].
capado, zie capada.
capalle, zie kepala.
capatervarkens (gm9) · gesneden of gecastreerde
varkens.
capitan-laoet, zie kapitein-laut.
capitan mor (gm1) · grootkapitein, zeevoogd.
capitoen (ii,3) · gecapitonneerde zijde * .
caplet (i,1/i,2) · oude benaming voor kruidnagel * ;
zie verdam-verwijs. Bij de Compagnie was het
echter de naam voor tweede kwaliteit. I,2: het ronde
kopje der kruidnagels.
capon, zie kappan.
capootteren (gm6) · kapot maken, neerslaan, afma-ken.
capou, zie kappan.
cappeson (gm2) · breidel. Frans caveçon.
caprave (iii) · dakspar.
captieus (gm3) · tweeduidig.
caracque, zie kora-kora.
caracteren (gm7) · voorzien van karakters, letterte-kens.
caramista, zie seylsteen.
caravaan-bashi (ii,3) · de leider van een karavaan.
Perzisch karavan-bashi.
caravel, zie karveel.
carawansera, zie karavanserai.
carbas (i,1/gm9) · grote fles, meest met gevlochten
riet omgeven. Bij kaempfer karabâ, bij yule-bur-nell
en milburn carboy. GM9: hengselmand. Frans
cabas [ook: carbaskas].
carbaskas, zie carbas.
carcaey, zie carica.
cardamom (i,1/t1/p/k) · welriekende specerij, zaad
van cardamomon minus. Vulgo paradijskorrels.
Inlands kardamunggu. Cardamom werd ook grein
genoemd, een deel van de kust van Guinea heette
vroeger Greinkust. T1: aromatische zaden van elet-tariasoorten
uit de familie der zingeberaceeën. P: vol-gens
tavernier, blz. 96, werd cardamom door de
oosterse volkeren voor de beste der specerijen ge-houden,
welke alleen werd aangetroffen te Win-gurla
of Vengurla op de westkust van Voor-Indië.
Perzisch hal of hil. Ook thans nog veel gebruikt. K:
specerij uit de zaden van de elettaria cardamomum,
een soort kers.
cardeel (i,1) · touw of kabel. Frans corde, Middel-nederlands
cordeel [ook: cordeel].
careas (gm4) · kaste van Tamil-vissers ter oostkust
van Ceylon [ook: carruas].
caresseren (k) · letterlijk liefkozen, met geschenken
en door vriendelijkheid en hoffelijkheid.
carga (ii,3) · draaglast van een kameel in Perzië, na-melijk
twee balen, samen meest op 423 pond * gere-kend
en verdeeld in 36 men-i-sjah * .
cargasoen (t3) · scheepslading.
cargeren (ii,3/gm2/k) · belasten, bezwaren. Bij de
Compagnie gebruikt wanneer personeel de gekoch-te
waren of gemaakte onkosten te hoog boekte.
‘Goederen cargeeren’: tegen te hoge prijs in reke-ning
brengen. GM2: medeberekenen, optellen, op
(te) hoge prijs berekende. K: overdrijven.
carica (ii,2/gm3) · vrucht van een op de pruimen-boom
gelijkend lid der familie terminalia of mirabola-nen
* . Het aftreksel ervan werd gebruikt bij het be-schilderen
van katoenen en sitsen * . Zie stapel I, 1,
blz. 736 met noot en II, 2, blz. 206-207, en yule-bur-nell
in voce myrabalans, 5. GM3: vrucht van de ter-minalia
belerica, gebruikt als minder duurzaam ver-vangingsmiddel
voor indigo * ; tevens een goed
looimiddel [ook: carcaey, carique].
caricams (ii,3) · eenvoudige rode of blauwe effen
doeken, meest afkomstig uit Gudjarat.
carique, zie carica.
cariscanes (t4) · eenvoudige effen doeken afkom-stig
uit Gudjarat.
carnoor (k) · klerk, faciendorum factor of bedrijfs-leider.
Karkun [ook: cranoor].
Carnoor
carocidoriorum (gm9) · van de Kaap afkomstig ge-was.
carolusgulden (p) · munt, in 1520 op last van Karel
V geslagen. Dit was de gouden carolus. In 1522 was
de waarde 22 stuiver * , in 1618 40 stuiver. In 1542 liet
hij de zilveren carolus slaan, die 20 stuiver zou gel-den.
In 1618 was de waarde 23 stuiver.
caroor, zie crore.
carori (ii,2/gm5) · pachter der tollen en havengel-den
in Bengalen. GM5: ontvanger der belastingen
[ook: crore].
carra (gm1) · gewichtseenheid in Arakan van 42
pond * .
carran, zie karaëng.
carroa, zie crore.
carruansera, zie karavanserai.
carruas, zie careas.
carsaey, zie karsaai.
carsay, zie karsaai.
cartabelle (p/gm1) · P: briefje. Vergelijk kattebelle-tje.
Spaans. GM1: losse aantekening.
carteeck (p) · vermoedelijk een kort hemd of vest.
Perzisch kartak.
cartoun (t2) · titel van een regent op de kust van
Malabar [ook: cartouw].
cartouw, zie cartoun.
carum (gm6) · een komijnsoort, caro cidoniorum.
carwaat (a) · gedroogde vis.
carwala (ii,3) · aarden pot, gebruikt bij de
indigo * bereiding.
cas, in – (k) · in casu.
casack (gm1) · driekwart lang overkleed, kabaja * .
casado (k) · Portugees in de Oost die getrouwd en
niet meer tot militaire dienst verplicht was.
casagy (p) · vermoedelijk zijden weefsel, stof.
Perzisch qasazi.
casbegis, zie gaas.
casken, zie kasje.
cassa (i,1/ii,1/ii,2/t4) · los geweven gladde en
zachte katoenen stof, veel gelijkend op neteldoek of
mousseline; meest uit Bengalen. Cassa merah is rode
cassa, cassa putih is witte cassa. stalpaert: ‘fijne
witte kleeden, gelijk Kambriksdoek’; zie kern I, blz.
66 en yule-burnell in voce chasah [ook: casse, cha-sah,
chaso].
cassanar, zie cassenairo.
casse, zie cassa.
cassenairo (gm3/gm6) · priester van de Syrische
kerk (de Thomas-christenen * ) in Malabar. De leden
van de groep der Thomas-christenen werden ge-acht
nairos * te zijn. Malayalam kattanar [ook: cassa-nar,
cattenar].
casset (ii,2) · koerier of loper. Arabisch kasid. Zie
yule-burnell in voce cossid.
cassia fistula (i,2) · soort cassia (kaneelachtige
plant), uit welker lange zaadpeulen een laxeermid-del
werd bereid [ook: kassie; zie ook: cassia lignea].
cassia lignea (i,2/t1/p) · bast van een plant uit de
familie der kaneelachtigen (cassia), die als minder-waardige
kaneel in de handel kwam. Zie ook woor-denboek
der nederlandsche taal op kassie en
kern II, blz. 57. P: pijpkaneel [ook: houtkassie, lig-nea;
zie ook: cassia fistula].
cassise, zie kasisi.
cassomba, zie kasumba.
casticen (ii,1/gm3/k) · in Indië geboren kinderen
uit Portugese ouders, die men in West-Indië creolen
noemt. Portugees castiço = zuiver. Zie yule-bur-nell
in voce castees. De verklaringen van baldaeus,
blz. 79-80 en schouten I, blz. 257, die casticen de af-stammelingen
van mestiezen * noemen, is onjuist.
GM3: in Indië geboren kinderen van Portugese, la-ter
ook wel van andere Europese vaders en niet-Europese
moeders. K: nakomeling van een mesties.
castigeren (gm3) · kastijden, tuchtigen.
catchiouw, zie catechu.
catechu (ii,2/t1/t2/gm1) · extract uit de acacia ca-techu,
als samentrekkend en bloedstelpend middel
gebruikt, ook in de Europese pharmacopae; ook als
ingrediënt van de sirih * pruim. Maleis katju. Zie
kern II, blz. 8 noot 4 en yule-burnell in voce.
GM1: de pinangnoot, noot van de areca catechu
[ook: caetcha, ceatsjo, catchiouw, katju; zie ook: are-ka].
28
Carocidoriorum
29
catel, zie kadel.
catgoda passant, zie kedgoda pessend.
catil, zie kadel.
catsy, zie katti.
catta-barra (ii,2/gm4) · te betalen tollen in Benga-len.
GM4: doorvoerrecht, van passerende vaartui-gen
geheven.
cattamaru (gm3/gm9) · GM3: vlot, vaartuigje voor
het laden en lossen. Tamil kattuma raon. GM9: kata-maran,
licht vaartuigje [ook: cattemarauw].
catta-moedi (ii,2) · tollen of rechten op Pulicat.
cattawany, zie cattawary.
cattawary (ii,2) · geschilderde, gestreepte katoenen
doeken. Het woord betekent letterlijk ‘aaneenge-voegde
strepen’. De naam cattawary-borre wijst er
op dat ze met boreh * geel gekleurd waren. Zie rouf-faer-
juynboll, blz. 398 [ook: cattawany; zie ook:
calmcaries, talpony].
cattekijntje (t1) · kassekijntje, jakje.
cattemarauw, zie cattamaru.
cattenar, zie cassenairo.
cattepoetsie (a) · vermoedelijk cassia * fistula of lig-nea.
catti, zie kati.
cattij, zie kati.
caul (ii,2) · contract waarbij de vorst een schenking
of gunst verleend. Arabisch kaul = woord, gelofte.
Zie ook yule-burnell in voce cowl [zie ook: firman,
mandament, parwanna].
cauris (i,2/ii,1/ii,2/ii,3/gm2) · kleine witte schelp-jes
of hoorntjes (cyprea moneta), vooral van de
Malediven, in gebruik als betaalmiddel in Oost-Afrika
en Zuid-Azië. In Oost-Azië en Siam werden
ze beas genoemd, in Afrika bugis, op Ceylon was er
soms sprake van bongis. Zie yule-burnell in voce
cowry en canter visscher, blz. 115 e.v. In Surat
was de waarde
1
Ú 80 pais [ook: beas, bias, bongis, pitjes
kandaga; zie ook: bugis].
causje, zie cangie.
cauw (t2) · vat, fust, kuip.
cauwa (i,2) · koffie. Arabisch kahwa of kahuah [ook:
cava, cave, cawa, cova, koewa; zie ook: bun].
cauwenijs (ii,3) · eenvoudige lijnwaadsoort van
Coromandel.
cava, zie cauwa.
cavaljeer, zie kapitan.
cavalla da matta (ii,1) · groot soort hert in Siam;
ook de waardevolle vellen dier herten werden zo
genoemd. Portugees, letterlijk: bospaard of wild
paard.
cave, zie cauwa.
cavelatie, zie cavilatie.
caveren (gm2/k) · GM2: instaan voor, zich borgstel-len
voor. K: waken voor.
cavilatie (gm1/k) · GM1: chicane, zaak van weinig
belang die wordt opgeblazen om dwars te zitten. K:
bedrieglijke redenering [ook: cavelatie].
cavilleren (gm1) · afgeven, vitten.
cawa, zie cauwa.
cay (ii,3/p) · oude Perzische munt ter waarde van
1
Ú 13
reaal * . P: shahi * .
cayen, zie kain.
cayer, zie kayiru.
cayerdraat, zie kayirutouw.
cayertouw, zie kayirutouw.
caya garou (t4) · aloëhout * . Maleis keyu gaharu.
cayolak (t3) · stok lak. Afscheiding van insecten die
gom uit een bepaalde boomsoort onttrekken [ook:
kayo lacko; zie ook: gomlak].
cayonany-palen (gm11) · hoge boom van Celebes
en het oosten van de Archipel, levert een houtsoort
die buitengewoon goed bestand is tegen de paal-worm
en daarom in zeewater voor allerlei doelein-den
te gebruiken is.
cayot (gm1) · mantel die over de borst met een gesp
gesloten wordt [ook: caiyaut].
cazy, zie kadi.
ceer (ii,2/p) · gewichtseenheid, niet overal gelijk.
Ceer
Meest 80 ropia-sicca * , circa 1,7 pond * . P:
1
Ú 40 men-i-sjah
* . Hindustani ser [ook: ser, serre].
celeren (gm4) · verhelen, verbergen.
cent (ii,1/gm1/gm2) · 1. in ‘een cent avanco’: 100%
winst; 1
1
Ú 2 cento = 150%; ‘drie centen’ = 300% [ook:
cento].
cento, zie cent.
cha, zie tscha.
cha jan (p) · Sjah Jehan (Dsjehan), grote mogol [ook:
Chan Jan].
chAkar (gm7) · dienaar, voornamelijk gewapende
dienaar van een hoofd. Hindi [ook: sjekwaarts, tjek-waars].
chakri (gm3/gm9) · GM3: (Siamees) minister van
binnenlandse aangelegenheden. GM9: gouverneur
van de zuidelijke provincies in Siam, hij ontving ge-zantschappen
en onderhield contact met vreemde-lingen
[ook: sickarie; zie ook: tjekri].
chalalos, zie chaliassen.
chalatt, zie khalat.
chaleng (gm6) · boot voor vervoer van troepen en
paarden. Arabisch shalandi [ook: cheling]
chalia’s (ii,2) · kaneelschillers op Ceylon, behorend
bij de minst geachte bevolkingsgroepen, die buiten
de eigenlijke kasten * stonden. Zie ook valentijn,
Ceylon, blz. 6. Vermoedelijk is er een etymologische
band met het Tamil chela = slaaf. Zie yule-burnell
in voce cheyla [ook: salagama].
chaliassen (ii,1) · eenvoudige katoenen doeken van
de kust van Coromandel. Zie rouffaer-juynboll
in voce salalus en yule-burnell in voce shalee [ook:
chalalos].
chaloe (ii,2) · in de uitdruking ‘chaloe gekeperde
gingams’. Zie bij chela en gingam [ook: chaloon].
chaloon, zie chaloe.
chalsa (gm7) · vermoedelijk: schatmeester (Surat).
chaman, zie men-i-sjah.
champahout, zie sapanhout.
champan, zie sampan.
champanotty (ii,2) · eigenaar of bestuurder van een
sampan * bij de parelvisserij op Ceylon [ook: barkier,
barquier].
chan, zie khan.
chan channa, zie khankhanan.
chan jan, zie cha jan.
chanco (ii,2) · grote kinkhoorn, gebruikt als drink-glas,
sieraad of voor godsdienstige gebruiken. va-lentijn,
Choromandel, blz. 178, spreekt van ‘sjan-kos
of offerhoorns’; zie ook kern II, blz. 62, waar als
de duurste genoemd worden die van China en
Bengalen, ‘sommighe vergult ende met andere co-lueren
ende loofwerck en figuren ghewrocht’. Op
Ceylon en Madurai ook als geld gebruikt. Eén coer *
chanco’s gold 1 pagode * , wat neerkomt op een stui-ver
* per stuk. Sanskriet çankha. Zie ook yule-bur-nell
in voce chank, en nieuhof, Gedenkwaerdige zee-en
lantreize, blz. 191-192 [ook: chiancos, sjankos; zie
ook: koningschanco].
chansamaan, zie khansaman.
chappar (ii,3) · expresse bode van een vorst, een staf
met zilveren knop dragend. Verbastering van het
Perzische chob-dar = stafdrager.
chargie, zie serge.
chariar, zie sjahriar.
charibar, zie khervar.
charwary, zie legia.
chasah, zie cassa.
chaso, zie cassa.
chatib, zie khatib.
chauls (ii,1) · fijne zijden weefsels uit Chaul, ten zui-den
van Bombay; gelijksoortig met armozijn * .
chauter (ii,3) · goedkoop lijnwaad uit Surat. In de
combinatie chauter-Deriabadis duidt het tweede lid
de plaats van herkomst, de zo geheten stad nabij
Benares, aan [ook: chiauter, sjouter].
chauter cymianen (p) · tentzeilen.
chauth (gm4) · bedrag van een kwart van de lande-lijke
inkomsten, waarmee men de plundering van
de Maratha’s kon afkopen.
chavonijs, zie chiavonijs.
30
Ceer
chegos, zie chOgans.
cheharek (p) · gewichtseenheid, gelijk aan de Perzi-sche
ratel * . Betekenis: vierden, van
1
Ú 4 men-i-sjah * .
chela (ii,1/ii,2/t4) · fijne katoenen stof, meestal kal-koenrood.
Javaans tjele; het Sanskriet chela is mantel
of sjerp. Zie yule-burnell in voce shalee, waar on-der
andere ook de vorm sallallo voorkomt, en kern
I, blz. 63. T4: rode, witte of gele katoenen stof met
zwarte strepen [ook: chialouw, selalous, sjolij; zie
ook: rechatta].
cheling, zie chaleng.
cherafijn, zie xerafijn.
chergie (k) · last, opdracht.
chernelle (gm1) · vleselijk; in ‘chernelle conversa-tie’.
Van carnel.
cherperlier (p) · linnen of katoenen banden om de
balen zijde * heen gewonden. Vermoedelijk werden
hierop merken en nummers aangebracht.
chettiar, zie chitty.
chetty, zie chitty.
chia, zie tscha.
chialouw, zie chela.
chiambaar, zie sjahbandar.
chiambok, zie almadia.
chiampan, zie sampan.
chiancos, zie chanco.
chiap, zie tjap.
chiaulas, zie tjavellis.
chiauter, zie chauter.
chiauw (t2) · type Chinese jonk * .
chiavonijs (i,1/ii,2) · fijne sluier- of mousselineach-tige
doeken. Vermoedelijk dezelfde die stalpaert
tjavenis noemt, ‘witte cattoene doecken maer seer ij-del
gemaect, sijn lanck 5 vadem ende ontrent 2
1
Ú 2
span [breedt] ende hebben sijde nopkens van alder-hande
couleur’; heiden zegt, sub chavonis, ‘dünne
ostindische Musseline von Pondicherry’. Chiavonijs
d’Oirnaal zijn genoemd naar de plaats Oragel bij
Golconda; chiavonijs goudchely vermoedelijk ook
naar een verbasterde plaatsnaam [ook: chavonijs].
chicacols (ii,2) · doeken uit de plaats Chicacol in
Golconda. Meestal komt deze naam voor in combi-natie
met een andere naam, bijvoorbeeld chicacols-bethilles
* . Zie voor de stad Chicacol heeres-stapel
I, blz. 334 [ook: cikakols].
chickeen, zie venetiaan.
chierp (gm11) · sjerp.
chih-tu (t1) · Chinese militaire titel [ook: chitoo].
chil, zie ketjil.
chincon (ii,1) · tribuut brengen; ook de tribuutge-schenken.
Vreemde gezantschappen werden slechts
tot China toegelaten, als zij, naar de vorm, de keizer
tribuut kwamen brengen. Bij de Compagnie werd
het woord chincon gebruikt voor gezantschap en
voor de geschenken welke het gezantschap aan-bood.
Chinees [zie ook: li-pu].
chindos, zie sits.
chinees, geschoren – (gm2) · een Chinees die onder
de Mandsju-heersers stond en ten teken daarvan
zijn hoofdhaar met uitzondering van de staart had
afgeschoren.
chio (t1) · onbekende stof (textiel).
chiolijs, zie chulia.
chitoo, zie chih-tu.
chitrengas (ii,3) · eenvoudige tapijten, ‘sijn bijna als
de gestreepte lakenen in Schotland, dienende om
over kisten en koffers te leggen’. Zie ook yule-bur-nell
in voce sittringy.
chits, zie sits.
chittes (ii,3) · kleden van sits * .
chitty (ii,2/gm3/gm9) · in Achter-Indië de naam
voor leden van de handels-kaste * , te vergelijken met
benjaan * in het noorden en westen van Voor-Indië.
Zie yule-burnell in voce chetty, valentijn,
Chormandel, blz. 88, waar ze sitti’s, en Ceylon, blz.
8, waar ze chitty’s genoemd worden; ook rogerius,
blz. 3. GM3: persoon behorend tot een groep lieden
die zich met de geldhandel bezighielden, dus een
kassier, een bankier; het scheen, dat zij tot verschil-lende
kasten konden behoren, maar wel gelijke leef-regels
volgden. GM9: handelskaste van Indiase ori-gine,
op Ceylon aangeduid als Colombo chetties. In
de achttiende eeuw werden er hindu, katholieke en
31
Chitty
protestantse chetties aangetroffen [ook: chettiar,
chetty, sitti].
cho (gm2) · jonk * voor de zeevaart. Kantonees t’so.
choa (ii,1/t4) · groot Chinees roeivaartuig. Chinees
choa n = schip. T4: klein inheems vaartuigje [ook:
coya].
chobdar (gm6/gm9) · GM6: een van een gouden of
zilveren stok voorziene begeleider van hoogge-plaatste
personen in het rijk der groot-mogols.
GM9: bode van de vorst [ook: sjappaar, stockedra-ger].
chodja (p/gm3/gm5) · P: heer. Deze titel werd in de
zeventiende eeuw in Perzië aan hooggeplaatste per-sonen
gegeven; later in waarde verminderd. GM3:
in de zeventiende eeuw gebruikelijke titel voor wel-gestelde
Perzische kooplieden. GM5: eigenlijk
‘heer’, maar geleidelijk niet meer dan sinjeur [ook:
godia, khodja].
chOgans (ii,2/k) · een der laagste kasten * van
Malabar. De versameling der woorden zegt van
hen: ‘welkers voornaamste werk is sury * [palmwijn]
tappen’. K: plukken de kokosnoten en tappen het
palmsap voor de arak * ; daarom boomklimmers ge-noemd
[ook: chegos, ezhavas, siegos, silgos, tife-doors,
tiyyas].
chovvaram (k) · een van de twee traditionele nam-buthiri
* facties, die Cochin steunde [ook: Sjodele-coer;
zie ook: kurmalsaram, panniyur].
chulia (gm4) · op Ceylon en Malabar de naam voor
een bepaalde groep moslims [ook: chiolijs].
chungam (ii,2) · algemene naam voor in- en uitvoer-rechten,
door de inheemse vorsten van Voor-Indië
geheven. De versameling der woorden zegt:
‘Bonnessoncan sijn tollen op Cormandel of
Paleacatten’. Chungam is Tamil. Zie yule-burnell
in vocibus junkameer en junkeon. Meestal wordt het
door een epitheton voorafgegaan, op zeer variëren-de
wijze geschreven, en dan vertaald door grote
sjonkan [ook: bhoemy sjonkan, bloem sjonkan,
boem sjonkan, bomme sjonkan, bonne sjonkan, jon-kan,
sjonkan].
chün-men (t2) · (Chinees) gouverneur van een pro-vincie
[zie ook: combon].
churl (ii,3/p) · bundel of pak indigo * . De kleine
churl was 70 à 80 kilogram, de grote 100 à 120 kilo-gram.
Uitgesproken als tsjurl [ook: curl].
cicir, zie sisik.
cikakols, zie chicacols.
cinabruyn, zie cinnabrum.
cinnabrum (gm5) · mineraal dat een prachtige ver-miljoenrode
verfstof levert [ook: cinabruyn].
circumvalatie (gm6) · omwalling.
citap, zie kitab.
citeren (gm3) · oproepen.
civet (i,1) · welriekende vetstof van civetkat, een bo-terachtige
substantie, van grijswit tot donkerbruin.
Afkomstig uit Afrika en Brazilië; de laatste was de
beste. Men sloot de civetkatten op en irriteerde ze
zo, dat hun lichaam met schuim bedekt werd. Deze
welriekende afscheiding was de civet. Later vooral
verdrongen door muskus. Het woord - civette Frans,
zibetto Italiaans - is overgenomen uit het Arabisch
zabâd of zebêd, dat is schuim. Zie kern II, blz. 32 en
33.
clack (gm3) · smet; in ‘een clack op de hals werpen’,
een zedelijke smet aandoen.
cladden, cladderij (gm1) · verkoop tegen zeer lage
prijzen om concurrenten de handel onmogelijk te
maken, dumping.
cladschulden (gm2) · kleine schulden, schulden ten
gevolge van dagelijkse inkopen.
clang, zie khlang.
clappes, zie kelapa.
clappus, zie kelapa.
clatergoudt (p) · bladgoud.
clauwen (k) · de gemberbollen die zwart behoren te
zijn.
clingen (gm1) · Klingalezen; aanduiding voor lieden
uit Zuid-India in het algemeen.
cloosterwerck (gm2) · pronkstukje, gewoonlijk al-leen
van bloemen.
coacerveren (gm6) · opeenstapelen. Latijn.
cobang, zie koban.
cobars, zie govers.
cobido (ii,2) · de Indische ellemaat, niet overal even
lang, maar gemiddeld circa 70 centimeter. Latijn cu-32
Chitty
bitum = elleboog. Zie yule-burnell in voce covid
[ook: cobit, cubido, cubite].
cobit, zie cobido.
cochenille (ii,3) · rode verfstof, uit de scharlaken-bes
of de rode schildluis bereid [ook: consenielle,
coutsenilie, kermès].
cocos maldives, zie cocos-de-mer.
cocos-de-mer (gm1) · merkwaardige dubbelvrucht
van lodoico sachellarum, een palm die alleen op de
Seychellen voorkomt. Soms spoelt de vrucht op de
Malediven aan, waardoor ook de naam Cocos
Maldives gebruikt wordt. Ze had een hoge markt-waarde
omdat aan haar grote geneeskracht werd
toegeschreven.
coddebeck, zie coddebexhoed.
coddebexhoed (ii,2/gm9) · leren of vilten zonne-hoed,
afkomstig van en genoemd naar Caudebec-en-
Caux, een plaats in het departement Seine-Inférieure.
GM9: wollen hoed afkomstig uit
Caude-bec in Normandië [ook: coddebeck].
coelang, zie calange.
coeliling, zie keliling.
coer (ii,2) · hoeveelheid van 120 stuks op Ceylon of
Madurai, meest gezegd van chanco’s * .
coescoes, zie kusu-kusu.
coetchiaal (ii,2) · ruwe * , nog onbewerkte zijde * .
Cutcha is onbewerkt. Zie yule-burnell in voce. Het
woord werd ook gebruikt voor: afval van zijde,
minderwaardige resten. De uytrekening zegt, on-der
Kazimbazar: ‘Dito Bengaelse zijde bestaet in 5
sorteringe, als cabassa * , bariga * , pee * , coetchiael en
tater * , zijnde eygentlijk de vuyligheyt van andere’
[ook: coutchiaal].
coetewaal, zie kotwal.
cognossement (t2) · onderhandse verklaring tussen
schipper en geconsigneerde, waarbij de vervoerder
erkent bepaalde goederen in ontvangst genomen te
hebben en zich ertoe verbindt die op een bestem-mingsplaats
af te leveren.
coil, zie kOvil.
coimaer, zie kOymamAr.
coligeren (gm1) · verbinden met.
colluderen (gm4) · samenspannen.
collusie (iii) · samenspanning, bedrieglijke ver-standhouding.
Van Latijn colludere, dat zowel sa-menspelen
betekent als samenspannen ten nadele
van een derde.
colonne, zie reaal van achten.
combili (ii,1) · Ambonese naam voor een wortelknol
die, mits gekookt, eetbaar is als de ubi * , keladi * , ba-tatas
* en andere zetmeelrijke knollen. Zie valentijn
II, Ambon, blz. 160 en rumphius, Herbarium V, blz.
357-359.
combon (t1/t2/a) · A: kebun * ; T1: kung-bun * ; T2:
chün-men * .
comedierock (t4) · spottende benaming van voc-personeel
voor het lange zijden bovenkleed dat
Chinese hoogwaardigheidsbekleders droegen.
comitgie (gm3) · handelaar; vaak gebruikt in de zin
van makelaar. Telugu * komati.
commandement, zie mandament.
commenackan, zie kemanakan.
commerband (ii,1/p) · geweven ceintuur of gordel.
Van het Perzische kamar-bend, waarin kamar = len-denen,
middel, en bend = band, gordel. Zie yule-burnell
in voce cummerbund [ook: cammerband].
comminatie (gm1/gm6) · bedreiging; dreigement.
Frans.
committeerders, zie gecommitteerden.
committer, zie kumitir.
compagie, zie campagne.
compagniesrottang (gm2) · een voor dorpshoofden
bestemde ambtsstaf met het voc-wapen.
compatibel (k) · in overeenstemming met.
compensatie, zie bij stilstand.
complaisance, ter – van (k) · ten pleziere van.
comporteren (gm2) · competeren, toekomen.
compositie (gm3) · vergelijk.
comptoir (k) · handelskantoor of factorij.
conbuys, zie kombuis.
33
Conbuys
concheren (gm1) · opstellen.
concomiteren (gm5) · samengaan, bij elkaar horen.
condescenderen (gm2) · toegeven, zich schikken in.
condigne (gm1) · gepaste, geëvenredigde.
condrijn, zie condrin.
condrin (ii,1/t2) · Japans geldstukje, rekenmunt ter
waarde van
1
Ú 100 taël * [ook: condrijn].
confect (gm2) · geconfijte vrucht, onder andere als
medicijn gebruikt.
confineren (gm2) · aanhouden, in hechtenis nemen.
congia (gm2) · mogelijk een woord uit een taal van
Formosa voor arbeider, koelie * [zie ook: congsia].
congo (i,2) · thee van tweede kwaliteit, bereid uit de
jonge blaadjes van de derde pluk. Kong-fu = werk.
congrediëren (gm5) · samenkomen. Latijn congrediri.
congsia (t3) · Chinese landarbeider op Formosa.
connemonne, zie kônomoro.
conniventie (k) · conventie, gewoonte, gebruik.
conniveren (gm1) · oogluikend toestaan.
consenielle, zie cochenille.
consjam (ii,2) · gewichtseenheid in Coromandel, ge-lijk
aan 6 pond * .
constabel (i,2/k) · kanonnier, ook de opzichter van
het geschut aan boord. Het woord is overgenomen
uit het Spaans-Portugees condestable, en dit uit het
Latijnse comes stabuli. K: geschoold artillerist.
consteren (gm3) · volgen, voortkomen.
constringeren (k/t4) · K: dwingen, noodzaken. T4:
gelasten.
consulleren (gm1) · beraadslagen.
contenance (gm5) · wijze van voordoen.
contenanceren (gm2) · in stand houden, volhou-den.
contentie (gm4) · geschil.
contracherp, zie contrascarp.
contractatie (i,2) · verkoop bij contractatie: als
Heren XVII met een groep kooplieden – een beurs –
een contract afsloten om aan deze groep de gehele
voorraad van een specerij te verkopen, tegen een
bepaalde prijs, en onder beding dat binnen een
vastgestelde tijd geen nieuwe voorraden door de
Compagnie zouden worden verhandeld [zie ook:
stilstand, stok].
contraman (t3) · bootsman. Spaans contramaestre.
contrascarp (k) · berm, eventueel met een muur be-kleed,
aan de buitenzijde van de buitengracht [ook:
contracherp].
contraventie (k) · overtreding.
contreman (t2) · bootsman. Spaans contramaestre.
convenibel (gm1) · in rechte aansprakelijk.
cooyuyt (i,1) · door volksetymologie naar kooi ver-vormd
uit kajuit.
copra (gm3) · gedroogd vlees van de kokosnoot.
copthoo (t1) · steenboksvel.
cora (ii,2) · fijne geweven zijde * , vooral gebruikt
voor lendendoeken.
corael (gm3) · vangkraal (voor olifanten).
corcomme, zie curcuma.
cordage (gm1) · touwwerk.
cordeel, zie cardeel.
cordia, zie aloëhout.
corduaan (ii,1) · fijn leer, oorspronkelijk door de
moren in Cordoba bereid uit de huidjes van jonge
geiten. In Indië: op Spaanse wijze bereide bokken-vellen.
corge (ii,1) · bundel van 20 stuks geweven stoffen.
Hindustani corge = 20. Zie yule-burnell in voce
[ook: corgi].
corgi, zie corge.
corgi-bassi, zie kurtji-bashi.
corien (a) · Indiase textielsoort.
corla, zie korale.
corle, zie korale.
34
Concheren
35
corps de garde (t2) · wachthuis, bolwerk.
correcorre, zie kora-kora.
corret, zie karet.
corroots, zie guinees.
corrueren (gm9) · instorten.
corruptie (k) · bederf.
corten (gm2) · slepen.
cortijn, zie courtine.
cos (ii,2/ii,3/gm9) · afstandsmaat, niet overal gelijk,
meestal gerekend ‘op een Hollantsche mijl * of ruym
een uyr’. Hindustani kos. Volgens yule-burnell, in
voce coss, stamt dit woord uit het Sanskriet krosa =
roep of schreeuw. Het gold dan ook voor een af-stand
waarover men de schreeuw van een man nog
kon horen. Zie ook vogel, blz. 39-40. GM9:
Indische mijl, komt ongeveer overeen met een halve
Duitse mijl.
cosijn (k) · neef.
costus arabicus (gm6) · plant behorend tot de zingi-beraceeën,
verwant aan de curcuma * en een genees-middel
opleverend [ook: sjanacoea].
cotta, zie cotti.
cotti (ii,2) · hoeveelheid van 12.000 cauris * op de
Malediven [ook: cotta].
coubang, zie koban.
coubon, zie kebun.
coubours, zie govers.
coucheren (gm2/gm6) · GM2: concipiëren, opstel-len.
GM6: vermelden.
couler-agasi, zie kullar-agasi.
couli, zie koelie.
couly lauwing, zie kulit-lawang.
coupan, zie koban.
courantier (gm7) · persoon die nieuws bijeen-brengt.
courten (i,2) · het zich verenigen van kooplieden
met het doel elkaar bij inschrijvingen of aanbeste-dingen
niet tegen te werken. Vergelijk het Engelse
court.
courtine (k) · muur tussen bastions [ook: cortijn].
coutchiaal, zie coetchiaal.
coutenijs (ii,1/ii,3) · mooie doeken van zijde * , of
half katoen en half zijde, uit Gudjarat. Oorsprong
van de naam is vermoedelijk het Perzische kuttan =
kledingstuk. Zie yule-burnell in voce cuttanee. In
stapel II, 3, blz. 100 is sprake van zijden stoffen
‘met diverse couleuren van streepen’.
coutsenilie, zie cochenille.
cova, zie cauwa.
coya, zie choa.
coyangh, zie kojang.
crain, zie karaëng.
cranoor, zie carnoor.
craproot (ii,3) · plantaardige rode verfstof [zie ook:
meekrap].
creveren (gm9) · omkomen, sterven.
crocus, zie curcuma.
cromhoorn (gm4) · muziekinstrument, sterk gebo-gen
hoorn.
crommetha, zie khrom.
croonwerck (gm3) · hoornwerk * met twee gebastio-neerde
fronten.
crore (ii,3) · 1. hoeveelheid van 100 lak * (dus tien
miljoen). Hindustani karor. Zie yule-burnell in vo-ce
[ook: caroor, carroa, crou]; 2. zie carori.
crou, zie crore.
crusade, zie kruisdaalder.
crusado, zie kruisdaalder.
cruyper (t1) · verspieder.
cubebe (i,1/ii,1/gm1) · staartpeper. Vulgo: lange pe-per
* . Van piper cubebe. Uit het Arabisch kabâbat;
Javaans kemukus. Zie kern II, blz. 57, en van gor-kom,
VI, blz. 27 e.v.
cubido, zie cobido.
cubite, zie cobido.
curcuma (ii,1) · intens-gele wortel van het gewas
Curcuma
curcuma longa waaruit een verfstof wordt verkre-gen,
en die ook gebruikt wordt bij het bereiden van
medicijn, kerrie en boreh * . De Compagnie duidde
de wortel meest aan als Indische saffraan of geel-wortel.
Maleis kunjit. Zie ook canter visscher, blz.
26-27 [ook: corcomme, crocus, geelwortel, kunjit,
manjela (Tamil), saffraan (Indische –)].
curl, zie churl.
cutwaul, zie kotwal.
cynosure, ter – (gm11) · ter censure, ter beoorde-ling.
D
daalder, zie bij kruisdaalder, leeuwendaalder,
provintiedaalder, zwaardrijksdaalder.
daats, zie datjing.
dabboes, zie dabus.
dabus (gm9) · kleine koperen munt (Coromandel)
[ook: dabboes].
dael (i,1) · in het dek * van een schip liggende buis
die het met de pompen opgevoerde water naar bui-ten
leidt.
daëng, zie bij karaëng.
daetche, zie datjing.
daetze, zie datjing.
daftar (ii,3) · zowel register als kantoor of bureau.
Perzisch [ook: deftar; zie ook: deftardar, daftar-kha-neh].
daftar-khaneh (ii,3) · ‘huis der registers’, de reken-kamer
of secretarie des konings in Perzië [zie ook:
daftar, deftardar].
daibuds (ii,1) · tempel in Miaco (Japan), beschreven
door kaempfer, blz. 430, en afgebeeld aldaar blz.
395. Thans is daibutsu grote Boeddha, de naam van
het beroemde Boeddhabeeld te Kamakura [ook: dy-both].
daikwam (gm1) · magistraat (in Japan).
dainagon (gm6) · de Grote Raadsheren in Japan, dat
wil zeggen de leden van de Raad van State, welk li-chaam
in de tijd der sjoguns geen politieke beteke-nis
had, zodat de titel dainagon louter een eretitel
was.
dairo (t2/gm1/gm2/t3) · T2: Japanse troonopvol-ger.
GM1: aanduiding voor de werkelijke, doch
machteloze keizer van Japan, die de Nederlanders
voor een soort shinto-paus hielden. Van dairi = in-wendig
heiligdom. GM2: eigenlijk dairi, voor het
deel van het paleis, bij de keizer in gebruik; ‘binnen-ste
heiligdom’. Het woord werd door de Nederlan-ders
gebruikt voor de – echte – keizer van Japan, die
zij voor een soort opperpriester hielden. Daarom
pasten zij het ook wel toe op de nominale keizer
van Annam. T3: term gebruikt door Europeanen in
Japan in de zeventiende en achttiende eeuw voor
de mikado, de eigenlijke keizer, die resideerde in
Kyoto [ook: deyro, paep (grote –); zie ook: daina-gon,
tairo].
dalam, zie dalem.
dalem (gm6) · paleis, vorstelijke woning. Javaans
[ook: dalam, dalm].
dalleway, zie dhalavay.
dalm, zie dalem.
damar (iii/a) · oorspronkelijk de naam van een
boomsoort behorend tot de coniferen, waarvan de
bekendste in het Maleis pohon damar putih of witte
damarboom heet. De naam damar ging over op de
uit die bomen gewonnen hars en werd tenslotte de
aanduiding voor een fakkel of ‘Javaense toortse’,
een harsachtige tak of spaander die als fakkel dienst
deed. A: hars, kaars [ook: dammer].
dammer, zie damar.
dantaly (ii,3) · houten hark, gebruikt bij de berei-ding
van indigo * .
dar (ii,3) · koperen muntje in Arabië ter waarde van
1
Ú 2 floes * ,
1
Ú 8 cabier * .
darbar, zie derbaar.
daroga (ii,2/ii,3/p/gm6) · titel van hoge ambtena-ren
in Voor-Indië, gouverneur van een provincie of
stad, chef van de politie, hoofd van de munt in
Surat en Bengalen. In Perzië is daruga de comman-deur
van een vesting (P: wijkmeester of burgemees-ter).
Het is een oud woord van Mongoolse oor-sprong,
dat reeds ten tijde van Marco Polo in China
gebruikt werd. Zie yule-burnell in voce. GM6: op-zichter.
Perzisch [ook: droga].
dastak (gm4) · geschrift, waarbij vrijgeleide en tol-vrije
doorvoer voor bepaalde goederen wordt ver-leend.
Perzisch [ook: desteck].
dasturi, zie desturie.
36
Curcuma
37
datelijk (k) · feitelijk.
dati (ii,1/a) · oorspronkelijke betekenis op Ambon:
familie of gezin. Volgens het dati-stelsel, dat van
voor de Compagnie dateerde, moest op Ambon el-ke
familie een deel van haar grond of oogst afstaan
als belasting, dan wel een harer leden gedurende
zekere tijd per jaar voor de soeverein laten werken.
Zie paulus in voce. Onder de Compagnie: 1. va-lentijn
IIa, blz. 184, zegt dat ‘de smalle gemeente
––– verplicht is voor een maand voor niet voor de
E. Maatschappije jaarlijks te werken, om hare Dato
of Hofdienst, waartoe ider huisgezin een man ge-ven
moet, te voldoen’; hoofdzakelijk bestaand in
het roeien op de kora-kora * der hongi * ; daarom: 2.
roeier. A: herendienstplichtige, tevens genealogi-sche
eenheid van de bevolking welke een heren-dienstplichtige
levert.
dati linjap (a) · uitgestorven dati.
datjing (ii,1/gm9) · unster of weegstok met ongelij-ke
armen; aan de korte arm wordt de te wegen last
gehangen en langs de van kerfjes voorziene lange
arm wordt het gewicht geschoven. Thans in ooster-se
landen nog algemeen in gebruik. Van het
Chinese ta-ch’ing, verindischt tot datjing. GM9: van
het Chinese dai tsjing [ook: daats, daetche, daetze].
datri (ii,3) · aarden schotel.
datuk (gm2) · titel van niet tot de vorstelijke familie
behorende maar toch aanzienlijke hoofden in de
Maleis sprekende landen.
daun (a) · blad van een boom of plant [ook: dau-wen].
dauwen, zie daun.
debiliteren (gm1) · verzwakken.
deboseren (gm11) · tot staking, desertie overhalen.
Frans débaucher.
debvoir (k) · moeite.
decerneren (gm1) · gerechtelijk besluiten, toeken-nen.
decksel (k) · voorwendsel.
defalqueren (i,2) · aftrekken, in mindering brengen.
defereren (k) · opdragen, overlaten aan.
deficiëren (k) · ontbreken.
defidentie (gm1) · wantrouwen. Oud-Frans diffiden-ce,
thans défiance.
defroyeren (gm2/gm11) · GM2: vrijhouden, ontha-len.
GM11: vrijhouden, kosten of vertering betalen.
Frans défrayer.
deftar, zie daftar.
deftardAr (ii,3) · ‘de man van het kantoor’, de amb-tenaar
der belastingen. Perzisch [zie ook: daftar,
daftar-khaneh].
dek (i,1) · vloer in een schip. Het aantal dekken geeft
het aantal ‘etages’ aan. De dekken dragen verschil-lende
namen: opperdek, kuildek, tussendek etc. [zie
ook: bak, boevenet, campagne, koebrug, loop, over-loop,
schandek, verdek].
dekens (ii,1) · veel gebruikte naam voor grote
Coromandelse doeken, en wel speciaal salempuris * .
dekkum (gm4) · geschenk dat een onderhorige bij zijn
jaarlijkse verschijning aan zijn heer had aan te bie-den.
Soortgelijke verplichtingen: mareles, nadappe.
delatie (gm9) · verklikking of aanbrenging.
delet, zie douleth.
delitie (gm1) · genoegen.
demang (gm5/gm7) · GM5: titel van zekere, meestal
territoriale hoofden (Djambi). GM7: districtshoofd,
regent [ook: dmang].
demitteren (gm2) · loslaten.
demon, zie demung.
demung (gm6) · onderdistrictshoofd. Sumbawarees
[ook: demon].
densos, zie liusuneus.
depanches (gm6) · uitgaven. Frans dépenses.
departement (k) · vertrek, weggaan.
depatij, zie dipati.
deragems (i,1/ii,1) · bruinrode katoenen doeken.
stalpaert zegt dragons; déragém = donkerbruin is
Javaans; Maleis deragam. korte schets: ‘dragons,
zijnde kleeden, aan beide zijden rood en in ’t mid-den
zwart’. Zie ook rouffaer-juynboll in voce
dragams. De combinatie ‘dronggangs-ginggang’
komt voor ter aanduiding van bruinrode gingams *
[ook: dragams, dragons, dronggangs].
derbaar (ii,3/gm3) · oorspronkelijk de naam voor
een koninklijk paleis, later ook voor de gehoorzaal
Derbaar
en speciaal voor de troon; tenslotte ook audiëntie in
de residentie van de groot-mogol te Agra. Zie ook
de laet, blz. 58 en 133, en yule-burnell in voce
durbar. GM3: gewoonlijk: huldigingsplaats; soms:
plaats waar men iemand of iets tentoonstelt [ook:
darbar, durbar].
derdewaak (i,1/iii) · speciale Compagniesterm voor
hulpstuurman. De schepen hadden een opperstuur-man,
een onderstuurman en soms een derdewaak.
Een enkele maal ontmoet men zelfs een vierde-waak.
Waak betekent hier: wachthouder. III: onder-stuurman.
deriabadijs (ii,3) · lijnwaden, genoemd naar de stad
Deriabadis, nabij Benares.
dEsam (k) · systeem van functionele en hiërarchische
relaties in de sociale gemeenschap van jatis * .
dEsavazhi (gm8/k) · GM8: hoofd van een sociale ge-meenschap
(Malabar). K: leider van een desam * .
desisteren (gm2) · afzien van.
deslogeren (gm6) · verdrijven, verjagen. Frans délo-ger.
despiciëren (gm6) · waarnemen, uitvorsen. Latijn
dispicere.
dessave (ii,2/iii/a) · hoge ambtstitel op Ceylon, oor-spronkelijk
voor gouverneurs van de maharadja, la-ter
door de Compagnie overgenomen voor Euro-pese
hoofden van een district of dessavonij * .
Singalees disava; het woord is verwant met desa, dat
in het Javaans dorp, maar in het Sanskriet land-streek
betekent. Zie yule-burnell in voce dissave.
A: bestuurder van een provincie op Ceylon.
dessaveschap, zie dessavonij.
dessavonij (ii,2) · ambtsgebied van de dessave * [ook:
dessaveschap].
dessay, zie dessey.
desseijn (k) · voornemen, plan.
dessey (gm4/k) · GM4: districtshoofd. Marathi desai.
K: hoofd van een district. Dessayi [ook: dessay].
dessolut (gm1) · losbandig, liederlijk [ook: disso-luyt].
desteck, zie dastak.
destoer, zie desturie.
desturie (ii,2/ii,3) · commissieloon. Hindustani
dasturi. In ’s Compagnies boeken kwam een destu-rierekening
voor. Zie yule-burnell in voce dustoor
[ook: dasturi, destoer].
detereren (gm3) · afschrikken. Latijn deterrere.
deterioratie (i,1) · waardevermindering of achter-uitgang
van waren en materialen door vervoer of
langdurige opslag.
detraheren (gm4) · aftrekken.
detruderen (gm6) · verdrijven. Latijn detrudere.
deurschrijven, zie doorschrijven.
deutel (i,1) · kleine, vierhoekige, spitse pin van ei-kenhout,
die gedreven werd in de kop van de hou-ten
scheepsnagels, om die vast te doen aansluiten.
Voor het nieuw gebouwde schip werd geteerd,
moest het eerst gedeuteld of herdeuteld worden. De
gaatjes voor de deutels werden aangebracht met het
deutelijzer.
deutelijzer, zie bij deutel.
deuvel (i,1) · houten pin, die de planken, welke de
bodem van een vat vormen, bijeenhoudt; ook de
boor, om gaatjes voor die pin te boren.
devaliseren (gm1/gm9) · GM1: uitschudden, leeg-plunderen,
soms: ten onder brengen. GM9: leegro-ven,
in waarde verminderen.
devaloriseren (gm3) · in waarde dalen.
devoiren aanwenden (k) · doen wat men kan.
deyro, zie dairo.
dhalavay (gm3) · opperbevelhebber in Zuid-India
[ook: dalleway].
dhotia (ii,3) · de lendendoek, door de leden van de
hogere kasten * gedragen. In Dekkan was dhoti de
naam voor mannenrok, in tegenstelling met sari =
vrouwenrok. Zie ook yule-burnell in voce dhoty
[ook: adhoter].
diamant paragon (gm1) · diamant van buitengewo-ne
grootte, schoonheid en zuiverheid. Paragon =
model, toonbeeld.
dierte (k) · duurte.
diffidentie (gm2/gm6) · GM2: vijandigheid, ge-raaktheid.
GM6: wantrouwen.
38
Derbaar
39
digmettie (ii,2) · tollen of rechten, op aangebrachte
goederen te betalen; invoerrechten [ook: digmittie;
zie ook: igmissie].
digmittie, zie digmettie.
dilayeren (k) · uitstellen.
dimotie (gm5) · verwijdering, verdrijving, afzetting.
Latijn dimovere.
dimoveren (gm3) · afzetten, verwijderen.
dinAr (ii,3) · Perzische munt ter waarde van
1
Ú 10000 tho-man
* .
dinding (a) · gedroogd hertenvlees.
dingtaal (gm9) · taal zoals voor het gerecht ge-bruikt,
i.e. met nadruk.
dipati (gm8) · regent van de eerste rang (op Java)
[ook: adipati, depatij].
disadvoyeren (gm2) · afkeuren, niet vergunnen.
dispens (gm6) · provisiekamer, ook wel wat ruimer:
voorraadkamer. In de omgangstaal van Neder-lands-
Indië tot in de twintigste eeuw gebruikt.
Portugees dispensa.
dispensdorp (gm9) · dorp belast met levering van
goederen aan degene aan wie het dorp was toege-wezen
(Ceylon).
dispensier (k) · beheerder van het provisiemagazijn.
dispositie, gerecolleerde – (gm1) · opnieuw aan
een getuige voorgelegde door hem afgelegde ver-klaring.
dissel (i,1) · scheepsmakers- of kuipersbijl, waarvan
de snede van het gebogen lemmet rechthoekig op
de steel staat. Bij inlandse en Chinese ambachtslie-den
algemeen in gebruik [ook: dwarsbijl].
dissimuleren (k) · ontveinzen, doen of het niet be-staat.
dissiperen (gm3) · onttrekken, onachtzaam worden.
dissoluyt, zie dessolut.
dissolveren (gm3) · ontbinden, teniet doen.
divan, zie duan.
dIvAn-begi (ii,3/p) · opperrechter in Perzië. P: hoog-waardigheidsbekleder
aan het hof.
diverteren (k) · afleiden.
divertie (k) · wering.
divulgeren (gm2) · bekendmaken, verbreiden.
djagung (gm3) · maïs. Maleis [ook: sjagon].
djakalele (a) · Ambonse krijgsdans [ook: fackeliet,
gesackelit].
djaksa (gm7/gm8) · GM7: inheems vervolgingsamb-tenaar,
destijds ook rechter in kleine zaken. GM8:
Indonesische officier van justitie, tevens met zekere
rechterlijke functies bekleed in de hier bedoelde tijd
(1728) [ook: jaxa].
djalur (gm7) · naam voor verschillende soorten van
Indonesische vaartuigen; ter westkust van Sumatra
is het een grote vlerkprauw met twee of drie masten
[ook: jalor].
dja-meshin (gm4) · letterlijk: op de plaats (van een
ander) zittend, dus plaatsvervanger, vaak gebruikt
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx-voor
stedehouder of gouverneur. Perzisch [ook:
sjannesijn].
djenelli (gm5) · titel van een hoofd op het oosten
van Sumbawa.
djizjah (gm8) · hoofdgeld dat de islamitische wet
voorschrijft voor de niet-moslims die geduld wor-den,
zoals christenen, joden en parsi’s [ook: jizya, si-sia].
djogugu, zie gugugu.
djoumadjaja (gm7) · koningin-moeder. Ternataans
djou = heer, waarbij aan de koning valt te denken,
ma = z’n, djaja = moeder.
djulfa (ii,3/p) · de door de Armeniërs bewoonde
voorstad van Isfahan, door sjah * Abbas I gesticht
voor de uit de stad Djulfa bij de Araxes overge-brachte
Armeniërs, om voordeel te hebben van hun
bedrevenheid in allerlei ambachten en in de handel.
Zie vooral hotz, blz. 312-313. De bewoners worden
in de Nederlandse stukken meest Giolfalijnen,
Jolfalijnen, Sjolphalijnen of Solfalinen genoemd.
djuru bahasa (gm5) · tolk. Maleis djuru = deskundi-ge
[ook: jouroebassa].
djuru datjing (gm1) · weger. Maleis djuru = deskun-dige,
datjing = gewicht [ook: jure datchyn].
djuru tulis (gm1) · schrijver. Maleis djuru = deskun-dige,
tulis = schrijven [ook: jure tullis].
Djuru tulis
dmang, zie demang.
dobarra (ii,2) · volgens stapel ‘tweemaal herkoock-te
rouwe salpeter’. Portugees dobar of dobra = dub-bel,
tweemaal.
dobba (p) · leren zak.
docering (k) · helling, talud.
dodot (gm6) · hofkleed, om het onderlijf gedragen.
Javaans.
doek, zie kleed.
doekera (ii,3) · munt in Gudjarat,
1
Ú 100 ropia * .
doesaatjes, zie dosooty.
dohoor-pattany (ii,2) · letterlijk: patteni * -zijde * .
doleance (k) · klacht.
doleantie (gm2) · beklag.
doleren (k) · bezwaren maken.
dom (ii,2) · zijde * van fijne kwaliteit, geweven van
patteni * . Ook: dom corea sea; corea is vermoedelijk
identiek met cora * .
donderbus (i,1) · klein bronzen kanon.
dongry (i,2/ii,1) · goedkope katoenen stof, gebruikt
als zeildoek voor prauwen, grove kleding en pak-materiaal
voor fijne fluwelen en zijden stoffen. Zie
yule-burnell in voce dungaree en rouffaer-juyn-boll
op donggarî.
dooman (gm1) · dwarshout in de grond aan een paal
bevestigd om die recht te houden.
doorschrijven (gm3) · verloren achten, afschrijven
[ook: deurschrijven].
doot verruwe (t4) · grondverf.
dorré (gm4) · koord, zweep. Hindi dori.
dorseren (gm1) · hellen van het beloop van een
bouwwerk.
dosooty (gm11) · goedkope katoenen stof [ook: doe-saatjes].
dotia (ii,3) · ruw paklinnen, guni of jute. De versa-meling
der woorden zegt: ‘lijnwaden, ook doek
voor seylen in Suratte’ [ook: dotja, doty].
dotja, zie dotia.
doty, zie dotia.
douleth (ii,3) · kanselarij. De versameling der
woorden zegt: ‘Delet is een regter off regtbank tot
Suratte’. Perzisch [ook: delet; zie ook: i’timad ud
doulet].
dourias (ii,2) · gestreepte doeken, zowel van katoen
als van zijde * . Zie ook yule-burnell in voce piece-goods.
De combinatie balgeriasse douriassen ver-wijst
vermoedelijk naar een verbasterde plaats-naam.
dousson, zie dusun.
dozen, seramse – (gm1) · nesten van in elkaar pas-sende
gevlochten dozen.
dragams, zie deragems.
dragoman (ii,3) · tolk. Arabisch tardsjumân. Zie yu-le-
burnell in voce druggerman [ook: drogman, ter-simano,
troucheman].
dragons, zie deragems.
drakenbloed (i,2/ii,1/gm1) · bloedrode harssoort,
getrokken uit de vruchten van de calamus draco,
thans nog gebruikt als kleurmiddel in meubelma-kerspolitoer.
Zie dragon’s blood bij milburn II, blz.
506. GM1: rode hars, afgescheiden aan de buiten-kant
van de vruchten van draemonops draco, een ro-tansoort
[ook: sanguis draconis].
dreg (i,1/ii,1) · klein anker met drie of vier armen of
punten, gebruikt voor sloepen.
dreg, voor – komen (gm7) · voor een werpanker
gaan liggen.
drevo de balance (p) · weegloon.
drijven (i,1) · de naden en kieren met werk (gepluisd
touwwerk) opvullen. Het verleden deelwoord is
verdreven of gedreven.
dril (i,1) · boor, in beweging gebracht door een
draaiende klos, waarover een snaar loopt.
droga, zie daroga.
drogen (gm1) · drogues * , gedroogde kruiden.
drogerij (i,2) · fijne specerij. Zie woordenboek der
nederlandsche taal.
drogman, zie dragoman.
40
Dmang
41
drogues (ii,3) · algemene naam voor artikelen en
medicamenten van plantaardige oorsprong, als
gom (gomlak * ), mirrhe, aloë * en benzoë * . In stapel
wordt ook amber * , dat van dierlijke herkomst is, on-der
de drogues genoemd.
dronggangs, zie deragems.
duan (ii,2/ii,3/gm2) · hoge ambtstitel, op verschil-lende
plaatsen met verschillende betekenis. Het
Arabische diwan betekende oorspronkelijk register,
later ook de ambtenaar die het register houdt, ver-volgens
minister, vertegenwoordiger tegenover de
vreemde kooplieden, hoofd der financiën, rechter,
muntmeester, etc. Ook in combinatie komt het
woord voor, zie divan-begi. Zie yule-burnell in vo-ce
dewaun. GM2: vaak belast met inning van belas-tingen,
soms de hoogste financiële autoriteit in een
provincie; ook het bureau van deze persoon; verge-lijk
ons douane [ook: divan, duwan].
dubbelen, zie twernen.
dubbelton, zie grofton.
duim (i,1) · lengtemaat,
1
Ú 11 voet * of 2,6 centimeter.
duimen, zie vingerlingen.
duit (p) · munt ter waarde van
1
Ú 8 stuiver * =
1
Ú 2 oortje * =
2 penning * .
duivelsdrek, zie asa foetida.
duizendbenen (ii,2) · lange, platboomde vaartuigen,
door een groot aantal roeiers voortbewogen. Een
beschrijving bij stapel II, 2, blz. 265 en in het dagh-register
1661, blz. 94.
dukaton (k) · munt ter waarde van 63 zware stuiver *
[ook: rijder, zilveren –].
dupetta (ii,3) · lijnwaad van dubbele breedte, ge-bruikt
als enig kledingstuk voor vrouwen uit de
volksklasse. Zie yule-burnell in voce dooputty.
durbar, zie derbaar.
dusun (gm6/a) · GM6: tuin. Maleis. A: boomgaard
[ook: dousson].
duwan, die duan.
dwarsbijl, zie dissel.
dyboth, zie daibuds.
E
edik (i,1) · azijn [ook: eek].
eek (i,1) · 1. edik * ; 2. houtzuur; de eek uit het hout la-ten
trekken (thans: uitlogen).
eenhoorn (gm2) · de tand van de narwal (zie bij vis-tand).
eensloeghs (t4) · in één keer.
eest (i,2) · droogoven, door de Compagnie gebruikt
om nat geworden specerijen te drogen. Zie ver-dam-
verwijs op eeste.
effe (k) · in ‘een effe rekening’; de situatie waarbij
kosten door opbrengsten gedekt zijn.
eg (ii,1/iii) · 1. landbouwwerktuig; 2. scherp, puntig
wapen. De egge was de scherpe kant van een wa-pen,
mes of beitel. Engels edge. Zie verdam-verwijs
in voce [ook: egge, egh].
egge, zie eg.
egh, zie eg.
egwerk (iii) · ijzerwerk, gereedschap.
egwerker (ii,1) · wapensmid.
eis (k) · verzoek om bepaalde waren te zenden.
el, amsterdamse – (i,1) · lengtemaat, circa 69 centi-meter
[zie ook: elle].
elemi (ii,3/gm4) · gom, uit de canarium commune (zie
bij kanari) verkregen en in de pharmacopae ge-bruikt.
GM4: harsachtige stof uit de bast van canari-um
commune; wellicht werd soms de hars van de
elaeodendron orientale bedoeld [ook: gom elemini, ke-tah-
kenari].
elle (t4) · Europese lengtemaat, gebruikt in de Azia-tische
textielhandel [zie ook: el, Amsterdamse –]
ellefa (ii,3) · weinig gebruikte naam voor muris * .
elucidatie (k) · opheldering.
elucideren (gm5) · inlichten.
eluderen (gm5) · ontduiken, ontwijken.
emaneeren (k) · uitstromen, uitvloeien; samenstel-len.
Emaneeren
embosschada (t2) · hinderlaag [ook: bosschaede,
embuscade].
embroulie (gm1) · verwarring.
embuscade, zie embosschada.
emmer (gm1) · ten minste, in elk geval.
empediëren (gm2) · verhinderen.
empleo (gm1/gm2) · inkoop.
empleto (gm1) · bij inkoop, inkoopswaarde.
emulatiën (gm1) · naijverigheden.
encoureren (gm2) · oplopen, zich op de hals halen.
engels (ii,2) · gewichtseenheid voor het wegen van
edelgesteenten en edele metalen,
1
Ú 160 mark * .
enterloper, zie interloper.
entjik (gm4/gm9) · GM4: gebruikelijke Maleise titel
voor een persoon van behoorlijke huize. GM9:
Maleise titel, heer [ook: intchie, intje].
equipage (k) · de hele uitrusting van schepen.
equipagemeester (k) · beheerder van alle materialen
nodig voor schepen.
eradiceren (gm3) · uitroeien.
erfwachter (k) · troonopvolger of eerste prins.
erminesaai (ii,1) · beste kwaliteit saai * . Ermine is een
oudere vorm van hermelijn. Zie verdam-verwijs in
voce.
erneren (k) · in het levensonderhoud voorzien.
eselman (k) · lomperd.
espinellen, zie spinellen.
estaminos (gm2) · zeefdoeken [ook: estioemioens].
estenue (gm3) · verontschuldiging, verschoning.
estioemioens, zie estaminos.
estomacheren (gm6) · zich ergeren. Frans estoma-quer.
estrik (t1) · plavuis.
eusbeycken (p) · Uzbeken, Turkmenen. Zie dunlop,
blz. 742 noot 1 [ook: huysbeeck].
eveheren (gm3) · verheffen.
evenaar (gm9) · balans.
evertueren (gm2) · zijn best doen, zich toeleggen op.
exactie (k) · extorsie, afpersing.
exciperen (k) · uitzonderen.
excipiëren (gm4) · voorwenden, als excuus opgeven.
excogiteren (gm9) · bedenken, verzinnen.
exhorbiteren (gm2) · te buiten gaan, overtreden, te
ver gaan.
eximeren (gm2) · vrijstellen.
expedient (k) · middel.
expresse (k) · ijlbode.
expresselijck (k) · uitdrukkelijk.
extolleren (k) · prijzen.
extrueren (gm3) · bouwen. Latijn exstruere.
eygentlijck (k) · nauwkeurig, betrouwbaar.
ezhavas, zie chOgans.
F
faas, zie face.
fabriek (iii) · algemeen gebruikelijke afkorting van
fabriekmeester, hoofd van een werkplaats. Bij de
Compagnie de leider van het ambachtskwartier te
Batavia, een soort directeur van openbare werken.
Hij maakte ook de ontwerpen voor officiële gebou-wen:
stadhuis, kerken, etc. Ook op enkele andere
plaatsen, als Colombo, Nagapattinam en Malakka,
had men een fabriek, soms geassisteerd door een
onder-fabriek. Nog thans heet in het Molukken-Maleis
de eerstaanwezend ingenieur van de water-staat
tuwan-fabrik [ook: fabrycq].
fabrycq, zie fabriek.
facaar (ii,1) · 1. gewichtseenheid in Tonkin en
Japan; 2. zilveren munt in Japan ter waarde van cir-ca
ƒ 1,20 [ook: faccar].
faccar, zie facaar.
face (k) · zijde van een bastion of punt naar buiten,
42
Embosschada
van de stad af gekeerd [ook: faas; zie ook: flank].
fackeeh, zie fakih.
fackeliet, zie djakalele.
facteur (gm1) · vertegenwoordiger, zaakgelastigde.
fadsen (i,1) · onder-bonnet * , tweede verlengstuk aan
een zeil. a winschooten: ‘hij is op de fatsen’ = hij is
op de loop [zie ook: bonnet].
fakih (gm7) · kenner van de fikh, het islamitische
recht [ook fackeeh].
falconet (ii,2) · klein veldkanon [ook: valkonet].
falievouwer (gm9) · mooiprater of huichelaar.
falievouwerij (gm6) · het zich in vele bochten wrin-gen.
Van falie = geplooide vrouwenhoofddoek.
falkoen (ii,3) · kleinste soort veldkanon. Het woord
is afgeleid van falcona, een jachtvalk.
fannagin, zie hanakin.
fanne, zie fanum.
fanum (ii,1/ii,3/gm1/k) · zilveren munt in Voor-Indië,
onderdeel van de pagode * . De waarde is niet
eenvoudig te berekenen, daar men oude en nieuwe
pagoden, zowel als ‘slegte fanums’ en ‘koningsfa-nums
* ’ kende. Op Coromandel, Mannar en Jaffna
was de kleine fanum 5 stuiver * en de grote 7
1
Ú 2 stui-ver.
Op Tuticorin was een fanum 6 stuiver en een
fanum-radja of koningsfanum 12 stuiver. Op
Machilipatnam bevatte een fanum 7 stuiver; in een
nieuwe pagode gingen 12 fanums (tegen de oude
15), zodat de fanum 9
1
Ú 2 of 10 stuiver deed. de thé-venot
V, blz. 317. GM1: een grote fanum was 1/16
pagode, een kleine
1
Ú 24 . K: het gangbare betaalmiddel
in Malabar. De fanum-radja was gangbaar in heel
Malabar. In Travancore circuleerde de ‘fanum gail-joen
* ’. In de voc-stukken duidt alleen fanum op de
Cochinse fanum die door of vanwege de radja van
Cochin werd geslagen. Het was het dagelijkse be-taalmiddel.
Ook Compagniesdienaren werden in
fanums uitbetaald. Zie s’jacob LXXXVIII-LXXXIX
[ook: fanne; zie ook: nevel].
fanum gailjoen, zie fanum kaliyan.
fanum kaliyan (gm6) · munt van Travancore, waar-van
er (in 1727) negen in de rijksdaalder * gingen
[ook: fanum gailjoen; zie ook: fanum].
fanum-radja, zie koningsfanum.
fardeel (i,1/ii,2/p) · bundel, pak, baal; het wordt
vooral gezegd van de balen kaneel, die gemiddeld
80 pond * wogen. Spaans en Portugees fardo,
Italiaans fardello. P: een bundel van 70 tot 120 kilo-gram.
farinha (gm4) · meel gemaakt van de wortelen van
de maniok * plant, manihot utillissima [ook: tapioca].
farsakh (p) · Perzische lengtemaat, namelijk de af-stand
die een beladen muildier in een uur aflegt.
Was de weg moeilijk dan was de farsakh korter dan
langs goede wegen. Men onderscheidde dan ook
farsakh-i-sangin (zware farsakh) en farsakh-i-sabok
(lichte) [ook: parasang].
fastidien (gm1) · blijken van tegenwerking.
fastidieus (gm1) · tegenwerkend.
fauba, zie suba.
faucebray, zie faussebraye.
faucebré, zie faussebraye.
faujdar (gm2) · militair magistraat belast met de po-litie
en de strafrechtspraak in de voornaamste ste-den
van Hindustan [ook: fausdaer, fausidaer].
fausdaer, zie faujdar.
fausidaer, zie faujdar.
faussebraye (gm1/gm4/gm9) · GM1: dubbele bui-tenomwalling
van een versterkte plaats. GM4: om-walling
tussen een gracht en een hoofdwerk. GM9:
borstwering voor musketschutters voor en onder-langs
de hoofdwal [ook: faucebray, faucebré, fosse-braij].
faxatie, zie vexatie.
fayn (ii,2) · naam voor zekere kwaliteit Bengaalse zij-de.
feinte (gm6) · list, voorgeven, verdichtsel.
felp (i,1) · fluweel. Het Latijnse vellus is vacht; het-zelfde
woord als het Engelse velvet; het Italiaans
heeft zowel felpa als velluto [ook: fulp].
fenijn (k) · vergif.
ferAt (p) · mooi, zacht weer. Perzisch [ook: foroten].
fiëren (gm1) · toevertrouwen, uitlenen, borgen, kre-diet
verlenen. Van het Franse fier.
43
Fiëren
filemort (p) · kleur van een paard: feuillemorte.
firman (ii,2/ii,3) · algemeen gebruikte naam voor
een geschreven privilege, pas of vrijbrief, door een
vorst verleend. Hindustani farman = koninklijk be-velschrift
of ‘gunstbrief’; Perzisch farman is letterlijk
bevelschrift. Zie vogel, blz. 12 noot 3 [zie ook: caul,
mandament, parwanna].
fiscaal (k) · toezichthouder op de handhaving van
de openbare orde en openbaar aanklager.
fistula, zie cassia fistula.
flagreren (gm3) · heersen, woeden. Latijn flagrans =
vlammend.
flank (k) · zijde van een bastion of punt naar de
stadsmuur gekeerd [zie ook: face].
flapkan (i,1) · bierkan, kan met een flap- of klapdek-sel,
meest met een inhoud van 10 mutsjes * of 1
1
Ú 2 liter.
flesvoeder (ii,1) · trechter.
flis, zie flits.
flits (gm4) · kletspraat [ook: flis].
floers, zie krip.
floes (ii,3) · Arabisch koperen muntje ter waarde
van 2 dar * of
1
Ú 4 cabier * .
floretzijde, zie floszijde.
floszijde (i,2/ii,2) · grove, niet getwernde * zijde * ,
meest van gebroken draden. Het is vermoedelijk op
de klank af overgenomen van het Franse filoselle
[ook: floretzijde, vloszijde].
fluit (i,1) · een in de zeventiende eeuw zeer gewild
type van een eenvoudig transportschip zonder
spiegel * . Voordelen van de fluit waren: mindere
diepgang en ‘onkostelijkheid’ van bouw; bovenal
ook het feit, dat ze met minder equipage * kon wor-den
bediend dan andere schepen, vanwege het een-voudiger
tuig. Een uit Indië veel gehoorde klacht
was, dat de achterzijde, die geen steven of spiegel
had, maar een bol gebogen oppervlak - vulgo: de
billen - door de tropenzon ging werken en barsten,
waardoor lekkage ontstond. Mooie afbeeldingen in
witsen en van der kellen-benthem, plaat XXI
[ook: fluitschip; zie ook: gading].
fluitschip, zie fluit.
foa (ii,2/ii,3) · plantaardige rode verfstof, vooral in
Perzië verbouwd [ook: foë; zie ook: meekrap].
fockerack, zie blind.
foë, zie foa.
foelie (k) · zaadrok van de muskaatnoot * ; na droging
in de zon krijgt ze een licht bruin-gele kleur.
foelienoten (i,1) · variëteit van zeer kleine muskaat-nootjes
* , soms maar zo groot als een peper * korrel,
maar met een zeer dikke laag harde foelie * , ‘veel
schooner en durabeler als de gemene’ (rumphius,
Herbarium) [ook: noten, gefoeliede –].
fok (i,1) · het voorste, driehoekige zeil op kleine
vaartuigen; bij grote schepen het onderste ra * zeil
van de fokkemast of voorste mast.
foonnes, zie fuang.
fora (t1/gm3) · niet bekende zijden stof.
forda, zie alfandega.
forde, zie alfandega.
forketstok (i,1) · stok met aan de ene zijde een punt
om in de grond te steken, en aan het andere uitein-de
een vork of gaffel om het musket te ondersteu-nen.
formaliseren (gm1) · zich streng aan de regels hou-den.
foroten, zie ferAt.
fortuining, zie vertuining.
fossebraij, zie faussebraye.
fotas, zie photas.
foula krika (gm9) · klimgewas, clitorea ternatea. De
bloemen geven een blauwe verf. Portugees [ook:
kembang telang].
fourberie (gm6) · bedrog, schurkenstreek. Frans.
foveren (gm6) · begunstigen. Vergelijk het Franse fa-veur.
fraa, zie traa.
franken (p) · verzamelnaam voor Europese christe-nen
in Perzië. Perzisch farengui, oorspronkelijk
Fransman.
frasel (ii,3/gm1) · gebruikelijke gewichtseenheid in
Arabië,
1
Ú 15 bahar * . In het begin van de zeventiende
eeuw was, volgens stapel, de frasel kennelijk circa
44
Filemort
45
20 pond * Hollands. Latere opgaven wijken daar vrij
sterk van af. Bijvoorbeeld huygelbosch zegt dat de
basis van het Arabische gewichtsstelsel was de
man * of 2
5
Ú 8 pond * Hollands; 10 man of 26
1
Ú 4 pond was
1 frasel. GM1:
1
Ú 25 bahar, die zelf een niet geheel vas-te
eenheid is; de frasel wisselt zo tussen 20 en 26
1
Ú 4
pond.
fregat (p/k) · P: oorspronkelijk noemde men fregat
de grote open boten die de Portugezen voor oor-logsdoeleinden
in de Oost bezigden gedurende de
zestiende en zeventiende eeuw, en die door zeilen
of riemen werden voortbewogen. Tijdens de
Zevenjarige Oorlog (1756-1763) werd fregat de
naam voor driemastschepen, bewapend met 24 tot
50 kanonnen. Zie verder encyclopaedia britanni-ca
II, blz. 230. K: dwarsgetuigde driemaster.
fregesie (k) · parochiekerk. Portugees freguézia.
frequentatie (k) · bezoek, toegang.
fret (i,1) · kleine schroefboor. Latijn forare = boren.
Zie verdam-verwijs in voce foret.
frontuer (k) · grens.
fuang (ii,1) · Siamees geldstuk, gelijk aan
1
Ú 32 taël *
[ook: foonnes].
fuja, zie bij boskleedje.
fulp, zie felp.
fust (i,2/ii,1) · lang, platboomd vaartuig, dat over
riffen en ondiepten kon varen. Het kon geroeid
worden, maar had ook zeilen. Spaans-Portugees
fusta. Zie kern I, blz. 139.
G
gaarn (k) · garen.
gaas (gm9) · Perzische munt,
1
Ú 20 mahmudi * [ook: cas-begis].
gaba-gaba (ii,1/gm4) · droge bladnerven van de sa-go
* palm, gebruikt als daksparren * , voor wanden
van huizen, en zelfs voor vloeren; zeer duurzaam.
GM4: bladstelen van palmen [ook: gabbe-gabbe].
gabbe-gabbe, zie gaba-gaba.
gabel (gm3) · accijns, indirecte belasting.
gadagum, zie gaddegam.
gaddegam (ii,2/gm6) · zekere tollen of lasten door
plaatselijke gouverneurs op Machilipatnam en
Pulicat geheven. GM6: tol of last, door de lokale
machthebbers in Coromandel geheven [ook: gada-gum,
goddegam].
gading (i,1) · oude naam voor fluit * . Bij witsen gaing.
gaeren, zie garen en garu.
gaetschijf, zie joffer.
gaing, zie gading.
galalij, zie gilalo.
galanga (p) · ‘the aromatic root of certain Indian
plants of the genera Alpinia and Kaempferia, for-merly
much used in medicine and cookery’
(kersey). Galanga is middeleeuws Latijn, Middel-nederlands
galigaen, Nederlands galigaan, galgant,
afgeleid van het Chinese ko-liang-kiang, wat letter-lijk
betekent ‘a mild ginger from Ko in the province
of Kanton’. Mogelijk: qalanqa = qalqantwortel.
galatten, zie khalat.
galbat, zie gelias.
galei (i,1) · lang en smal vaartuig, dat zowel door
zeilen als riemen kon worden voortbewogen; de
naam werd ook wel gebruikt voor een groot roei-jacht
[zie ook: gelias].
galerij (i,1) · uitbouwsel aan weerszijden achter aan
een schip, waarin de geheime gemakken zich be-vonden.
Aan de achterzijde lagen de galerijen in het
verlengde van de achtersteven; deze kreeg daar-door
een breed aanzien. Dit geheel was de spiegel,
veelal met beeldhouwwerk en verguldsel versierd.
galet (ii,2) · nog niet afgehaspelde cocon van de zij-de
* rups.
galiga (i,2/ii,1/p) · 1. vlinderbloemige plant, waar-uit
een rode verfstof wordt bereid; ook die verfstof
zelf heet galiga. Zie augé sub voce galéga. Javaans
galuga. II,1: rode verfstof, bereid uit de bladeren en
wortels van de kasumba * of bixa orellana. Maleis ga-luga
[ook: galleguen]; 2. P: bezoar * . Maleis guliga.
galion, zie galjoen.
galjoen (i,1/iii/p) · 1. I,1: groot zeilschip met drie of
vier masten en hoog boord. P: de Spaanse en
Portugese galjoenen waren prachtig versierd en
meer voor praalvertoon dan vechten geschikt [ook:
galion; zie ook: kora-kora]; 2. I,1: voorste punt,
Galjoen
snuit, rostrum van een schip; daarin bevond zich
een kleine ruimte als cel: ‘iemand in het galjoen
sluiten’. Ook de geheime gemakken voor het
scheepsvolk. Zie mossel in voce. III: versierd ver-lengstuk
van de voorsteven, aansluitend bij de
scheg * [ook: scheepssnuit, sneb].
galjoot (i,1/i,2/ii,1) · 1. I,1: breed en plat zeilschip,
met een of twee masten, geschikt voor ondiep vaar-water;
2. I,1: klein schip, dat zowel gezeild als ge-roeid
kon worden; klein type galei * . I,2: geschikt om
zee te bouwen, vlug zeilend en bruikbaar in ondiep
vaarwater. ‘Galjodt is te voren ook genaemt een
quelpaerd.’ Naar zo’n vaartuig heeft het Quel-paertseiland,
ten zuiden van Korea, zijn naam ge-kregen.
II,1: zie hoetink, blz. LXIII e.v. [ook: quel,
quelpart; zie ook: gelias].
gallalij, zie gilalo.
gallegal, zie galle-galle.
galle-galle (gm5/t3) · GM5: soort hars, dat men,
vermengd met kalk, gebruikt om scheepsnaden te
stoppen. Maleis gala-gala. T3: harpuis, mengsel van
zwavel, kalk en hars, gebruikt voor het bestrijken
van naden en voegen [ook: gallegal].
galleguen, zie galiga.
gallevat, zie gelias.
galley, zie gelias.
gandek (gm8) · vorstendienaar, voornamelijk ge-bruikt
als boodschapper, onderzoeker, spion.
Javaans [ook: gandex].
gandex, zie gandek.
gang (i,1) · betekent in de scheepsbouw in het alge-meen
een doorlopende bekleding met planken, bij-voorbeeld
om de huid van een schip, aan weerszij-den
doorlopend van voor naar achter; evenzo over
het dek * en in het ruim. Het aantal samenstellingen
met gang is zeer groot, bijvoorbeeld breegang, kim-megang,
loopgang, roggang, scheergang, water-gang,
zetgang.
gangali (ii,2) · zeker soort Bengaalse zijde * van pri-ma
kwaliteit.
gans (ii,2) · 1. bronsachtig metaal uit Pegu. valen-tijn
omschrijft het als ‘erts, met lood vermengd’;
stapel als ‘een gemengde specie van koper en loot’.
Zie ook yule-burnell in voce ganza; 2. afkorting
van bitsgans * .
gantang (ii,1/ii,3/t4) · 1. gewicht, verschillend per
landstreek. Op West- en Midden-Java gold het vrij
algemeen als
1
Ú 10 pikol * (10 kati * , ongeveer 12 pond * );
op Oost-Java maar 5 kati. Op Borneo had men gan-tangs
van 4
1
Ú 2 pond. In de Bataviasche Statuten werd
het bepaald op 13
1
Ú 3 pond. van goens zegt dat in
Mataram de gantang een gewicht was ‘wegende 8
pond’; de versameling der woorden daarentegen:
‘een rijs- of peepermaat, waervan 400 in een last *
gaan’, wat neerkomt op 7
1
Ú 2 kati of 9 pond. Verder
zegt laatstgenoemde bron dat op Ambon een gan-tang
17
1
Ú 2 pond was, ‘dog op andere plaatse wel lig-ter’.
Zie de haan, Priangan II, blz. 691 noot 3; 2. in-houdsmaat
(vooral voor rijst * en peper * ) van ruim
8
1
Ú 2 liter. T4: inhoudsmaat van circa 3 liter [ook: gan-ting,
ting].
ganting, zie gantang.
gantisaals (ii,2) · naam van zekere lijnwaden [zie
ook: allegias].
garbel (i,1/i,2) · letterlijk: het gesorteerde; ook vuil,
stof, doppen en schillen van de specerijen [zie ook:
garbuleren].
garbuleren (i,2/ii,1) · de droge waren, in het bijzon-der
specerijen, van vuil en stof reinigen; ook het
sorteren van de specerijen, speciaal de kruidnagels * .
garbuleur (i,1/iii) · de man die droge waren, vooral
specerijen, ontdeed van vuil, stof, doppen en schil-len,
en daarna naar de kwaliteit sorteerde. valen-tijn
vertaalt garbuleur dan ook door kruytlezer, en
onder gegarbuleerde nagelen of noten verstond
men zuivere, gesorteerde. Spaans garbillar; Arabisch
gharbil, ghirbâl = zeef. In stapel III, blz. 373, komt
het merkwaardige gebruik van het woord garbu-leur
voor als: vertrouwensman, de ambtenaar die
toezicht oefent op het laden der Indische schepen
en er voor moet waken dat geen verboden particu-liere
goederen worden ingeladen, ‘toesiender’ [ook:
kruidlezer].
gardijn, zie gordijn.
garebeg (gm9) · feest ter gelegenheid van het einde
van de vastenmaand [ook: grebak].
garen (gm1) · rooftochten ondernemen [ook: gae-ren].
garens, florette – (i,2) · garens van floszijde * .
garioffelnagel (i,1) · eerste kwaliteit kruidnagel *
[ook: giroffel].
garisa (gm3) · inhoudsmaat voor rijst * van variëren-de
grootte op de kust van Coromandel. Telugu *
[ook: gars].
46
Galjoen
garnier, zie garniering.
garniering (i,1/ii,2) · bekleding van het ruim van
een schip met planken, rotan of bamboe, ter be-scherming
van schip en lading en om de laatste te
beter te kunnen opstuwen. Ook de laag rijsbundels,
onder in het ruim en waarop de lading rust. Het
doel hiervan is, speciaal bij zware waren te voorko-men,
dat het zwaartepunt van het schip te laag
komt te liggen. Zie röding op stauen. II,2: ook: hou-ten
betimmering van een kamer [ook: garnier].
garras, zie gerassen.
gars, zie garisa.
garu (a) · plunderen, roven [ook: gaeren].
gasen (t1/gm3) · algemene naam voor dunne zijde * .
Chinees ling [ook: gauze].
gasia d’andabarre (ii,3) · zeker soort lijnwaad uit
Surat.
gasteren (t2) · verbruiken.
gastos, zie guastos.
gastus, zie guastos.
gauwicheyt (t4) · slimmigheid.
gauze, zie gasen.
geallegeerden (gm11) · bondgenoten. Van het
Latijnse alligare = verbinden.
geallineerd (k) · geallieerd, verbonden zijn.
geappointeerde (gm1) · een voor een burgerlijke
functie bestemde militair.
geapposteerde (gm1) · persoon aan wie de handel
met de Nederlanders, tegen betaling van een pacht-som,
was opgedragen of toegestaan (China).
gebied (k) · heerschappij.
gecommitteerden (k) · dienaren officieel belast met
een omschreven opdracht [ook: committeerders].
gedjuruan (ii,1) · titel van een inheems ambtenaar
aan Sumatra’s Westkust. Maleis djuru = hoofd, dat
nog thans in tal van Maleise ambtenaarstitels voor-komt,
zoals djuru tulis * , djuru bahasa * [ook: goedjer-wan].
gedong, zie gudang.
geelgieter (iii) · kopergieter, die met messing of
geel koper werkt.
geelwortel, zie curcuma.
geers (t2) · gierst.
geformaliseerd (gm4) · beledigd.
gegagieerden (gm9) · gegageerden, personeelsleden
die na hun ontslag uit actieve dienst, maandelijks
een zekere gage kregen als pensioen.
gelanghen (t4) · ontvangen.
gelaran (gm9) · letterlijk titulatuur, aanduiding van
een adathoofd [ook: glarrang].
gelby, zie gelias.
geld, eigen – (k) · wat er bij inkoop voor betaald
was.
geldkaneel (gm11) · kaneel die tegen betaling werd
geschild.
gelias (ii,2/gm2/gm6) · kleine, snelvarende inheem-se
vaartuigen, in de Rode Zee en langs de kusten
van Voor-Indië veel gebruikt. De naam werd bij
verschillende volken op velerlei wijzen geschreven
en gesproken. schouten, die de woorden vaak op
de klank af weergeeft, schrijft jelias. Het woord is
de stamvader van een tweetal Europese scheepsna-men,
galei * en jol. Zie yule-burnell in voce gallevat.
GM2: [gelby:] handelsvaartuig in het westen van de
Indische Oceaan, gemaakt van met kokos- en ande-re
vezels vastgemaakte planken. Arabisch jalba.
GM6: [gallevat] een voor de oorlog uitgeruste galei
ter kust van Malabar [ook: galbat, gallevat, galley,
gelby, gelua, jalba, jalia, jelias; zie ook: galjoot].
geliem (p) · glad tapijt. Perzisch [ook: gilim].
gelua, zie gelias.
geluckstadtse compagnie (gm2) · een in Holstein
gevestigde compagnie die hoopte de Deense
Compagnie te kunnen vervangen, en die zich voor-namelijk
bezighield met de vaart op de kust van
Guinee.
gemanierd, zie bij vellen.
gemarineerd, zie bezeeuwd.
gemeen (k) · gewoon.
gemet (gm3) · vlaktemaat tussen 4000 en 5000 m 2 , 300
vierkante roeden * ; niet overal gelijk.
47
Gemet
gemoeti, zie gumut.
gengber (k) · gember.
gentief (ii,1/ii,3) · de naam waarmee in de
Compagniestijd in Voor-Indië een hindu werd aan-geduid
(meervoud gentieven). Aanvankelijk wer-den
er de Telugu * sprekende hindus mee bedoeld.
Portugees gentio = heiden. De mohammedanen wa-ren
moren * . Zie yule-burnell in voce gentoo [ook:
jentief, jentivo, sentief].
gentilesse (iii) · van het Portugese gentileza = hoffe-lijkheid
of ‘gentlemanlike’ optreden, maar speciaal
in Indië ging het geleidelijk betekenen: fijne, uitge-zochte
artikelen, vooral sieraden, en tenslotte ge-schenk.
geparesseert (t2) · zeilklaar liggen. Frans être paré.
gequalificeerden (k) · Compagniespersoneel van
de rang van assistent, boekhouder, onderkoopman,
koopman en opperkoopman; bij de militairen vanaf
de rang van sergeant.
gerassen (ii,2) · katoenen kleden of doeken van
Bengalen. Zie yule-burnell in voce piece-goods, op
gurrahs [ook: garras].
gereed, zie getwernd.
gerriaal (ii,2) · inheems beambte op Bengalen.
gert-kerckerie (ii,2) · zeker soort Bengaalse zijde *
van derde kwaliteit * .
ges (ii,2/ii,3/p/gm1) · lengtemaat in Perzië en Voor-Indië,
niet overal even lang, ook wel aangeduid als
el * (ook de cobido * werd zo aangeduid, maar was
niet identiek met de ges). Op Coromandel was de
ges 1
1
Ú 4 Hollandse el (GM1: circa 92 centimeter); vol-gens
stapel II, 3 was een ges in Perzië 1
7
Ú 16 el
Hollands; de versameling der woorden zegt: ‘ges
maakt 1
1
Ú 2 el tot Gamron’. De Compagnie rekende de
cobido op gemiddeld 70 centimeter, de ges op 94
centimeter (P: de lengte van de ges was waarschijn-lijk
0,63 meter). Zie hotz, blz. 404-405, en yule-bur-nell
in voce gudge.
gesackelit, zie djakalele.
geschulpt (i,1) · uitgetand.
getah rasamala, zie rasamala.
getarret (i,2) · participium van tarren * of tarreren
[ook: getart].
getart, zie getarret.
getty (ii,3) · bolletjes indigo * . De indigo werd in de
handel gebracht als bolletjes (getty) of platte schijf-jes
(pappery * ). Omdat slechts prima-indigo tot bol-letjes
kon worden gevormd, werd getty ook wel ge-bruikt
voor indigo van eerste kwaliteit [zie ook:
pappery].
getweernd, zie getwernd.
getwernd (ii,3) · gedraaid. Meest van zijde * gezegd,
die uit twee of meer draden was gedraaid.
Tegenover getwernde stond ruwe * (onbewerkte) zij-de
[ook: gereed, getweernd].
geunopolet (ii,3) · verfstof, omschreven als ‘de wor-tel
van Surat’.
gevolt (i,1) · voorzien van een vulling, dat is een
plank-strook * op de bodem, naast de binnenkiel, die
weggenomen kan worden om het schip onderin te
reinigen [zie ook: vulling].
gewaterd · gevlamde of moiré stof.
gewisse (t4) · geweten.
gieren (t2) · langszij komen (in ‘aan boord gieren’).
gilalo (a/gm9) · A: middelgrote vlerkprauw. GM9:
middelgrote vlerkprauw, vaak gebruikt voor oor-logsdoeleinden
[ook: galalij, gallalij, gillala].
gilams (i,2) · doeken van Perzische zijde * , genoemd
naar het district Ghilam aan de Kaspische Zee. Zie
ook valentijn V, blz. 270. Er kwamen ook gilams,
doeken die op de Perzische leken, uit China, die
door de Compagnie veel naar Japan verkocht wer-den.
Zie heeres-stapel I, blz. 216 [ook: gilems].
gilems, zie gilams.
gilim, zie geliem.
gillala, zie gilalo.
gingam (i,1/ii,1/ii,2/gm2/t4) · eenvoudige katoe-nen
stof, geruit of gestreept. In een cargalijst van
aan de Kaap aangekomen goederen uit Coroman-del
stond achter gingam de toelichting ‘beddeteyk’.
Oorspronkelijk gingham; de naam schijnt afkomstig
van de Franse plaats Guingamp in Bretagne, waar
veel weverijen waren. Zie yule-burnell en heiden
(gingan). van hoytema verstaat onder gingham ‘ka-toenen
ruit, eenigszins stijf; de fijne soorten heeten
indiennes’. lokotsch: ‘gestreiftes baumwollen
Zeug’. De naam komt in tal van combinaties voor,
als chaloe * -gekeperde gingams, dronggang * -ging-gang
en pinasse * -ginggang. GM2: taffachela * gin-gams
waren fijne, gestreepte katoenen weefsels. T4:
katoenen stof met strepen of ruiten, veelal afkom-48
Gemoeti
stig uit Bengalen. Maleis gingam = gestreept goed
[ook: ginggang].
gingelie (gm11) · sesamzaad [ook: singelij].
ginggang, zie gingam.
gingingh, zie ginseng.
ginseng (ii,1/t4) · medicinale wortel uit China. Zie
dapper II, blz. 205. Omschrijving en literatuuropga-ve
bij hoetink, blz. 34 noot 2. T4: de wortel van de
aralia ginseng, met medicinale kracht [ook: gingingh,
ninsin, shintsin; zie ook: nisi, radix nisi].
ginst (ii,1) · gele verfstof uit de genista tinctoria. Frans
genêt = brem [ook: gint].
gint, zie ginst.
giolfalijnen, zie bij djulfa.
giroffel, zie garioffelnagel.
gittagomme, zie guttegom.
glarrang, zie gelaran.
glas (t2) · tijdsaanduiding aan boord van schepen;
een glas is 30 minuten.
glas, moscovisch – (gm4) · een soort gipsspaat, dat
gebruikt werd voor vensters [ook: mariaglas].
gnatahoedi, zie ngatahudi.
gnoffamaniera, zie ngofa manjirah.
gobars, zie govers.
gockje, zie gyoku do.
godaaskar (ii,3) · titel voor een ambtenaar bij de
munt in Surat.
goddegam, zie gaddegam.
godia, zie chodja.
godon (ii,1) · brandvrij pakhuis in Japan, van klei
vervaardigd. Een enkele maal heeft het ook de bete-kenis
van stenen versterking. In yule-burnell, in
voce godown, wordt dit woord identiek gehouden
met het Maleise gudang * .
goedjerwan, zie gedjuruan.
goegy, zie yogi.
goenij, zie guni.
goerip, zie kurup.
goesdy, zie gousi.
golgas (ii,3) · gekleurde lijnwaden uit Gudjarat.
Later is golga of golgas de naam voor met gekleur-de
figuren bewerkt flanel geworden, ook Turks fla-nel
genoemd.
gom (gm3) · gong.
gom elemini, zie elemi.
gomasto (ii,2) · inheemse agent of factoor der
Europese kooplieden in Voor-Indië. Hindustani go-mashta.
gomlak (ii,1/p/k) · roodgekleurde gom, voor vernis
gebruikt. P: harsachtige substantie (schellak) die
wordt afgescheiden door het insect coccus lacca en in
korsten gevonden op de boomtakken van de ficus
familie in Bengalen, Pegu, Siam en Assam. De kleur
is verschillend, in Perzië werd vooral de lak van
scharlakenrode kleur ingevoerd. Van lak-op-stokjes
* werd ook zegellak vervaardigd, waarvan
tavernier zegt dat het niet meer kost dan 10 sol
per pond, terwijl het in Frankrijk 10 sol per ons
waard is. K: gebruikt als appreteermiddel [ook:
gommelakko, schellak; zie ook: cayolak].
gomma animae (p) · vermoedelijk: bezoar * .
gomme arabicum olibanum (ii,3) · Arabische wie-rook.
gommelakko, zie gomlak.
gomute, zie gumut.
gonje, zie guni.
gonni, zie guni.
gonting, zie kunting.
gontongion (t1) · Chinese militaire titel.
gorab (ii,3/gm1) · inheems vaartuig, vroeger ook in
de Archipel bekend, doch thans niet meer. De ver-sameling
der woorden zegt: ‘inlandse vaartuygen
met 2 masten; item grote Indiaanse roofschepen’.
Zie ook yule-burnell in voce grab. GM1: groot
roeivaartuig, ‘galei * ’ van Arabische oorsprong.
gordijn (ii,1/ii,3/t2/k) · deel van een vesting; tus-senwal
tussen twee bolwerken. Overgenomen van
het Franse courtine. II,3: Latijn cortina. T2: omhei-49
Gordijn
ning, bestaande uit een rij palen verbonden met een
dwarshout. K: hoofdwal tussen twee bolwerken of
bastions [ook: gardijn, guardijn].
gorgeanen (gm7) · mensen uit Georgië.
gorgelet (p) · tuitkan. huygen van linschoten, 31 e
cap., blz. 47 A: ‘Wanneer sij (namelijk de Portugezen
te Goa) drincken, hebben een manier van potgiens
gemaeckt van zwarte aerde, zijn seer fijn en dun, op
de manier van de pullen die men bij ons ghebruyckt
om die bloemen in te setten, ende binnen in den
hals is een schildeke vol gaetgiens. Dit cruycxke
wort ghenoemt Gorgoletta, om dies wille dat als
men wil drincken, soo houtment omhooch om niet
aende mont te raken ende als dan comt het water
door de gaetgiens… ende loopen al gorgelende in
den mont sonder een droppel te storten.’
gorgolet (gm9) · halssierraad.
gorijs, zie gouri-schotels.
gory-schotels, zie gouri-schotels.
goteling (i,1) · in het algemeen een voorwerp van
gegoten metaal; in het bijzonder een klein soort
scheepskanon.
goud in schuytjes (k) · goud in schuitvormige blok-jes
gegoten.
goudrijs (ii,3) · lijnwaad uit Gudjarat, ‘seer net en
fraey gestickt met zijde * , en ook van cattoen, van al-le
verwen en stiksels’ [ook: nalijs].
gouri-schotels (ii,3) · uit China naar Voor-Indië ge-voerde
groene porseleinen schotels, ook wel vergif-schotels
genoemd, omdat men geloofde dat zij zou-den
barsten, als er vergiftigde spijzen in werden
opgediend [ook: gorijs, gory-schotels, gurree scho-tel,
vergifschotels].
gourons (t1) · stof met brede strepen en ruitjes.
gousi (ii,3) · ‘wegtol’, zekere belasting in Perzië [ook:
goesdy].
gouwerons (ii,1/t2) · zijden doeken uit Kanton. T2:
stof met brede strepen en ruitjes.
govers (i,1/ii,2) · dubbelbrede katoenen lappen,
voor de meest uiteenlopende doeleinden gebruikt.
stalpaert, cobars: ‘Cleetgens die bruynachtich blau
sijn met witachtige blauwe streepen door de midde-wech
heen’. De naam kwam ook in combinatie veel
voor. Bekende combinaties zijn govers grinssing *
(grinssing komt nog thans in de namen van diverse
Javaanse batikpatronen voor en betekent gekroesd
of geschubd (dit patroon wordt herhaaldelijk in de
Modjopaït-periode genoemd), govers tambal * (tam-bal
= lap, wordt ook thans nog veel gebruikt, zie
jasper-pirngadie III, blz. 143), serasah * govers en
govers-poleng * . Javaans gébér of gubah = voorhang
of gordijn. Zie rouffaer-juynboll, blz. 484, XII en
XXIV [ook: cobars, coubours, gobars; zie ook: kain].
graseren, zie grasseren.
grasseren (t2) · woeden, heersen. Portugees grasar
[ook: graseren].
grebak, zie garebeg.
grein (i,1/i,2/ii,1/ii,2/ii,3) · 1. eerst cardamom * , la-ter
ook andere kleine en fijne specerijen, vooral pe-per
* , en zelfs tarwe en rijst * ; oorspronkelijk beteken-de
grein niet anders dan korrel, Latijn granum.
Grein groeide ook in Afrika en een deel der kust
aan de Golf van Guinea heette dan ook wel
Greinkust; later veranderde de naam in Peperkust.
In stapel II, 3, blz. 536, is sprake van de opdracht
een baal ‘Guinees greyn’ mee te nemen, ‘dat bij haar
[slaven] over de spijse gestroyt wert’; 2. II,1: ge-wichtseenheid
voor edele metalen of edelgesteen-ten,
waarvoor men oorspronkelijk graankorrels ge-bruikte,
1
Ú 12 karaat * . II,2: in de diamanthandel
1
Ú 4
karaat; 3. I,2: doek, oorspronkelijk van zijde * , later
ook namaak daarvan, als Turks grofgrein, van ka-meelhaar.
Zie woordenboek der nederlandsche
taal en verdam-verwijs, beide op grein. II,1/II,3:
sterke stof, oorspronkelijk uit geiten- of kameel-haar,
later ook uit wol, katoen en zelfs zijde gewe-ven.
Wollen grein heette kamelot * . In het Neder-lands
bestaat nog thans het woord grein als naam
van een sterke stof [ook: grofgreyn].
grinssing (ii,2) · gekroesd, geschubd; gebruikt in
combinatie met een textielsoort [zie ook: govers].
grofgreyn, zie grein.
grofton (i,1) · grote ton, met twee keer zoveel in-houd
als de smalton * [ook: dubbelton].
grondwaarde, zie bij tsieeuw.
groot (gm2) · munt ter waarde van
1
Ú 2 stuiver * .
grootmarszeil, zie marszeil.
guardijn, zie gordijn.
guastos (ii,2) · onkosten. Portugees gastos [ook:
gastos, gastus, quastos; zie ook: gasteren].
guastoshouder (ii,2/iii) · hulpkassier, die de kleine
kas, de rekening der dagelijkse onkosten hield.
50
Gordijn
51
gudang (ii,2) · pakhuis, schuur [ook: gedong; zie
ook: godon].
gugugu (ii,1/gm1/gm9) · Ternataanse titel voor de
rijksbestuurder in de Molukse rijken. Gugu = be-heerder,
bestuurder. Zie de rangorde en titels der
Molukse hofgroten bij valentijn Ib, blz. 97 e.v. en
de clercq, Bijdragen, blz. 324. GM9: gugugu is ge-lijk
aan djogugu, een samentrekking van Djouw
Gugugu, Heer Rijksbestuurder. In sommige geval-len
gebruikt ter aanduiding van dorpshoofden
[ook: djogugu].
guinees (ii,1/ii,2/ii,3/gm1) · eenvoudige, grove ge-ruite
katoenen stof, onder andere in Gudjarat opge-kocht
en veel naar de westkust van Afrika uitge-voerd.
Nog thans wordt in Indië, te Pondicherry,
dergelijke stof gemaakt, bestemd voor de handel op
Afrika en in commerciële kringen bekend als gui-nea-
cloth of guinea-stuffs [ook: corroots, guine-stuffs;
zie ook: cambaay, negroskleed].
guinestuffs, zie guinees.
gula (a) · suiker.
gulden (k) · rekeneenheid in ’s Compagnies boeken,
in Indië gelijk aan 20 lichte stuiver * . Drie gulden
maakten een rijksdaalder * .
gulung (ii,1) · rol van matten; kain * gulung is opge-rold
doek.
gumut (ii,1/gm3) · de zwarte, houtige vezels van de
saguweer * - of arènboom, waaruit touw werd bereid
[ook: gemoeti, gomute, idjuk].
guni (i,1) · jute, Bengaalse hennep; ook de daaruit ge-weven
ruwe stof, vooral voor zakken gebruikt (gu-nizak).
Zie yule-burnell in vocibus gunny en jute
[ook: goenij, gonje, gonni].
guripo, zie kurup.
gurree schotel, zie gouri-schotel.
guru (gm7) · leraar; de titel waaronder het hoofd van
de sekte der Sikhs bekendstond.
guttegom (ii,1) · hardgele hars van de garcina cambo-gia,
gebruikt in de geneeskunde en ook als verfstof.
De wetenschappelijke naam is gummi gutae [ook:
gittagomme].
guzeratten (gm1) · zeevarende en handeldrijvende
moslims, die vanuit hun woonplaats in het noord-westen
van India tot in de Molukken kwamen.
gyoku do (t1) · broodkoper [ook: gockje].
H
haak (i,1) · 1. rukwind; in gebieden van windstilte
wordt een tropische bui vaak door haken voorafge-gaan.
‘Met haken waaien’, ‘haakwinden’. Het is niet
onmogelijk dat dit woord een verbastering is van
het in oudere journalen veel voorkomende caeck * of
kaeck; 2. haakbus * .
haakbus (ii,3/gm1) · zwaar soort geweer. GM1:
klein kanon [ook: haak; zie ook: bus, busschieter].
haar (i,1) · mengsel van koehaar, papier en teer, ge-bruikt
als vulling tussen de buiten- en binnenhuid
van een schip.
haardoek (p) · een grof weefsel, meestal van geite-haar.
haarlems (p) · in ‘Haarlems werk’: linnen.
haassie, zie hadji.
hacquet, zie hakket.
hadj (gm4) · de bedevaart naar Mekka, waartoe elke
moslim eens in zijn leven verplicht is; in Europa
hield men de hadj voor een bedevaart naar de gra-ven
van de profeet Mohammed, te Medina, en van
zijn neef Ali, dat ten rechte te Nedjef in Irak is.
hadji (ii,3/gm1/gm3) · Mekkaganger. GM1: hoofd
van een mystieke broederschap in de islam. GM3:
persoon die de bedevaart naar Mekka (de hadj)
heeft verricht [ook: haassie, hagie].
haen (k) · in: ‘sal zijn haen coningh wesen’: zal hij de
toon aangeven.
haentjesbier (iii) · Hollands bier uit de brouwerij
Het Haentje te Amsterdam.
haeyen (gm1) · heien.
hagie, zie hadji.
hagje (gm4) · figuurlijk: lekker beetje.
hai-fang (gm4) · Chinese assistent-prefect voor de
kustverdediging. Zie ook vixseboxse, blz. 50 [ook:
hajong].
hai-tao (t1/gm5) · T1: Chinese admiraal of bevel-hebber
van de kustverdedigingsvloot. GM5: vloot-voogd
(China) [ook: hayto, haytou].
hajong, zie hai-fang.
Hajong
hakim-bashi (gm3) · hofarts. Perzisch.
hakim malik (gm3) · hofarts. Malik = vorst [ook: ha-kim
molk].
hakim molk, zie hakim malik.
hakkebord (i,1) · bovenkant van de spiegel * of ach-tersteven
van een schip, die in willekeurige vorm
was uitgehakt en waaraan men bevriende schepen
al van verre herkende [ook: hekbord].
hakket (i,2) · twist, ruzie [ook: hacquet].
halfaam (i,1) · inhoudsmaat, 64 mingelen * of circa
76,8 liter.
halfdek (i,1) · zie bij koebrug. Tegenwoordig de
ruimte op het bovenste dek * van een schip, achter
de grote mast.
halmalillehout (gm4) · hout van de berria ammonil-la
[ook: halmenhielenhout].
halmenhielenhout, zie halmalillehout.
hals, zie smijt.
halsen, met open – zeilen (gm2) · voor de wind zei-len.
halssaak (k) · misdrijf waar de doodstraf op stond.
hamey (ii,3) · verdedigingswerk: een hek met ijzeren
punten, dat in een gracht of doorgang kon worden
neergelaten.
hammans (ii,2) · doeken van een vast en dik weefsel,
gebruikt als omslagdoeken in het koude jaargetijde
en als handdoeken. Arabisch hamman = Turks bad.
Zie ook kersey in voce hummun.
hanakin (gm7) · heffing van de vreemde handel ten
bate van de stad Nagasaki en haar bewoners. Het
bedrag wisselde in de loop van de tijd [ook: fanna-gin].
handsalve (k) · geschenk, gegeven om iets gedaan
te krijgen.
handspaak (k) · korte houten boom aan de ene zijde
rond, aan de andere vierkant, gebruikt als hefboom
en soms als wapen.
hangmack (ii,3) · hangmat. Een etymologische scha-kel
van het Spaanse hamaca en Franse hamac naar
het Nederlandse hangmat.
hantering (gm2) · handenarbeid, waarmee men aan
de kost komt.
hapje (ii,1) · zeemansterm voor windvleugje.
harder (ii,1/t1/t2/gm2) · in de Aziatische wateren
veel voorkomende, haringachtige vis. Maleis balana.
Volgens kaempfer wordt ze ook in Japan gegeten
en heet daar makut. Zie ook de haan, Priangan II,
blz. 361 noot 8. T1: Engels mullet. T2: barbeel, mugil
kamada, karperachtige zoet- en zoutwatervis. GM2:
karperachtige rivier- en zeevis, mugil ramada, veel in
de buurt van Formosa gevangen [ook: balana, her-dervis,
makut, mugil].
hardsteen, zie arduin.
hari mulud (gm7) · feest ter gedachtenis van de ge-boorte-
en sterfdag van de profeet Mohammed op
de twaalfde van de derde maand van het maanjaar;
het werd, hoewel het eigenlijk geen officieel feest
van de islam betrof, in Indonesië alom gevierd.
Maleis hari = dag, mulud van het Arabisch maulid
[ook: herry moulout].
harp (i,2/ii,1) · schuinstaand rooster van traliegaas,
voor het zeven of harpen * van graan, specerijen en
zelfs buskruit. Thans ook gebruikt voor het sorteren
van grint, steenkolen, aardappelen. Duits Harfe,
Engels harp.
harpen (gm3/k) · GM3: zuiveren; zeven. K: het uit-zeven
van de onrijpe, verschrompelde peperkor-rels.
harpuis (i,1) · mengsel van dooreengesmolten hars,
lijnolie en vet, soms ook zwavel, om van schepen
masten, stengen * en rompdelen boven water te be-smeren
ter bescherming tegen houtworm en verwe-ring.
Oud-Frans harpois, Germaans hars en Frans
poix = pek. witsen noemt harpuis het werk, waar-mee
de naden gebreeuwd worden en leidt het, via
harpluis, af van herpluizen. Het woordenboek der
nederlandsche taal neemt aan dat dit berust op
een vergissing van Witsens drukker en dat harpuis
en harpluis twee verschillende woorden zijn. De
etymologische woordenboeken noemen ook beide
woorden. franck-van wijk: harpluis = werk om te
breeuwen.
harquebus (t2) · vuurroer.
harrang (ii,2) · zijdemarkt of verkoopplaats der zij-de
* in Bengalen. De versameling der woorden
spelt arengh en geeft als omschrijving: ‘een
Indiaanse insamelplaats off schuur, ook weeffplaats
in Bengalen’ [ook: arengh].
hasarderen (k) · risico lopen.
hasbal hockel, zie hasb-ul-hukm.
hasb-ul-hukm (ii,3) · keizerlijk bevelschrift, ‘expres-52
Hakim-bashi
se ordre’. De woorden vormen als regel de aanhef
van een keizerlijk document en betekenen letterlijk
‘volgens het bevel’ [ook: hasbal hockel, hosbul hoc-kum].
hasegay (ii,1/t2) · assegaai of werpspies. Het woord
stamt via het Spaans uit de taal der Berbers. (T2: het
Berberwoord is overgenomen door de Portugezen.)
Zie veth, blz. 129 e.v. [ook: tombak, tumbak].
hasilgeld, zie barotgeld.
haspelarij (gm3) · gebouw waar garen werd ge-sponnen.
haspeling (k) · gekrakeel, kibbelarij.
hatib, zie khatib.
hatibe, zie khatib.
havenen (gm1) · verzorgen, onderhouden.
havildar (ii,2/gm2) · hoge stedelijke autoriteit.
Volgens havart II, blz. 118, is de letterlijke ver-taling:
‘een perzoon, aan wien yets betroud is, doch
met dit woord wordt verstaan de opperste bestier-der
van een plaats’. Op hoofdplaatsen als Machili-patnam
was zijn macht zeer groot: ‘Den hawaladaar
ageerd als een souverayn; hij slaat dood, verzend
verhoogd, verlaagd, wien hij wil’. Zie verder
havart I, blz. 228-231; ook yule-burnell in voce.
Thans leeft dit woord nog als titel voor een onderof-ficier
der sepoys. GM2: hoogste stedelijke autori-teit,
gouverneur van een stad [ook: auweldaar, ha-weldaar].
haweldaar, zie havildar.
hayto, zie hai-tao.
haytou, zie hai-tao.
heddi, zie ahadi.
heer, op den – (gm1) · op krediet, op onderpand van
de van de heer (de werkgever) te ontvangen soldij.
In: ‘verkopen op den heer’.
heeresaai (i,2/gm1) · goede soort saai * . Zie woor-denboek
der nederlandsche taal op heerensaai.
GM1: soort licht gekeperde wollen stof.
hegt (gm9) · handvat.
hek (i,1) · achterwand van een schip, of het bovenste
deel van die achterwand. Ook deel van het schip
van de spiegel * tot de achtermast.
hekbalk (i,1) · verbindingsbalk tussen de beide zij-wanden,
achter aan het schip en dienende tot steun
van het hek * .
hekboot (i,1/gm5) · 1. klein zeilschip met vierkante
achtersteven; volgens à winschooten hetzelfde als
een kat-zonder-ooren * . GM5: zeilvaartuig met één
dek * , ronde boeg en vierkante spiegel * ; 2. de kleinste
sloep, die achteraan, bij het hek * van het schip, op-gehesen
werd.
hekbord, zie hakkebord.
hekstut (i,1) · knievormige stut met zogenaamde pa-pegaaisbek,
ter schraging van de einden van de
hekbalk * .
hemd, zie tolet.
herdervis, zie harder.
herdeutelen, zie bij deutel.
herideren (gm2) · deelnemen, deel hebben in.
herry moulout, zie hari mulud.
heyrtocht (k) · krijgstocht.
hing, hingo, zie asa foetida.
hittou (ii,1) · de buitenste zijde van de cocon van de
zijderups, die ruwer is dan de daaronder liggende;
ook de zijde van die cocons, welke door de vlinder,
bij het ontpoppen, reeds zijn doorgebeten. De juiste
Chinese naam is hi-t’ou, waarin hi = zijde en t’ou =
stuk of brok. Dit laatste woord, als suffix achter een
ander substantief geplaatst, krijgt de betekenis:
massa [ook: sitou, sittauw].
hocka, zie hokah.
hockelingen (gm7) · beginnelingen, onervarenen;
melkmuilen, jongvolk.
hockiel, zie wakkiel.
hockins (gm2/gm3) · GM2: zijden stof uit Tonkin.
GM3: zijden stof uit de provincie Hokkien, ten
rechte Fukien.
hockjes (i,2) · Chinese doeken of kleden, waarschijn-lijk
genoemd naar de plaats Hok-siu, die veel zijde *
uitvoerde.
hockom, zie hukum.
hockum, zie hukum.
hoeccum, zie hukum.
53
Houccum
hoedendrager (ii,3/gm7) · in Voor-Indië gebruikt
als aanduiding van een Europeaan. Hindustani
topiwala, van topi = hoed. GM7: Europeaan, chris-ten.
hoeker (i,1/gm3) · klein, platboomd vaartuig, meest-al
met twee masten, maar steeds met boven het dek *
uitstekende kajuit. GM3: tamelijk klein, rondge-bouwd
schip met platte bodem, soms met drie mas-ten.
hoekjen te boven komen (k) · probleem overwin-nen.
hoetelerij (gm7) · knoeierij.
hoetouwte, zie uti-uti.
hokah (gm8) · pijp waarbij de tabak door water
wordt ingezogen [ook: hocka].
holmes, zie baars.
hone (t3) · schade [ook: honje].
hongay, zie hongi.
hongi (ii,1/gm3) · vloot van gewapende prauwen of
kora-kora * in de Molukken, waarmee op comman-do
van de Compagnie eens per jaar ‘visite’ gehou-den
werd, ter extirpatie of uitroeiing van clandes-tien
aangeplante specerijbomen. GM3: Molukken-Maleis,
letterlijk: getier, geraas [ook: hongay; zie
ook: dati].
hongidienstplicht (a) · vorm van herendienst, roei-dienst
op de hongi * .
honje, zie hone.
hoofd (i,1) · dwarse, effenkleurige banen aan het uit-einde
van een doek.
hoofden halen (gm1) · koppensnellen.
hoofdofficier (gm7) · term, in zwang voor personen
die van hogere rang waren dan onderofficier.
hooploper (gm1) · jong matroos.
hoornwerk (iii/gm4/gm5/k) · soort verdedigings-werk,
bestaande uit een bastion als centrum, aan
weerszijden door een lange vleugel afgesloten.
GM4: buitenwerk van een vesting, vaak door een
brug daarmee verbonden. GM5: buitenwerk van
een vesting, namelijk een gebastioneerd front,
rechts en links afgesloten door een rechte vleugel.
K: langwerpige versterking loodrecht op de muur
met een bastion aan het einde.
hopou, zie hu-pu.
hoppo, zie hu-pu.
horry (ii,3) · op Surat de naam voor een klein open
vaartuigje, vooral gebruikt voor het verkeer tussen
de ree en de wal.
hosbul hockum, zie hasb-ul-hukm.
houccum, zie hukum.
houtkassie, zie cassia lignea.
houw, zie baars.
houw, ter – komen (gm7) · in de voc-taal gebruikt
als scheepsterm voor ‘terecht komen’.
houwkind (k) · houkind, een kind dat tot gedurige
last zal zijn.
hukum (gm2/a) · GM2: territoriaal hoofd op Terna-te.
A: rechter; titel van het dorpshoofd van Hatiwe,
in status van hetzelfde niveau als een patih * [ook:
hockom, hockum, hoeccum, houccum].
hu-pu (gm5) · aanvankelijk wellicht de aanduiding
voor elke ambtenaar die zich met financiën bezig-hield.
Door de Europeanen werd de aanduiding ge-bruikt
voor de in 1683 bij de hervatting van de over-zeese
handel ingestelde zeedouaneambtenaren,
waarschijnlijk omdat één van de eerste dergelijke
ambtenaren in Fukien vice-president van het depar-tement
van Financiën was: hu-pu lang-chung [ook:
hopou, hoppo].
hurke (gm2) · vrachtschip. Portugees hurca. Mogelijk
is er enige samenhang met het noordelijker
scheepstype hulk.
hut (i,1) · woonvertrek voor de scheepsofficieren,
meestal gelegen onder het campagne * dek en boven
de kajuit. In de laatste woonde de schipper of kapi-tein
en soms een hooggeplaatste passagier.
Spreekwoord: ‘als het regent in de kajuit, drupt het
in de hut’.
huysbeeck, zie eusbeycken.
I
ianitsijn (gm7) · ‘stedehouder’.
ichibu (ii,1) · kleine gouden munt in Japan ter waar-de
van
1
Ú 4 koban * . Zie nachod, blz. 135 met noot 7
[ook: itceboi, itzebu].
54
Hoedendrager
55
idjuk, zie gumut.
igmissie (ii,2) · uitvoerrechten op Pulicat [ook: jig-mettie;
zie ook: digmettie].
ijzerhout (ii,1) · algemene naam voor verschillende
hardhoutsoorten. Maleis kaju-besi.
ikery (gm6) · pagode * gemunt te Ikkeri, de vroegere
hoofdstad van Canara of Bednur; de waarde was
rond 1705 2 rijksdaalder * of 6 gulden * , in 1732
7
Ú 8
rijksdaalder.
ikje (ii,1) · Japanse lengtemaat van 6 voet * 3 duim * ,
dat is 3 Nederlandse el * , 1,909 meter.
illico (gm3) · op staande voet, dadelijk, terstond.
Latijn ilico.
illipiboom (gm11) · waarschijnlijk de in India in-heemse
boom bassia longifolia. De zaden van deze
boom leveren illipévet of -boter.
illuderen (gm2) · bespotten.
imam (gm2) · de voorganger bij de salat (de rituele
godsdienstoefening die de islam vijf keer daags
voorschrijft). Bij uitbreiding kreeg het woord de be-tekenis
van leider van de moslimgemeenschap. In
Jemen is het de titel van de Arabische vorst, die
sinds ongeveer 1630, toen de Turken uit het land
werden verdreven, regeerde [ook: imman].
imbuëren (gm7) · beïnvloeden. Van het Franse imbu.
imman, zie imam.
immersi bassi, zie mir shikar bashi.
impediment (gm1) · moeilijkheid, verhindering, be-zwaar,
belemmering.
impetreren (gm2) · bij de overheid vorderen.
impideren (gm4) · bemoeilijken, verhinderen [zie
ook: impediment].
imploijeren (k) · employeren.
imponeren (gm6) · 1. opleggen, schuiven op; 2. plaat-sen
in. Latijn imponere.
importeren (k) · bedragen.
importun (gm9) · lastig, onwelkom.
improberen (gm3/gm9) · afkeuren [ook: inprobe-ren].
imputeeren (k) · toerekenen.
incarnadin (gm1) · vleeskleurig.
inchiado (ii,2) · eetbare wortelknol van een cassave-soort.
Zie kern I, blz. 229, en yule-burnell in voce
yam [ook: inhamos, iniamos].
inclineren (k) · neigen tot.
incontinenti (gm4) · onmiddellijk volgend, ineenlo-pend.
indagatie (gm7) · dagvaarden. Van indagen.
indageren (gm6) · naspeuren, opsporen. Latijn in-dagare.
indigna (gm11) · inboorling.
indigo (ii,3/p/gm1) · de diverse soorten van indigo
werden aangeduid naar de plaats van herkomst: in-digo
d’Agra, indigo de Biana (plaats nabij Agra), in-digo
Chatigam (van Chittagong), indigo-Cirques,
Serquis of Sirchees (van Sharkej), indigo-Gengeli
(van Gingeli), indigo-Laura of Lawro (van Lahore),
indigo-Aldergellasi (?), etc. [zie ook: anil, getty, nila,
pappery].
inditie (gm1) · aanwijzing.
inductie (gm2) · aansporing.
indulgentie (k) · toegeeflijkheid.
industan, grote – (gm1) · de groot-mogol.
infallibelijck (gm1) · zonder mankeren, zonder fa-len.
infesteren (gm1/k) · GM1: kwellen, overlast aan-doen,
verontrusten. K: vijandelijk aantasten.
influeren (gm4/k) · GM4: insluipen. K: tussenvoe-gen.
infractie (gm1) · overtreding.
ingabey, zie ngabehi.
inhamos, zie inchiado.
inheridenten (gm4) · innig verbondenen.
inhoudsmaat (i,1) · een mingelen * is 1,2 liter, of
1
Ú 2
stoop * , of 2 pint * , of 8 mutsjes * . Een aam * is 128 min-gelen
of 153,6 liter, dat is 2 halfaam * , of
2
Ú 3 okshoofd * ,
of
1
Ú 4 toelast * .
Inhoudsmaat
inhouten (i,1) · de ribben of het geraamte van een
schip, zowel de spanten * als de dwarsverbindingen
daartussen. Hij is goed van inhouten: hij is een ste-vige
baas.
iniamos, zie inchiado.
inicq (gm1) · onrechtvaardig.
iniquiteijt (k) · ongerechtigheid.
injungeren (iii) · voorschrijven, bevelen. Latijn in-jungere.
injurien (k) · schadelijke inwerking.
inkomen (i,1) · de binnenwaartse ombuiging van de
zijwanden van een schip; de ronding van de dwars-doorsnede.
Het verschil tussen de grootste breedte
van de scheepsromp en de breedte aan dek * is het
inkomen.
inproberen, zie improberen.
insinuatie (k) · officiële aanzegging, vordering.
installig (i,2/ii,1) · 1. ongewild. In de uitdrukking
‘installig maken’: zijn marktwaarde doen verliezen.
Men kon een artikel installig maken, door er kwaad
van te vertellen. Een door zeewater beschadigd arti-kel
was installig geworden; 2. ongeïnd. Installige
schuld is schuld, die men nog te vorderen heeft.
insteren (gm1) · insisteren, erop aandringen.
intchie, zie entjik.
interdiceren (gm2/k) · GM2: tussenbeide komen,
ten voordele van iemand spreken. K: verbieden.
interloper (i,2) · Oost-Indiëvaarders die buiten de
Compagnie om handelden; het typisch Hollandse
equivalent is lorrendraaier * . Engels, letterlijk: beun-haas
[ook: enterloper].
internet (i,2) · internette parels stonden tegenover
ronde parels van zuivere vorm. Een parel heeft al-leen
dan een zuiver ronde of ellipsvormige gedaan-te,
als ze los heeft gezeten tussen de spieren of het
weke lichaamsgedeelte van de oester. Heel dikwijls
echter zitten de parels vast aan de binnenkant van
de schelp en soms zijn ze zelfs geheel of grotendeels
door het parelmoer ingesloten; dat zijn dan inter-nette
parels. Zitten ze óp het parelmoer, dan is de
zuivere vorm door het aanhechtingspunt verbro-ken;
zitten ze er half in, dan kan men het uitsteken-de
deel afzagen en krijgt dan de halfronde parel of
perle-bouton.
intje, zie entjik.
intricaat (gm5) · ingewikkeld.
inult (gm1) · ongewroken, zonder wraak.
invalesceren (gm1) · toenemen in waarde, in
kracht.
invidie (k) · afgunst.
iopenbier, zie jopenbier.
ishik agasi bashi (gm6) · hoofdportier, tevens cere-moniemeester.
itceboi, zie ichibu.
itereren (k) · herhalen.
i’timad ud doulet (ii,3) · Perzische titel, grootvizier
of ‘vertrouwder des rijcx’ [ook: achmael douleth, at-tumaed-
douleth, octemael-doulet; zie ook: dou-leth].
itzebu, zie ichibu.
J
jaarschaer (i,2) · jaaroogst. Zie verdam-verwijs op
schare.
jaats, zie jAts.
jabonhout (gm6) · hout van de sarcocephalus
cordatus. Javaans djabon.
jachtan, zie yakhdAn.
jacktantiën (gm7) · grootspraak, opsnijderijen.
Frans jactance.
jagasura (gm9) · bewoners van bepaalde dessa’s die
zijn vrijgesteld van belasting om een graf te onder-houden.
jagerero’s (gm7) · suikerboeren.
jageroskaste (gm9) · kaste * van de palmwijntappers.
Wahumpuraya.
jagersuycker (k) · ruwe suiker.
jaggery, zie jagru.
jagir (gm6) · apanage. Perzisch [ook: sjagier].
jagru (gm7) · klappersuiker [ook: jaggery].
56
Inhouten
jalaelsy (ii,3) · eenvoudige lijnwaden uit Gudjarat,
genoemd naar de plaats Jalaelpore. Ook de gecom-bineerde
naam jalaelsy-sellem komt voor. Dit laat-ste
deel, dat ook in bijvoorbeeld bafta * -sellem ge-vonden
wordt, houdt Stapel voor identiek met
chela * [ook: jalaessy].
jalaessy, zie jalaelsy.
jalba, zie gelias.
jalia, zie gelias.
jalor, zie djalur.
jambok, zie almadia.
jammama (gm3) · soort hert in Siam en Cambodja;
geen eland.
jang di pertuan (gm7) · gebruikelijke titel voor een
vorst. Maleis, ‘hij, die heer is over’.
jAti (k) · hiërarchisch geordende groep waaruit een
sociale gemeenschap in Malabar was opgebouwd.
jAts (gm7) · roerige volksgroep (Noord-India) [ook:
jaats].
jaxa, zie djaksa.
jelias, zie gelias.
jemadar (gm4/gm7/gm8) · GM4: hoofd van de poli-tie,
ook wel landvoogd (Noord-India). GM7: ambts-titel
in Bengalen met niet steeds dezelfde betekenis,
meestal een hoofd van de politie. GM8: hoofd van
de politie, speciaal van de bereden politie [ook: sie-midaar,
sjemmedaer].
jentief, zie gentief.
jentivo, zie gentief.
jermang, zie sarnang.
jigmettie, zie igmissie.
jijn, zie bij jijnblok.
jijnblok (t2) · blok met drie of meer schijven, dat
wordt gebruikt voor het vormen van een jijn: een
zwaar takelgestel, bestemd voor het optillen van
lasten.
jizya, zie djizjah.
joffer (i,1) · 1. lange dunne paal of spriet; 2. houten
blok of katrol zonder schijven, maar met drie of vier
gaten om de touwen door te laten [ook: gaetschijf].
jolfalijnen, zie bij djulfa.
jonk (ii,1) · groot Chinees zeilschip met drie masten
en een zeer hoog en breed achterschip. Verbastering
van het Indonesische woord djung. Zie ook yule-burnell
in voce junk.
jonkan, zie chungam.
joosjesthee (i,2) · de meest uitgelezen thee * . Naar
dju-si = het Boeddhahuisje op een Chinees altaar
[zie ook: josies].
jopenbier (iii) · dik, moutrijk, donker bier, dat als
middel tegen zwakte en bloedarmoede gold.
Genoemd naar een straat in Dantzig [ook: iopen-bier].
josies (t2) · God. Portugees deus. Joosje was een
volksbenaming voor de duivel en een aanduiding
van Hollandse zeelieden voor Chinese beeldjes van
halfgoden.
jouisseren (gm4/k) · GM4: genieten. K: het genot
hebben van.
joukick, zie yu-chi chang-chün.
jouroebassa, zie djurubahasa.
juffer (t3) · rond blok * met bolle zijden gevat in een
touwstrop of in een ijzeren beslag. Aan boord van
een schip gebruikt voor het stijf zetten van staand
want [ook: jufferblok].
jufferblok, zie juffer.
jure datchyn, zie djuru datjing.
jure tullis, zie djuru tulis.
K
kaag (i,2) · typisch Nederlands platboomd vaartuig
voor de binnenvaart, met sprietzeil en een of twee
fokken * .
kaak (t1/t2) · T1: rukwind. T2: bui, opkomende har-de
wind [zie ook: haak].
kabaja (gm4/gm5) · GM4: lang, ruim, van voren met
spelden of knopen dichtgemaakt vrouwenover-kleed.
GM5: in het Arabisch en Perzisch een lang
opperkleed met mouwen voor mannen [zie ook:
casack].
57
Kabaja
kabal (a) · ‘zwarte’ magie waardoor een persoon on-kwetsbaar
kan worden voor zijn vijanden.
kadel (ii,3/gm2) · ledikant of ‘veldkoets’. Het is een
in de zeventiende en achttiende eeuw veelgebruikt
woord in het Indisch-Nederlands, klaarblijkelijk
overgenomen uit het Tamil kattil (yule-burnell).
Thans is het in Indië uitgestorven, doch schijnt in
Zuid-Afrika nog te leven. GM2: rustbank, bed,
baar. Van het Malayalam kattil [ook: catel, catil].
kadi (ii,2/p/gm7) · rechterlijk ambtenaar. P: vrede-rechter
of politierechter in Mohammedaanse lan-den;
ook civiele zaken werden door hem berecht.
Uitgesproken als kazie. Zie yule-burnell in voce
cazee. GM7: de rechter volgens het godsdienstige
recht [ook: cady, cagie, cazy].
kadjang · 1. gevlochten palmblad [ook: cadjang; zie
ook: kajang]; 2. katjang * .
kaffer (iii/t1) · de populaire naam voor de ‘dieffley-ders’
van de fiscaal * , zoals men in Holland sprak
van de ‘rakkers’ van de schout; koddebeier. Het wa-ren
meest gespierde negers uit Angola of
Mozambique. De naam kaffer betekent heiden, vgl.
Arabisch kafir = ongelovige, niet-Mohammedaan.
kafilah (ii,2/ii,3/p) · 1. karavaan van lastdieren.
Van het Perzisch karavan; het Arabische kafilah heeft
een meer uitgebreide betekenis, zie hieronder [ook:
caffel]; 2. een vloot handelsschepen. Zie yule-bur-nell
in voce cafila en kern I, blz. 33 noot 4.
kaimal (gm6/k) · GM6: ‘vrijheer’, een meestal erfe-lijk
hoofd bij de nairos. K: titel van een naduvazhi *
[ook: caimael].
kain (ii,1/ii,2/p) · algemene naam voor doek, lijn-waad;
kain gulung is opgerold doek, aanduiding
voor gordijn. Waarschijnlijk hetzelfde als govers * .
Zie ook rouffaer-juynboll, blz. XXIV [ook: cay-en].
kaitsili (a) · Noord-Molukse term voor prins [ook:
quitchil].
kajang (t3) · gevlochten matten van diverse planten-vezels,
onder andere gebruikt als dakbedekking.
Maleis [zie ook: kadjang].
kaju putih (gm6) · without, de vooral op Buru voor-komende
melaleuca leucondendrum, waaruit een ge-lijknamige
aromatische, pijnstillende olie wordt ge-stookt.
Maleis.
kakap (gm6) · inheems vaartuig, kleiner dan een go-rab
* .
kakéan (a) · animistisch religieus genootschap van
mannen op West-Ceram [ook: kakihan].
kakihan, zie kakéan.
kalambak (ii,1/t1/t2) · 1. hars uit de aloëboom * . T1:
fijnste soort aloë of agelhout * , sterk en aangenaam
riekend, in reukwerk en als medicijn gebruikt. T2:
afkomstig uit het koninkrijk Champa. Zie kaemp-fer,
blz. 468 [ook: calimbacq]; 2. de gedroogde wor-tel
van de Chinese rabarber, in Indië veel als laxans
gebruikt. Javaans kalémbak. Zie rhubarb bij milburn
II, blz. 516-517, en kern II, blz. 36-37 [ook: kelam-bak,
rabarber].
kalangs (gm4) · speciale, zich apart houdende groep
van de bevolking van Java, die verplicht was voor
de vorsten van Mataram in de bossen hout te kap-pen
en te vervoeren [ook: calangers].
kalantar (ii,3/gm4) · burgemeester in Perzië; ook
hoofd der politie. Zie hotz, blz. 45 noot 4. Letterlijk:
groter, major.
kalbas, zie kalebas.
kalebas (ii,1) · flesvormige vrucht van de cucurbita
pepo, Maleis labu, uitgehold als fles te gebruiken
[ook: kalbas].
kalfaten (t2/gm4) · breeuwen, scheepsnaden dich-ten
met werk (gepluisd touwwerk) en pek.
kaluway (a) · werpspies [ook: calaway, calewey, cal-leway].
kamelot (ii,1) · barkan * [zie ook: grein].
kamer (i,1/ii,1)) · 1. I,1: afgesloten deel van een dek *
of ruim; broodkamer, constabelskamer, kruitkamer
etc. Met kamer, zonder meer, wordt meest de con-stabelskamer
bedoeld; 2. I,1: vernauwing achter in
de ziel van een kanon, waarin de kruitlading ligt.
II,1: de ruimte in een kanon, waarin de lading ont-brandt;
3. II,1: kort, groot geweer, of klein kanon.
kamfer baros (t1) · eerste kwaliteit kamfer.
Afkomstig van Baros op West-Sumatra.
kampo, zie kung-pu.
kampung (a) · nederzetting, dorp [ook: campon].
kan (k) · basisinhoudsmaat voor vloeistof, 1,51 liter.
kanari (gm4) · fraaie boom, voor wegbeplanting ge-bruikt,
canarium commune.
kanasser, kanaster, zie canaster.
58
Kabal
kanban (gm7) · woord dat bij de VOC gebruikt werd
voor de verkoop van haar waren door haarzelf en
niet door Japanse tussenpersonen. In Japan zelf be-tekent
het uithangbord van een handelshuis [ook:
cambang].
kandeel (i,2/t2) · bekende drank voor kraamvrou-wen.
T2: warme drank bereid uit melk of wijn met
eierdooiers, suiker en kaneel.
kandeelskop (i,2) · porseleinen kop, waaruit kan-deel
* werd gedronken [ook: cameelskom; zie ook:
kandeel].
kandijl (ii,2/ii,3/k/gm2) · 1. last, zoveel als een
span ossen dragen kan. Volgens valentijn V, 1,
blz. 70 is dat 480 pond * , ‘doch van mineraal 520
pond’; volgens havart I, blz. 187, is een kandijl op
Machilipatnam 480 pond, op Golconda 520 pond.
havart III, blz. 26 zegt: ‘ijder os draagd twee hon-derd
veertig ponden’. Eenmaal was er sprake van
540 pond en van 690 pond. Zie ook yule-burnell
in voce candi. K: 470 of 500 Amsterdamse pond.
GM2: 1 kandijl = 4 pikol =
1
Ú 5 last [ook: candil, can-dyl];
2. II,2: een landmaat, en wel oorspronkelijk
zo’n stuk land, dat verondersteld werd een kandijl
graan op te brengen; volgens yule-burnell gemid-deld
75 acres, wat ruim 30 hectare zou zijn. Het lijkt
uitermate onwaarschijnlijk dat zo’n groot stuk land
maar 500 pond graan zou opbrengen [ook: candi].
kanduruan (gm7) · titel van een hoofd van vrij lage
rang in de Sunda-landen.
kaneel, zie bij cassia fistula en cassia lignea.
kaneel de matte (ii,2/k) · minderwaardige kaneel-soort,
hoofdzakelijk uit Malabar afkomstig.
Portugees canella da matta. Zie kern II, blz. 18-19. K:
kaneel van veel mindere kwaliteit dan de Ceylonse,
maar hij kon de markt drukken. De Compagnie wil-de
hem daarom in handen krijgen. Canella de mato
[ook: boskaneel, kaneel (wilde –)].
kaneel, wilde – , zie kaneel de matte.
kannegie (ii,3) · Perzische zijde van inferieure kwali-teit
[ook: kannekije].
kannekije, zie kannegie.
kannekijns (ii,1) · fijne witte katoenen doeken.
Portugees canequim. Zie rouffaer-juynboll in vo-ce,
en kern I, blz. 42 [ook: cannegums, cannequins].
kantig (i,2) · droog, bros; van foelie * gezegd, die
door verkeerde emballage was uitgedroogd en
daardoor ook haar geur verloren had [ook: brijse-lijk,
korstig; zie ook: sokkel].
kapas (a) · katoen.
kapitan (a) · oorlogsleider van de dorpsgemeen-schap
[ook: cavaljeer].
kapitein des armes (iii) · opziener van het tuighuis,
officier van bewapening. Frans capitaine d’armes [zie
ook: scheepskorporaal].
kapitein-chinees (gm6) · hoofd van de Chinezen;
geen militaire rang.
kapitein-laut (ii,1) · hoofdman der zee. Inheemse
naam voor vlootvoogd [ook: capitan-laoet].
kapoen, zie kappan.
kappan (p) · Perzisch weegwerktuig, bestaande uit
een ijzeren staaf, waarlangs een gewicht werd ge-schoven.
De te wegen goederen werden aan het
kortste eind van de staaf, die op een spil rustte, op-gehangen
[ook: capon, capou, kapoen].
kara (k) · lokale eenheid of buurtschap waarin de
nairos * waren georganiseerd (Cochin).
karaat (ii,1) · gewichtseenheid gebruikt bij het we-gen
van edele metalen, gelijk aan
1
Ú 24 mark * en onder-verdeeld
in 12 grein * . In de diamanthandel was een
karaat 4 grein of ruim
1
Ú 5 gram. Voor de etymologie
zie yule-burnell in voce carat.
karaëng (ii,1) · Makassarse titel, uitsluitend gevoerd
door afstammelingen van vorsten en regentenfami-lies,
scherp afgescheiden van de mindere hoofden,
de daëngs. Bonisch arung [ook: carran, crain; zie
ook: arung].
kAranavan (k) · oudste man in een taravad * ; hij oe-fende
het legale gezag uit en had de dagelijkse lei-ding.
karavanserai (ii,3/p/gm6) · de herberg der karava-nen.
Zie uitvoerig dunlop, blz. 733 noot 3. Het
Perzische sera of serai betekent naast herberg ook
paleis, groot gebouw; het Franse sérail komt daar-vandaan.
GM6: rusthuis voor karavanen en reizi-gers
[ook: carawansera, carruansera].
karbeel (i,1) · stut; stuk hout dat een balk onder-steunt
of tot verbinding van ribben * en andere delen
dient.
kardeelblok (t3) · zwaar blok * , aan boord van een
zeilschip gebruikt voor het doorscheren van het
kardeel: de reep (kabel) waarmee de onder-ra’s *
worden opgebracht of gestreken.
kardoes (gm3) · met buskruit gevuld papier.
59
Kardoes
karet (ii,1) · schildpadshoorn. Het echte karet komt
alleen van de chelonia imbratica, die veel voorkomt
in de Molukken en de wateren van Celebes. Het
oorspronkelijk Caraïbische woord is door de
Spanjaarden uit West-Indië naar Oost-Indië overge-bracht
[ook: corret, tartaruga].
karicams (i,1/ii,1) · eenvoudige effen rode of blau-we
doeken, ‘doch de roode d’aelderbeste begeert’
(stalpaert, carycams). Meest afkomstig uit
Gudjarat. Zie rouffaer-juynboll in voce.
karsaai (ii,1/p) · grof gekeperd laken. Engels kersey.
P: volgens curzon II, blz. 534 noot was dit een soort
wollen doek, ‘which received the name from the
village of Kersey in Suffolk, where the woollen tra-de
had been established by a colony of Flemings’
[ook: carsay, carsaey; zie ook: saai].
karvary, zie legia.
karveel (i,1/gm3) · 1. rondgebouwd, klein, snelzei-lend
vaartuig. Spaans caravele is het verkleinwoord
van caraba, vergelijk ook het Arabische kârib = bark
en het Latijnse carabus. Zie yule-burnell in voce ca-ravel.
GM3: snelzeilend scheepje met smalle boeg
en breed achtereinde [ook: caravel]; 2. vracht of la-ding;
3. een zwaar blok (katrol) met koperen of
palmhouten schijf.
kas (i,1) · kist, bijvoorbeeld voor kaneel.
kasid (gm4) · koerier, boodschaploper. Arabisch.
kasisi (gm4/a) · GM4: op de Specerij-eilanden een
lage moskee-beambte. A: verzamelwoord voor isla-mitische
voorgangers [ook: cassise, kassijs].
kasje (ii,1/t1/gm1/a) · duit * ; klein tinnen muntje. In
Japan was 1 taël * 550 kasjes. Nog thans worden de
Chinese duiten in Pidgin-Engels cash genoemd. Van
het Indisch-Portugese caixa = tinnen geldstuk. Zie
yule-burnell in voce cash en kern I, blz. 78. T1: in
geheel Zuidoost- en Oost-Azië gebruikt geldstukje
van geringe waarde. GM1: zeer kleine munten, in
de Archipel gebruikt, aanvankelijk van koper.
Anders dan paulus II, blz. 798 (in voce muntwezen)
zegt waren ze voor 1633 reeds van lood in gebruik.
A: koperen of loden muntje van Chinese oorsprong
[ook: caixa, casken, pitje].
kassie, zie cassia.
kassijs, zie kasisi.
kaste (k) · hiërarchische status die in India de sociale
structuur bepaalde. Zie s’jacob, XXV-XXIX.
kasumba (ii,1/t3) · oranjerode bloem van de cartha-
mus tinctorius, gebruikt als verfstof voor katoen en
draden, als medicijn, en als surrogaat van saffraan
om spijzen te kleuren. Maleis. Zie muller, blz. 267,
yule-burnell in voce safflower, en milburn I, blz.
310. T3: rode bloem van de bixa orellana, gebruikt als
verfstof, medicijn of kleurstof. Maleis kesuma [ook:
cassomba; zie ook: galiga].
kat (i,1/gm3) · klein zeilvaartuig met één dek * en
ronde boeg – waarvan de vorm aan een kattekop
doet denken –, vooral gebruikt om op een rede lig-gende
schepen te laden of lossen; soms ook kat zon-der
oren genoemd. GM3: vaartuig tussen een fluit *
en een boeier, een traag schip dat veel lading kon
innemen [ook: katschip].
kat zonder oren, zie kat.
kati (i,2/gm9/a/t4) · gewichtseenheid,
1
Ú 100 pikol * of
ongeveer 6 hectogram. GM9: kati op Banda weegt 5
3
Ú 4 pond * . A: gewichtseenheid van 625 gram. T4: een
van oorsprong Chinees gewicht dat stond voor 16
taël * ,
1
Ú 100 pikol of circa 6 ons. Maleis käti [ook: catsy,
catti, cattij].
katjang (i,2/ii,1/t4) · 1. boon, erwt; algemene naam
voor peulvruchten. Maleis [ook: cadjang; zie ook:
kitserij]; 2. groene boon, erwt, meegenomen op de
voc-schepen als victualie [ook: kadjang].
katju, zie catechu.
katoep, zie ketupat.
katschip, zie kat.
kattespoor (i,1) · inwendige verdubbeling der span-ten
* , boven het kolsem * langs, ter versteviging van
het geraamte van een schip.
kauen (t4) · scheldwoord, vermoedelijk afgeleid
van cauwaart: slappeling; of van iets niet kunnen
kauwen: zeuren.
kauja’s (t4) · soort provisie.
kauwa (k) · koffie. Arabisch kahwa.
kayiru (ii,2/gm1) · de vezels van de klapperboom.
Zie yule-burnell in voce coir, en milburn I, blz.
278. GM1: de vezel van de kokosnoot, voor touw-en
vlechtwerk gebruikt [ook: cair, cairo, cayer].
kayirutouw (ii,2) · touw gemaakt van de klapperve-zels
[ook: cayerdraat, cayertouw; zie ook: kayiru].
kayo lacko, zie cayolak.
kazbegi (p) · Perzische koperen munt ter waarde van
1
Ú 2000 thoman * , circa 2 cent.
60
Karet
61
kebun (a) · tuin, aanplant [ook: combon, coubon].
kedgeree, zie kitserij.
kedgoda pessend (ii,3) · zijde * van zeer goede kwali-teit.
Het is deze soort die in de contracten der
Compagnie steeds geëist wordt. Zie vooral hotz,
blz. 156 noot, en heeres-stapel, passim. Perzisch
kedkhoda pasand [ook: catgoda passant].
keel (gm1/k) · GM1: de zijde van de bastions, waar-mee
ze gemeenschap hebben met het inwendige
van een vesting. K: binnen- of stadszijde van de
punt.
keizerssteden (gm2) · in Japan waren vijf keizerlijke
steden, Miako (= Kioto), Jedo (= Tokio), Osaka,
Sakaya en Nagasaki.
keladi (ii,1) · plant van de familie der araceae, waar-van
de wortelknollen, gekookt of gebakken, in tal
van Aziatische landen een veelgebruikt voedings-middel
zijn. Maleis; Javaans tales.
kelambak, zie kalambak.
kelapa (a/t3) · A: klapper, kokospalm. T3: kokos-palm,
klappermelk. Maleis [ook: clappes, clappus].
kelder (k) · kist met vakken waarin flessen passen.
keliling (a) · omlopend, rondgaand [ook: coeliling].
kemanakan (gm9) · zusterszoon [ook: commenack-an].
kembang telang, zie foula krika.
kepala (a) · hoofd [ook: capalle].
kepala soa (a) · hoofd van een soa.
kermès (p) · cochenille. Perzisch kermès = rood, afge-leid
van kerm = worm.
ketah-kenari, zie elemi.
ketjap, zie soja.
ketjil (gm1) · titel die personen van vorstelijken
bloede voeren. Ternataans [ook: chil].
ketsier (ii,2) · een der minste kwaliteiten Bengaalse
zijde * .
kettutengu (k) · schatting over kokospalmen die de
madambi’s * betaalden aan de radja’s * .
ketupat (a) · rijst * in kokosbladeren gekookt [ook:
katoep].
khalat (p) · erekleed. Vorsten, vorstelijke personen
en zeer hooggeplaatste personen (zoals de provin-ciale
gouverneurs) schonken aan aanzienlijke amb-tenaren
en vreemdelingen mantels van kostbare
stof benevens een daarbij passende tulband, als te-ken
van tevredenheid. Ook directeuren van de
VOC werden op die wijze onderscheiden. Wanneer
de sjah * zeer buitengewoon tevreden was nam hij
zijn mantel van zijne eigene schouders en bekleed-de
daarmee degene die hij onderscheiden wilde
[ook: chalatt, galatten].
khan (ii,3/p) · suffix achter namen van aanzienlijke
personen, betekenis: heer. Oorspronkelijk een
Tataars-Mongoolse titel voor stamhoofden (verge-lijk
Djengis Khan). De sultan van Turkije voerde on-der
meer de titel van khan. In Perzië is khan thans
een door de sjah * veelvuldig toegekende titel, onge-veer
als esquire. Zie hotz. Het wordt op dezelfde
wijze gebruikt als beg, en naast beglerbegi * staat
khankhanan * = heer der heren, titel voor een leger-aanvoerder.
Uitspraak chan, met Nederlandse ch
[ook: chan; zie ook: beglerbegi].
khan baffy (p) · een kwaliteit van zijde * .
khankhanan (ii,3) · ‘heer der heren’, titel voor een
legeraanvoerder [ook: chan channa].
khansaman (gm7) · ‘’s konings financier’; hofmees-ter,
thans in betekenis afgezakt tot eerste huisbe-diende.
Perzisch [ook: chansamaan].
kharbar, zie khervar.
khatib (a) · islamitische voorganger die de vrijdagse
preek in de moskee verzorgt [ook: chatib, hatib, ha-tibe].
khervar (p/gm4) · P: ezelsvracht; GM4: ezelsvracht
van 294
1
Ú 2 kilogram [ook: charibar, kharbar].
khervari, zie bij legia.
khlang (gm2/gm9) · GM2: loods, hal. Siamees.
GM9: koninklijk departement [ook: clang].
khlang-nay (gm9) · hoofd van een khlang * of ko-ninklijk
departement belast met een bepaalde taak,
zoals in- en verkoop van goederen; nay is hoofd of
heer (Siam).
khlang-officieren (gm7) · ‘hofskooplieden’ (Siam).
khodja, zie chodja.
khram, zie khrom.
khrom (gm9) · kamer of departement binnen de ko-
Khrom
ninklijke administratie (Siam) [ook: crommetha,
khram].
kiatehout (ii,2/gm1) · GM1: djatihout of teakhout,
van tectona grandis. II,3: het woord is ontstaan uit de
samenkoppeling van het Soendanese ki = boom en
jati = djati. Zie ook de haan, Priangan II, blz. 11
noot 4 [ook: cajati, quatihout, teeckenhout].
kidolesen (gm4) · bergbewoners van het zuiden van
West-Java. Javaans kidul = zuiden.
kielhalen (i,1) · 1. zware straf aan boord waarbij de
gestrafte aan het ene boord in zee werd geworpen,
onder de kiel doorgehaald en aan het andere boord
opgetrokken. Om hem voldoende te doen zinken
werden de benen met lood bezwaard; 2. krengen * .
kielschwein, zie kolsem.
kieselbassen, zie kizil-bash.
kikker, zie knecht.
kil (ii,1/t2/gm1) · waterloop, diepte, inham, geul
tussen inhammen of ondiepten.
kiladAr (gm6) · garnizoens- of fortcommandant
(Coromandel) [ook: killedaar].
kilang (a) · gedestilleerde drank op basis van water,
suiker en kruiden.
killedaar, zie kiladAr.
killekare, zie kUliccakkaran.
kim (i,1) · oorspronkelijk rand, gordel. Ook de ban-den
om een vat, evenals een stevige omgording om
de buitenwand van een schip tussen kiel en buik
heetten kimmen. Dan de bocht in een buikstuk * of
vrang. Overdrachtelijk voor gezichtskring, horizon.
kimelaha (ii,1) · inheemse titel, bij de Compagnie
gebruikt ter aanduiding van een vertegenwoordi-ger
van de sultan van Ternate in landstreken buiten
dit eiland gelegen; stadhouder. Thans duidt men op
Ternate daarmee slechts een kamponghoofd aan.
Zie stapel II, 1, blz. 116 noot 3 [zie ook: salahu-kum].
kimmegang (i,1) · stevige verbinding van brede plan-ken
tussen kiel en buik van een schip [zie ook:
gang].
kimmeweger (i,1) · stevige balk die de kim * – hier in
de betekenis van buikstuk * – draagt.
kimptouans (t1) · gouden lakenen [ook: simptou-ans].
kinjo (ii,1) · een schuitje zilver (zie schuitgeld).
Japans, letterlijk: schoen.
kinnebaksblok (t3) · éénschijfs-blok * , waarvan het
huis aan één zijde ten dele open is. Aan boord van
een schip gebruikt om lopers langs gewenste plaat-sen
over dek * te leiden.
kipatih (a) · titel van een dorpshoofd, in status min
of meer gelijk aan een radja * [ook: quipattij].
kipper lont (gm9) · band die bepaalde soorten koop-waar
bijeenhoudt.
kiriman (a) · (liefdes)boodschap [ook: krieman].
kishmish (p) · krenten. Perzisch.
kitab (a) · boek [ook: citap].
kitasol, zie quitasol.
kits (gm5) · tweemastig, vierhoekig vaartuig. Engels
ketch.
kitscha (ii,3) · de dop der koffiebonen in Arabië [zie
ook: kitser].
kitser (ii,3) · een Arabische volksdrank, gemaakt
van een aftreksel van kitscha * vermengd met wat
rozenwater.
kitserij (i,2/gm9) · katjang * . Thans de Engels-Indische
naam voor gekookte rijst * . GM9: Indisch
gerecht bestaande uit onder andere gespleten erw-ten
en bonen. Hindi khichri [ook: kedgeree].
kitsouroan (gm4) · Maleis kjahi djuruan of suruhan:
bode, gezant, afgezondene [zie ook: kjahi].
kittesol, zie quitasol.
kizil-bash (p/gm2) · P: geregelde troepen van sjah *
Abbas in Perzië. Letterlijk: roodmutsen. GM2:
roodkop, de spotnaam door de Turken gegeven aan
de kurtji’s, de leden van de grenswacht, die een be-voorrechte,
erfelijke militaire groep vormden en die
een hoge rode muts droegen [ook: kieselbassen; zie
ook: kurtji-bashi].
kjahi (ii,3/gm6) · hoge Javaanse titel. GM6: in
Bandjarmasin de titel van territoriale hoofden, dis-trictshoofd
[ook: quey].
klafter (gm4) · vadem * [ook: lachter].
62
Khrom
kleed (i,1/p/a) · 1. textiel, in vele soorten; dit vorm-de,
hoofdzakelijk komend van de kust van
Coromandel (kustkleden), het voornaamste ruil-middel
van de Compagnie. Zij werden in Oost-Indië,
Perzië, Arabië en Europa verkocht. De gelijk-namige
soorten, in verschillende plaatsen gemaakt,
weken af in kwaliteit, kleur en afmetingen. De ma-ten
werden uitgedrukt in cobido’s * . De weefsels
(drie- of vierdraads) en de kleur waren van invloed
op de handelswaarde. De meeste kleden waren ef-fen
– zwart, groen, paars, indigo * – met een, veelal
rode, baan aan de zelfkant. Die baan noemde men
het hoofd * . Daarnaast waren er vrij veel geruite kle-den.
Alle waren in hoofdzaak bestemd voor kle-ding:
heupdoeken, buikbanden en hoofddoeken;
ook wel voor dekens. Evenals de doeken meest van
katoen geweven, maar fijner en met bonte figuren
versierd, waren de sitsen * (een enkele maal ook van
zijde * geweven). De bewerking hiervan had veel
overeenkomst met batikken. Op enkele plaatsen
had de Compagnie in haar loge een eigen ververij.
In werken als yule-burnell, milburn, valentijn
en havart vindt men opsommingen van de talrijke
soorten en variëteiten, maar nergens treft men een
bespreking aan van de kenmerkende eigenschap-pen
van elke soort. De enige die daartoe een poging
deed is stalpaert in zijn Informatie, kort na 1603
opgesteld. Verder vindt men enkele elementen tot
een beschrijving in jasper-pirngadie, heiden en
van hoytema. In de korte schets worden ook eni-ge
kleden beschreven. Zie ook dunlop, blz. 482-493
[ook: doek, lijnwaad, lijwaat, textiel; zie ook: kain];
2. een rol of baan zeildoek, 2 voet * 8 duim * breed.
kleinzen (ii,2) · door een doek filtreren. Zie verdam-verwijs
in voce cleinsen [ook: klenzen].
klenzen, zie kleinzen.
klerk, duits – (gm1) · predikant die geen theologi-sche
hogeschool had bezocht, maar wegens ‘singu-liere
gaven’ tot het ambt was toegelaten.
klinket (gm6) · deurtje in een grote deur aange-bracht.
knaster, zie canaster.
knecht (i,1) · 1. een eenvoudige windas, zoals er bij
elke mast een stond om de zeilen te hijsen; een be-zaans
* knecht, een fokke * knecht, een voormarse *
knecht etc. De knecht stond vaak onder het eerste
dek * ; 2. houten pin, om een schoot of touw aan vast
te maken [ook: kikker].
knie (i,1/i,2) · I,1: knievormig gebogen hout, ge-bruikt
als verbindingsstuk tussen twee volgens een
vaste hoek op elkaar staande balken. Zie mossel, fi-guur
34. I,2: gebruikt bij het samenstellen van het
geraamte van een schip. Meervoud knies [ook:
kniehout].
kniehout, zie knie.
knijp (gm5) · een soort arak * , namelijk arak api, ge-maakt
van het sap van de vruchttros van de nipah-palm.
knoop (i,1) · van voor- en achtersteven: verbindings-blok.
pilaar: ‘de stompe hoek van de steven en het
slemphout * wordt aangevuld door de steven-knoop’.
koban (i,2/ii,1) · kleine ban, gouden munt in Japan,
ovaalvormig en bijna 18 gram wegende. Tot 1696
was de koban 21 karaat * , een goudgehalte van 85,69,
en gold ongeveer ƒ 24, daarna 13
1
Ú 2 karaat, een
goudgehalte van 56,41, en ƒ 15,60, dat is 6,8 taël * .
Zie kussáka, blz. 22 en nachod, blz. 410-414 [ook:
cobang, coubang, coupan].
koebrug (i,1) · extra-vloer tussen twee dekken * , een
afgesloten ruimte vormende, meest laag van ver-dieping
en dienende voor berging van plunje; een
enkele maal ook als slaapplaats. Deze extra-vloer
met stevige verbindingsbalken maakte de schepen
sterk, maar ook zwaar, zodat een schip met koe-brug
meer diepgang had dan zonder zo’n dek. Het
koebrugsdek liep maar over een deel van het schip;
de rest heette halfdek * . Tegenwoordig is koebrug de
naam voor het onderste dek van het schip. van yk,
blz. 85 zegt ‘koe- of misschien wel koy-brugge’
[ook: koebrugsdek].
koebrugsdek, zie koebrug.
koeliaals (ii,2) · parelduikers op Ceylon en Madu-rai.
koelie (gm1) · arbeider, dagloner, sjouwer. Soms ge-bruikt
in de betekenis van rover; dat ondersteunt de
opvatting van yule-burnell, kolom 248, dat de
aanvankelijke zin zou zijn Koli, naam van een zeer
wild volk in de Western-Ghats [ook: couli].
koelte, dichte – (gm1) · zekere windkracht, vrij ste-vige
bries.
koewa, zie cauwa.
kojang (iii/t2) · inheemse maat in de Archipel,
hoofdzakelijk gebruikt als rijst * maat, maar ook om
het laadvermogen van vaartuigen aan te geven en
dan gewoonlijk vertaald door last * . In de zeventien-de
eeuw rekende de Compagnie een kojang op 23
pikol * ; later liep dat op tot 32 piNat. T2: last van 30
pikol, circa 1500-2000 kilogram. Maleis [ook: co-yangh].
63
Kojang
kolathiri (k) · de titel van het hoofd van het ge-slacht
dat over het noorden van Malabar heerste.
De kolathiri had alleen werkelijke macht in het ge-bied
rond Cannanur.
kolder (gm1) · wambuis, soms wellicht harnas [ook:
kulder].
kolsem (i,1) · lange balk, die binnen een schip op de
buikstukken * ligt en door deze heen met de buiten-kiel
verbonden is [ook: binnenkiel, kielschwijn
(kluge), kolswijn (a winschooten), swin, tegen-kiel,
zaadhout].
kolswijn, zie kolsem.
kombaars (t1/t2) · grove wollen of gewatteerde de-ken,
zoals zeelieden en soldaten gebruiken.
Portugees coberta.
kombuis (gm5) · stookplaats [ook: conbuys].
komschelp (i,2) · in de Molukken gevonden grote
parelmoerschelp, als kom of bord gebruikt. Zie
rumphius, D’Amboinsche Rariteitkamer, blz. 193
[ook: schelpkom, tafelbord].
kondi (ii,3) · bak, tobbetje of pot, speciaal de meng-bak
bij de bereiding van indigo * .
koning, jonge – (gm6) · letterlijke vertaling van het
Maleise radja muda, dat vaak als kroonprins wordt
weergegeven. Het woord muda betekent jong, maar
ook in tegenstelling tot tua, oud, een iets lager zijn
in rang; het heeft dus niet altijd betrekking op de
leeftijd, maar soms op de status, waarom men hier
beter kan vertalen: onderkoning [ook: radja muda].
koningschanco (ii,2) · een bijzonder gevormde of
gekleurde chanco * , die wel drie- à vierduizend rijks-daalders
* op kon brengen.
koningsfanum (ii,1) · fanum ter waarde van circa 10
stuiver * , waar de gewone fanum ongeveer 7
1
Ú 2 stui-ver
werd gerekend [ook: fanum-radja; zie ook: fa-num].
koningsnagel (gm5) · volgens rumphius (Herba-rium)
een monstruositeit met vele kelkbladen, voor-namelijk
voorkomend op Makéan.
konkanis (k) · bevolkingsgroep in Malabar, oor-spronkelijk
niet uit Malabar afkomstig, die zich be-zighield
met de groothandel.
kônomoro (gm3) · ingemaakte groentesoorten,
‘pickles’. Japans [ook: connemonne].
konteng, zie kunting.
koopmanschappen (k) · handelswaren.
koos, zie koza.
kopdaalder, zie provintiedaalder.
koraal (gm7) · hoofd van een korale * . Singalees.
kora-kora (i,1/i,2/ii,1/iii/gm1) · 1. kraak, Portu-gees
zeilschip met groot laadvermogen. Volgens
van yk is een kraak hetzelfde als een galjoen * ; af-beelding
aldaar blz. 9 en van der kellen-benthem,
afbeelding I; 2. Ambonees roeivaartuig, staatsie-prauw.
Van het Spaanse carraca en dit weer uit het
Arabische qarâqir, pluralis van qorqora. De Portuge-se
vorm coracora werd in het Ambons-Maleis over-genomen
als kora-kora. GM1: oorlogsvaartuig van
de bewoners van de Specerij-eilanden, een grote
vlerkprauw, vooral voor het roeien ingericht; de be-manning
was soms een paar honderd man groot
[ook: caracque, correcorre, kraak].
korale (ii,2) · district of gewest op Ceylon; tot de be-kendste
kaneelgebieden van de Compagnie behoor-den
‘de vier corlas’ en ‘de zeven corlas’. Singalees.
Zie ook yule-burnell in voce corle [ook: corla, cor-le].
korrellak, zie zaadlak.
korstig, zie kantig.
kota (gm3) · versterkt dorp. Maleis.
kotwal (ii,2) · inheems politieambtenaar, veelal be-last
met het toezicht op de markt. Zie yule-burnell
in voce cotwal [ook: coetewaal, cutwaul].
kouwer (gm9) · hoogstwaarschijnlijk: cauris * .
kOvil (k) · paleis of ‘huis’ bij de naam van een heer-sersgeslacht
(Malabar) [ook: coil].
kOymamAr (k) · nairo * titel [ook: coimaer].
koza (ii,3) · emmer of waterpot van poreuze klei;
stapel II, 3, blz. 75, omschrijft het als een leren zak
met ijzeren beugel, gebruikt bij het waterputten.
Perzisch kuza [ook: koos].
kraak, zie kora-kora.
kraakporselein (p) · porselein aangebracht in een
kraak * .
krabber, zie kritser.
krankbezoeker (k) · ziekenbezoeker of lekelezer, as-64
Kolathiri
sistent van de dominee onder meer belast met ver-troosting
van de zieken.
krengen (i,1/t4) · het ver overzij halen van een schip
om het van onderen te kunnen reinigen van dierlij-ke
en plantaardige aangroeisels of herstelwerk-zaamheden
te kunnen verrichten; [ook: kielhalen,
krenken].
krenken, zie krengen.
kreuk liggen (gm4) · beschadigd zijn.
krieman, zie kiriman.
krip (t1) · fijne uit wol of zijde * los geweven stof die
door koken in water (krippen) een eigenaardig ui-terlijk
krijgt [ook: floers].
kripfloers (t1) · zijden crêpe [zie ook: krip].
kritser (i,1) · gereedschap in de vorm van een knip-mes,
met houten handvat en een driehoekig omge-bogen
scherpe punt aan het lemmet. Het diende om
houtwerk af te schrappen. Zie mossel, figuur 137
[ook: krabber, kritsijzer, ritsijzer, schrap].
kritsijzer, zie kritser.
kroon (gm1) · munt; de in Indië gebruikelijke naam
voor leeuwendaalder * . In 1615 werd de kroon op 40,
in 1639 op 48 stuiver * gesteld.
kroonras (i,1) · eerste kwaliteit ras * . Engels crown-rash.
kroonsaai, zie bij saai.
kroos (i,1) · kuipersterm voor inkeping, om een an-der
hout in te laten, vooral de groef in de duigen,
waar de bodem ingesloten moet worden. Het ge-reedschap
om die groef te maken heette eveneens
kroos of kroosschaaf. Zie mossel, blz. 140 en figuur
172.
kruidlezer, zie garbuleur.
kruidnagel (i,1/gm3) · de Compagnie onderscheid-de
de volgende soorten: 1 e kwaliteit, geheel gaaf:
garioffel * ; 2 e kwaliteit, het ronde kopje der nagels:
caplet * ; 3 e kwaliteit, de steel zonder kopje: antoffel *
of staak; 4 e kwaliteit: blom * , paille, peverel, poeier.
Werd aan de nagelbloem de gelegenheid gegeven
zich te ontwikkelen, dan kreeg men moernagels * .
GM3: de kruidnagel begint gewoonlijk na twaalf
jaar vrucht te dragen; de volle dracht wordt na on-geveer
twintig jaar bereikt [ook: nagel; zie ook: ba-rot,
caplet].
kruik, zie mingelen.
kruisdaalder (ii,1/gm2/k) · 1. Bourgondische munt
die in alle Nederlandse gewesten gangbaar was; de
munt werd na de afzwering van Filips II in de op-standige
gewesten vervangen door de leeuwen-daalder
* ; 2. munt, meestal de Brabantse genoemd,
voor het eerst onder Filips II in Brabant en
Vlaanderen geslagen en gangbaar tot in de achttien-de
eeuw. Deze munt kwam veel in Indië voor. Zij
dankte haar naam aan het op de munt afgebeelde
Bourgondische kruis. GM2: Spaanse en Bourgon-dische
gouden munt met een afbeelding van het
Bourgondische kruis, waarde circa ƒ 3,60. K: munt
ter waarde van 60 lichte stuiver * [ook: crusade, cru-sado].
kruishout (i,1) · balk waaraan de schoten, halzen * en
andere touwen van het tuig worden vastgesjord.
kruissteng (i,2) · steng * , dat is topstuk of verleng-stuk
van de bezaans * mast.
kruiszeil (i,1) · het middelste zeil aan de achterste
mast.
kruyssen (k) · patrouilleren om vervoer van produc-ten
waar de VOC het monopolie op had te beletten.
kshatriya (k) · vorst; aanduiding in de hinduïstische
kasten * hiërarchie.
kuf (gm7) · kof, schuur, stal.
kufie (gm9) · oorspronkelijke Nederlandse betekenis:
slechte kroeg, bordeel.
kuhar · dienaar, koelie * (Bengalen).
kuil (i,1) · inzinking in het dek * van een schip tussen
het halfdek * en de bak * [zie ook: loop].
kulder, zie kolder.
kUliccakkaran (k) · letterlijk: hij die heeft te maken
met de betaling van nairos * [ook: killekare].
kulit (ii,1) · huid van mens of dier, leer, schors van
een boom. Maleis.
kulit-lawang (ii,1/gm1/gm6/gm9) · schors van de
lawangboom, meest massooi genoemd. Er werd een
welriekende olie uit bereid. Zie stapel II, 1, blz.
213. rumphius, Herbarium I, blz. 187, maakt verschil
tussen kulit-lawang en massooi. Zie ook de haan,
Priangan III, § 1433-1434 en de daar genoemde lite-ratuur.
GM1: bast van de massoia aromatica, een op
Nieuw-Guinea voorkomende boom. Het werd van
ouds in de Indonesische pharmacopae gebruikt en
65
Kulit-lawang
werd sinds de negentiende eeuw in Europa ver-werkt
bij zeep-, parfum- en likeurfabrikage. GM6:
cinnamomumsoort, welks vruchten en vooral bast
als medicijn worden gebruikt, vaak ook tot olie ge-distilleerd.
GM9: cinnamomum culit-lawan [ook: cou-ly
lauwing, lawang, massooi].
kullar-agasi (ii,3/gm2) · hoofd der ruiterij.
Perzisch. Zie hotz, blz. 70 noot 1. GM2: letterlijk:
hoofd van de slaven, de bevelhebber van een uit
slaven samengesteld keurcorps [ook: couler-agasi].
kumitir (ii,1) · gebatikte doek. Javaans. Zie rouf-faer-
juynboll, blz. 102-103 [ook: committer].
kung-bun (ii,1/t1) · gouverneur-generaal of stad-houder
van een provincie in China, volgens groe-neveldt.
De letterlijke vertaling is officiële brief of
document; het woord kan gebruikt zijn voor de per-soon
van wie zo’n document uitgaat (volgens prof.
Duyvendak). T1: tu-tu * [zie ook: combon].
kung-pu (gm5) · heeft nagenoeg dezelfde betekenis
als hu-pu * . Deze persoon was echter vice-president
van het departement van Openbare Werken: kung-pu
lang-chung [ook: kampo].
kunjit, zie curcuma.
kunting (gm4/gm5) · GM4: platboomd, open, breed
vaartuig met oplopende gekromde steven, vooral
gebruikt voor visvangst met de zegen. Javaans.
GM5: een kleine jonk * [ook: gonting, konteng, ma-jang].
kUrmalsaram (k) · traditionele strijd tussen de twee
nambuthiri * facties chovvaram * en panniyur * .
kurtji-bashi (ii,3) · hoofd van de grenstroepen of
kurtji’s, een bevoorrechte militaire kaste * . Perzisch.
Zie hotz, blz. 69 noot 1. De versameling der
woorden geeft: ‘koutsie-bassi is generaal van de
ruyterij’ [ook: corgi-bashi; zie ook: kizil-bash].
kurup (gm7) · schermleraar; meestal is bedoeld een
leenman [ook: goerip, guripo].
kustdeken (i,1) · deken, afkomstig van de kust van
Coromandel [zie ook: kleed].
kusu-kusu (gm5) · grassoort imperata arundinacea, el-ders
alang-alang. Molukken-Maleis [ook: coescoes].
kuttam (k) · nairo * landvergadering.
kwaliteit (ii,1) · cabessa * = hoofd, bariga * = buik,
pee * = voet. In de handelsplaatsen van Zuid-Azië al-gemeen
gebruikt ter aanduiding van respectievelijk
eerste, tweede en derde soort. Een enkele maal
kwamen ook de Maleise namen dezer lichaamsde-
len als kwaliteitsaanduiding voor, namelijk kapala,
awa of perut, en kaki [zie ook: coetchiaal].
kwartodienst (a) · vorm van herendienstplicht ter
voldoening van dagelijks bij de VOC voorvallende
werkzaamheden [ook: quartodienst].
kwartslieden (a) · kwartodienstplichtigen [ook:
quaartslieden].
L
lb. (k) · libra; Amsterdams pond * .
l.m. (gm4) · loffelijker memorie.
laarsinge, zie bij laarzen.
laarzen (i,2) · lichaamsstraf aan boord, namelijk de
schepeling met een eind touw op de broek kastij-den.
labberdaan (ii,1) · gezouten kabeljauw, zoutevis.
Genoemd naar het vissersdorp Le Labourd bij
Bayonne [ook: abberdaan].
labberkoelte (t2) · flauwe wind.
laboang-batu (ii,1) · ankerage- of havengeld.
Maleis; het is een eigenaardig samengesteld woord,
daar zowel labu als batu de betekenis anker hebben.
laccagie (i,1/ii,3/gm1) · de naam voor alle verlies
gedurende het transport van producten en victu-alie,
niet alleen door lekken, maar ook door morsen,
indrogen, verloren gaan bij overlading, diefstallen
etc. stapel geeft ook, met de spelling laxatie, verlies
van edele metalen bij het versmelten. Men gebruik-te
ook het werkwoord lacqueren. GM1: alle verlies
gedurende het transport en de opslag van waren
[ook: laccagie, laxatie, lekkage, onderwicht].
lachetijd (gm9) · lafheid, zwakheid. Frans lacheté.
lachoria, zie lacorijns.
lachter, zie klafter.
lackpaus (t1) · de zes ministeries in Peking.
lacorijns (ii,1) · wollen stoffen. Bij yule-burnell, in
voce piece-goods, genoemd laccowries [ook: lachoria;
zie ook: lechourias].
lacqueren, zie bij laccagie.
laederen (gm4) · beledigen, benadelen [ook: lede-ren].
66
Kulit-lawang
laet-poelery, zie pullery.
lai-tsjai, zie agar agar.
lak (ii,2/ii,3) · honderdduizend, zowel in het alge-meen
als speciaal een som van 100.000 ropia * .
Hindustani lakh.
lak, gegranuleerd –, zie zaadlak.
lak op stokjes (ii,2) · lak in zijn natuurlijke staat; het
wordt door mieren om takken gemaakt, van een uit
de lakbomen vloeiende gomsoort, zoals bijen was
maken. Zie yule-burnell in voce lac, en stick-lac bij
milburn II, blz. 216 [zie ook: gomlak].
lakenras (ii,1) · wollen ras * .
laksamana (gm2) · vlootvoogd. Hij was in Atjeh en
ook wel elders belast met het contact met vreemde-lingen.
Maleis.
lala (gm3) · titel in Perzië; opvoeder, mentor. Zie
hotz, blz. 391.
lalari (ii,1) · mangrove- of vloedbosboom, met
hoog boven de grond opstekende wortels. Hij
wordt in de oostelijke Archipel meest mangi ge-noemd.
Zie valentijn III, 1, blz. 222, die hem man-gi-
mangi noemt, en rumphius, Herbarium III, blz.
102 e.v., waar als de wetenschappelijke naam ge-noemd
wordt mangium celsum [ook: mangi].
lalayang, zie lelajan.
lambu (gm4) · een soort sloep. Maleis.
lamfer (i,2/ii,1) · zeer fijne doek of sluier. Neder-lands
lamfer = rouwsluier; Frans lampas. kern I, blz.
38: ‘sluyers ofte lamparden’. Zie verdam-verwijs in
voce lamper [ook: lamper].
lammadoehoer, zie lemahduwur.
lamper, zie lamfer.
lancols (ii,2) · goedkope gedrukte katoenen doeken
uit Golconda [ook: lancos].
lancos, zie lancols.
lancquas, zie lengkuas.
landzaat (t2) · vrije bewoner van een land, zonder
grondbezit.
lankins (t1/gm1) · T1: eerste kwaliteit Chinese zij-de
* . GM1: textiel uit Lankin = Nankin.
lanteas (ii,1) · grote, open, snelvarende roeivaartui-gen,
gebruikt voor goederenvervoer op de Chinese
rivieren. Zie yule-burnell in voce.
lantspassaat (i,1) · rang tussen korporaal en sol-daat,
met als wapen een korte lans. Verbastering
van het Italiaanse lancia spezzata = gebroken lans.
la ode (gm7) · Butonse titel voor een lid van de hoge-re
adel [ook: laude].
lapis besoar, zie bezoar.
lapjesgeld (gm4) · kleine stukjes oud textiel aan een
touwtje geregen, als geld gebruikt voor de inkoop
van voedsel; tot het begin van de twintigste eeuw
op Buton in gebruik.
largatie (gm11) · vrijlating. Frans élargir [ook: lerga-tie].
lari, zie larijn.
larijn (ii,3) · zilveren munt in Perzië ter waarde van
1
Ú 80 thoman * of 10 stuiver * . Genoemd naar de stad
Lar. Ook in Arabië kende men hele en halve larij-nen.
Zie vooral het merkwaardige boekje afbeelt-sels
[ook: lari, lorine].
lascorijn, zie laskaar.
lasei (gm2) · rijst * in water gekookt.
lasernij, zie lazerij.
laskaar (ii,2/k) · inheemse soldaat in Voor-Indië,
later ook werkman en koelie * ; thans hoofdzakelijk
inheemse matrozen. Het grondwoord is het
Perzische lashkar = leger of kamp; vandaar lashkari =
die tot het leger behoort. Oorspronkelijk waren dat
Gudjaratters, doch al spoedig is deze naam ook ge-bruikt
voor ‘swarte Ceilonse soldaten’. Zie veth,
blz. 118-120, yule-burnell in voce lascar, en de
haan, Priangan II, blz. 770-771. K: christen soldaat
[ook: lascorijn].
laske (ii,2) · platte diamant, aangetroffen tussen
laagvormige gesteenten.
lasse (t3) · verbinding op een schip tussen twee hou-ten
verbanddelen die in de lengterichting aan el-kaar
worden bevestigd.
last (gm2/k) · kojang * . GM2: 1 last = 20 pikol (circa
1250 kilogram). K: gewoonlijk 3000 pond * .
lastbalken (i,1) · balken om zware lasten in het
schip te hijsen; scheepskraan.
67
Lastbalken
lastpoort (i,1) · laadpoort aan de zijkant van het
schip, zodat de lading niet over het dek * maar recht-streeks
in het ruim kon gebracht worden.
latireren, zie latiteren.
latiteren (gm4) · zich schuilhouden. Latijn latitare
[ook: latireren].
latoen (gm3) · mengsel van 65% koper en 35% tin,
messing.
laude, zie la ode.
lauwen (gm1) · de bewoners van Laos.
lawang, zie kulit-lawang.
laxatie, zie laccagie.
lazerij (k/gm4) · melaatsheid, lepra [ook: lasernij].
lebe (ii,1) · Mohammedaans dorpsgeestelijke. Zie
paulus in voce.
lechouris (ii,3) · lijnwaden uit Agra. Bij yule-bur-nell
laccowries gespeld [zie ook: lacorijns].
lechyas, zie lecisen.
lecisen (t4) · lychee. Chinees li-tji [ook: lectiesen, le-chyas].
lectiesen, zie lecisen.
lederen, zie laederen.
leeghte (t4) · de laagvlakte aan de westkust van
Formosa.
leeuwendaalder (ii,1/p/k) · Nederlandse munt,
geslagen na de afzwering van Filips II en genoemd
naar de beeldenaar. De munt werd later vervangen
door de provintiedaalder * , maar bleef als handels-penning
nog lang in gebruik; speciaal in de Levant
was zij zeer gewild. P geeft als waarde 1
1
Ú 2 gulden;
zie ook bij kroon. K: munt ter waarde van 48 stui-ver
* [zie ook: kroon, kruisdaalder, provintiedaal-der].
legger (i,1/i,2/t1/gm1) · 1. groot water- of wijnvat,
dat als regel in het ruim van het schip bleef liggen;
inhoud ruim 400 liter (I,1) of 563 liter (I,2 en T1).
Kleinere vaten heetten varkens * . GM1: groot water-vat
van 500, 750, 1000 Nederlandse kan * ; 2. handels-agent,
commies of factoor.
leggers in schoven (gm1) · watervaten in duigen
overgezonden om ter plaatse in elkaar te worden
gezet.
leggerwerk (iii) · vaatwerk.
legia (ii,3/p/gm4) · Europese naam voor de beste
kwaliteit Perzische zijde * , zogenaamde koningszij-de,
afkomstig uit Laidjan aan de Kaspische Zee. Het
woord betekent: moerasland. In Perzië zelf was de
naam khervar of karvary. P geeft als omschrijving
van kharwari: een goedkope soort van zijde. GM4:
de zijde die men in Europa gewoonlijk legia noem-de
en die van Ghilan kwam; soms khervari ge-noemd
omdat ze per ezelsvracht van 294
1
Ú 2 kg of
khervar * werd berekend [ook: charwary, karvary,
khervari; zie ook: allegias].
legwaringen, zie lijfhouten.
lekas (a) · snel [ook: lekees].
lekees, zie lekas.
lekkage, zie laccagie.
lekou, zie li-kuan.
lelajan (gm9) · grote handelsprauw met drie masten
en twee roeren [ook: lalayang].
lemahduwur (gm8) · het terras voor de kraton, waar
de susuhunan zich bij feestelijke gelegenheden aan
zijn onderdanen vertoonde [ook: lammadoehoer].
lemieren (gm2) · aanbreken, in ‘het lemieren van de
dag’.
leminias, zie lheimenias.
leng (i,1) · strop of lus van touw, dat rondom een
last werd geslagen.
lenggua (ii,1/gm3) · een hard- of ijzerhoutsoort.
GM3: woudreus die hout levert geschikt voor meu-bels.
Maleise naam voor aerocarpus indicus [ook: li-goa,
lingoa].
lengkuas (gm4) · wortelstok van de alpinia galanga,
die een opwekkend middel voor maag en ingewan-den
levert. Maleis [ook: lancquas].
lensen (t4) · het voor de wind weglopen van een
schip met een beperkte zeilvoering bij storm.
lens pompen (gm3) · droog pompen, zolang pompen
dat geen water meer wordt opgehaald.
lepelstuk (gm1) · soort scheepsgeschut van klein ka-liber.
68
Lastpoort
lepou, zie li-pu.
lergatie, zie largatie.
leuse (t4) · salvo, sein.
lheimenias (i,2/ii,3) · blauwe lijnwaden met witte
sterretjes (I,2: van Europees maaksel, II,3: uit
Gudjarat). Zie rouffaer-juynboll I, Bijlagen, blz.
V en yule-burnell in voce lemmanees [ook: lemi-nias,
lhoemenias, lhymenias].
lhoemenias, zie lheimenias.
lhymenias, zie lheimenias.
licentmeester (iii) · hoofd van de dienst der in- en
uitvoerrechten. De drie functies van sjahbandar * ,
ontvanger-generaal en licentmeester zijn moeilijk
uiteen te houden. Dikwijls was de licentmeester te-vens
sjahbandar. Zie de haan, Oud-Batavia I, blz.
229 met noot en stapel III, blz. 167-168.
lientuaan (ii,1) · gezuiverde vermiljoen, veel in de
pharmacopae gebruikt, en ook wel levenselixer ge-noemd.
Chinees lien-tan.
lignea, zie cassia lignea.
lignum aloë, zie aloëhout.
lignum fistula (i,2) · het hout van de cassia fistula * .
ligoa, zie lenggua.
ligter, zie smalschip.
ligue (k) · verbond.
lijfhouten (i,1) · dikke planken aan weerszijden van
het dek * van een schip, overlangs lopende, tegen de
verschansing aan. De ribben * en balken zijn hier
aangehecht of ingezwaluwd [ook: legwaringen, wa-tergangen].
lijfsverpande (gm4) · personen die ter aflossing van
schulden in (tijdelijke) slavernij vertoefden.
lijk (i,1) · zoomtouw of boordsel van een zeil. ‘Uit de
lijken geslagen’ = uit het boordsel gescheurd. Het
woord lijk – Engels leech – is overgenomen van het
Spaanse liga = band.
lijnslager (k) · touwslager.
lijnwaad, zie kleed.
lijwaat, zie kleed.
li-kuan (ii,1) · ambtenaar van het ministerie van ce-remoniën
in China. In het zuiden uitgesproken als
li-ku [ook: lekou; zie ook: li-pu].
limieren, zie lumieren.
lingoa, zie lenggua.
liplappen (gm9) · insmeren van schepen met een
Buginees of moors * middel (liplap) ter bescherming
tegen de houtworm.
lipouy, zie li-pu.
lippen (i,1) · de in een bepaalde vorm uitgezaagde
delen van een balk of plank, die bij het lassen in el-kaar
sluiten. Voor verschillende soorten zie mossel,
figuur 15 - 32.
li-pu (ii,1/gm4) · ministerie van ceremoniën in
China, dat onder andere tot taak had de tribuut-brengende
gezantschappen te ontvangen. Bij de
Compagnie ook gebruikt als titel voor leden van de
rijksraad [ook: lepou, lipouy; zie ook: chincon, li-kuan].
liquidatie (k) · akte van afrekening en vereffening.
littel (ii,2) · gewichtseenheid voor indigo * en ande-re
waren, volgens stapel 300 pond * ; volgens de
uytrekening te Machilipatnam variërende tussen
de 294 en 300 pond.
liusuneus (t1) · weerschijnende armozijn * met
bloemwerk [ook: densos].
livre (p) · munt ter waarde van circa 17 stuiver * . Zie
tavernier, blz. 478 noot 1, waar hij 15.000 thoman
gelijkstelt met 690.000 livres [ook: pond, Frans –].
lodgie (i,1) · Russisch zeilvaartuig. Zie röding sub
voce loddinger [ook: lodi].
lodi, zie lodgie.
log (i,1) · houten doos of bakje; boterlog, zoutlog.
Een Duits Compagniesdienaar vertaalde boterlog
door Butterdose.
loge (k) · factorij.
loia, zie lojang.
lojang (ii,1) · geel koper of messing, een mengsel
van rood koper en tin. Maleis [ook: loia].
lokobou (ii,1) · Siamese of Cambodjaanse nootjes.
lolaro (gm2) · Ternataanse naam voor een brugiera-69
Lolaro
soort; boom, tot de mangrove- of vloedbosvegetatie
behorend.
lombong (gm6) · rijst * schuur. Maleis en Javaans lum-bung.
longebatten (gm2) · doeken, in de Timor-archipel
gewild.
longijs (i,1/ii,2/ii,3) · 1. lange, smalle heupdoeken,
welke twee- of driemaal om de heup werden ge-wonden;
ook sjaals, voor kleding bij koud weer, en
voor bedbedekking. Ze waren van wol of katoen,
terwijl de duurdere zijden randen hadden. Een en-kele
maal komen ook geheel zijden longijs voor.
Van het Hindus lungi. Zie yule-burnell sub voce
loonghee [ook: longo’s]; 2. een stuk lijnwaad, dat bij
de indigo * bereiding als filter werd gebruikt [zie
ook: looy].
longo’s, zie longijs.
lontrotan (ii,1) · een rotansoort die zacht en lang
smeult en daarom als lont gebruikt werd.
lood (ii,1) · gewichtseenheid,
1
Ú 16 mark * .
look (i,1) · knoflook, of het aftreksel uit de bollen
daarvan, waaraan medicinale kracht werd toege-schreven.
loop (i,1) · 1. dysenterie; rode loop is bloeddysente-rie
[ook: parsingh]; 2. deel van het dek * dat van voor
naar achter doorloopt. Men heeft stuurboords- en
bakboordsloop. Schepen met doorgaande loop zijn
schepen zonder kuildek, met een recht doorgaand
dek, zogenaamde gladdekschepen [ook: loopgang;
zie ook: kuil].
loopgang, zie loop.
loos (i,1) · al wat men aan reservedelen of -materia-len
meenam was loos of waarloos. Wat niet aan-stonds
nodig was werd meegenomen ‘voor de loos’.
van yk gebruikt voor (waar)loos want: opgeslagen
want [ook: waarloos].
looy (ii,3) · stuk lijnwaad dat bij de bereiding van in-digo
* als filter dienst deed [ook: loy; zie ook: lon-gijs].
lopen, geschroefde – (p) · geweerlopen waarvan de
binnenkant schroefvormig was.
lori, zie lurivogel.
lorine, zie larijn.
lorrendraaiers (ii,1/k) · lieden of vaartuigen die
handelden op daartoe door de Compagnie verbo-den
plaatsen, of in verboden artikelen; monopolie-brekers,
smokkelaars. Meest inlanders, maar ook
wel Europeanen. K: bedriegers, knoeiers, vaak
smokkelaars.
loy, zie looy.
lumieren (t4) · aanbreken, lichten van de dag [ook:
limieren].
lurah (ii,3) · titel met de betekenis hoofd of chef; in
de tijd van Mataram was het een predikaat voor ho-ge
ambtenaren; thans voor het hoofd van de dorps-gemeente
of kalurahan. Javaans.
lurivogel (ii,3) · kortstaartige, bontkleurige pape-gaai
uit de Molukken, van het geslacht lorius. Zij
werden wel als geschenk aan Voor-Indische vorsten
gegeven. In het Maleis komt naast luri ook nuri
voor [ook: lori].
luti-luti (gm1) · pokken. Molukken-Maleis.
M
ma O · mahmudi * .
ms. · maas * .
maag (k) · verwant.
maas (ii,1/ii,3/t2) · rekenmunt. In Japan en China
1
Ú 10
taël * , respectievelijk circa 7 stuiver * en circa 8 stui-ver.
In Siam
1
Ú 16 taël, circa 9 stuiver. Op Atjeh en
Makassar waren er gouden mazen, beide
1
Ú 16 gouden
taël, respectievelijk 12
1
Ú 2 en 30 stuiver; op Atjeh was
er ook de zilveren maas ter waarde van
1
Ú 8 Spaanse
reaal * , dat is 7
1
Ú 2 stuiver. Afgekort: ms. [ook: mas].
macis (i,1) · foelie * . Uitgesproken als het Franse ma-cis.
Engels mace, Italiaans mace. Mogelijk hetzelfde
als het Latijnse maccis. Zie echter yule-burnell in
voce en warburg, blz. 11-13 en 55 vlg. In kern
noemt Van Linschoten het massa.
mada (ii,3) · (Hindustani) vrouw; beeldrijke naam
voor een bak bij de indigo * bereiding, welke haar
toevoer ontvangt uit een andere bak, die ner (man)
heet.
madafanums, zie madaphonts.
madafoenes, zie madaphonts.
mAdambi (k) · klein hoofd met beperkte bevoegdhe-den
(Malabar).
70
Lolaro
madaphonts (ii,1) · fijne katoenen doeken, genoemd
naar de stad Madapollam. Zie yule-burnell in vo-ce
madapollam [ook: madafanums, madafoenes; zie
ook: madaps].
madat (gm5) · term in Indonesische talen voor opi-um,
in de staat om geschoven te worden.
maddawanijs (ii,2) · katoenen doeken, vermoedelijk
naar zeker dorp genoemd. De bijvoeging borre
duidt aan dat ze geel waren (zie bij boreh).
madika (gm7) · titel van hoofden in Midden-Celebes.
madops (ii,2) · doeken of kleden van katoen; vermoe-delijk
naar Madapollam genoemd [zie ook: madap-honts].
madura (a) · Indiase textielsoort.
maggerebber (ii,3) · Arabier. Maghrabi = westelijk.
Zie yule-burnell in voce muggrabee [zie ook: man-gerabe].
magh (gm2) · bewoner van Arakan in Birma [ook:
Moga].
mahaldaar (gm7) · ‘deurwagter’ (Coromandel).
mahmudi (ii,3/p/gm1/gm2) · 1. zilveren Perzische
munt,
1
Ú 100 thoman * , dat is circa 8 stuiver * . P: ze waren
van een laag gehalte en werden te Surat geslagen.
GM1: in 1624 in Surat 10 stuiver of iets meer. GM2:
afkorting: ma o ; 2. II,3: een soort lijnwaad. Zie yule-burnell,
707b.
mahouba, zie mahuli.
mahout, zie mohawat.
mahu putih (a) · groeistadium van de sagopalm,
waarin het meelgehalte in de stam op zijn maxi-mum
is [zie ook: mayang baru, siriboa].
mahuli (a) · kleine vlerkprauw [ook: mahouba].
mainatu (gm3) · wasman. Het woord komt zowel in
Indiase talen voor als in het Maleis.
maintenue (gm8/k) · GM8: gerechtelijke handha-ving.
K: onderhoud.
maintimentos (p/gm3) · P: proviand. GM3: levens-middelen
[ook: mantimentos].
majang, zie 1. kunting; 2. mayang.
majoraal (gm4/gm7) · dorpshoofd op Ceylon.
Singalees gamarale.
majores (p) · bewindhebbers.
makadang etana, zie makkadaäng-tana.
makadantana, zie makkadaäng-tana.
makkadaäng-tana (gm7/gm9) · GM7: rijksbestuur-der.
Buginees. GM9: de titel van de rijksbestuurder
van Boni [ook: makadang etana, makadantana].
makut, zie harder.
malignant (t3) · boosdoener. Frans maligne = boos-aardig.
maligneren (k) · kwaad doen [ook: malingneren].
malik ud tadjir (gm4) · hoofd (letterlijk: vorst) der
kooplieden (Perzië) [ook: melktusaar].
malingneren, zie maligneren.
mallemollen, zie malmals.
malmals (ii,2) · mousseline stoffen. Hindustani;
door Jan Compagnie herhaaldelijk verbasterd tot
mallemolens. Zie yule-burnell in voce mulmull
[ook: mallemollen].
malva (ii,3) · plant van de familie der malvacaeën; de
gedroogde bladeren werden gebruikt als laxans,
terwijl uit het zaad van sommige soorten een surro-gaat
van muskus bereid werd [ook: malve].
malvadis, zie quartille.
malve, zie malva.
mamandar, zie mandar.
mamankan feest (gm2) · vergadering van vorsten en
hoofden in Malabar onder het voorzitterschap van
de zamorin * , eens per twaalf jaar gehouden.
maminwaarts, zie mannuwaar.
man (i,2/ii,2) · 1. in geheel West-Azië bekende naam
voor een gewichtseenheid van de meest uiteenlo-pende
zwaarte. In Arabië kende men een man van
2
5
Ú 8 pond * Hollands, maar er waren ook mans van 20,
24, 36, 53, 68 en 74 pond. Het verschil werd niet
slechts bepaald naar het land, maar ook door de te
wegen koopwaar. Zo werd de indigo * meest ver-kocht
in mans van 36, de salpeter daarentegen in
mans van 68 pond. In eenzelfde land had men soms
twee soorten mans; zo kende men in Gudjarat een
grote man van 36
1
Ú 2 pond en een kleine man van 34
1
Ú 2
pond. Onafhankelijk van de plaatselijke waarde
was de man verdeeld in 40 ceer * . 10 Man was een
71
Man
frasel * , 150 man een bahar * . Het woord man is niet
het Portugese moa = hand, maar van oud-Mesopotamische
oorsprong en komt reeds in het
klassieke Grieks voor en in het Latijn als mina. Zie
yule-burnell in voce maund; ook hotz, blz. 410
[ook: maon, maun, maund]; 2. gewichtseenheid
voor parels,
1
Ú 20 mangelin * .
manakolam nambeddi, zie bij namburi.
mancepdaar, zie mansabdar.
manchia, zie men-i-sjah.
manchua (k) · vrachtboot met één mast en een vier-kant
zeil [ook: mansjouw].
mandaat ola, zie sanna.
mandadoor, zie mandur.
mandament (ii,2) · in Turkije en Perzië gebruikte
naam voor gunstbrief, vrijpas of privilege. De vorm
mandament is van de Portugezen overgenomen,
mandamento [ook: commandement; zie ook: caul, fir-man,
parwanna].
mandar (p) · chef de réception [ook: mamandar].
mandek (ii,2) · helper van een parelduiker, ‘steenop-haalder’.
versameling der woorden: ‘Mandekkos
zijn handrijkers van de paarlduykers’.
mandioca, zie maniok.
mandosti (ii,2) · plantaardige rode verfstof [ook:
thioli mandosti; zie ook: meekrap].
mandur (iii/gm4/a) · opziener. Portugees mandador;
in de talen van de Archipel en ver daarbuiten is dit
woord overgenomen als mandor of mandur. GM4:
inlandse opziener. A: voorman [ook: mandadoor].
mangelen (t2) · ruilhandel drijven.
mangelin (ii,2/gm1) · gewichtseenheid voor het we-gen
van diamanten. Tamil manjadi, zaadkorrel van
de adenanthera pavonina – vergelijk grein, dat ook
een zaadkorrel was. De gewichten waren niet over-al
even zwaar, bijvoorbeeld 9, 12 of 13
1
Ú 2 in een pago-de
* . Van de meest gebruikte waren volgens stapel
302
3
Ú 4 mangelin gelijk aan 419 karaat * . Dit komt vrij
nauwkeurig overeen met de opgave van de théve-not
V, blz. 293: ‘Le poids principal des diamans est
le mangelin; il pèse cinq grains et trois cinquièmes,
et le carat ne pèse que quatre grains; et cing mange-lins
sont sept carats’. De uytrekening daarentegen
zegt, onder Golconda: ‘1 mangely is 1
3
Ú 8 caraat dia-mants
gewigt’. Zie ook yule-burnell in voce man-
gelin. GM1: schommelend van 1
3
Ú 8 tot 1
1
Ú 2 karaat [ook:
mangely, mansjadi].
mangely, zie mangelin.
mangerabe (ii,3) · gouden muntje in Arabië ter
waarde van ruim 1
1
Ú 4 reaal * . De naam betekent
Arabier (zie bij maggerebber).
manggra (gm3) · boom met smakelijke vruchten,
mangifera indica.
mangi, zie lalari.
mangie (gm11) · stuurman. Zie yule-burnell in vo-ce
manjee.
maniagar, zie maniyakkar.
maniantie (gm1) · administratie, beheer.
manience (gm6) · hantering, afdoening, behandeling
van zaken. Bastaard-Frans.
maniëren (k) · leiden, besturen.
manigar, zie maniyakkar.
manihot, zie maniok.
maningaer, zie maniyakkar.
maniok (i,1/ii,3) · zeer meelrijke wortel van de cas-savesoort
jatropha manihot. De wortelknollen wer-den
gedroogd en tot meel (Portugees farinha * ) ge-malen.
Een beschrijving in l’honoré naber, blz. 13
e.v. [ook: mandioca, manihot].
maniyakkar (ii,2/gm6/k) · inheemse titel voor
dorpshoofd. stapel: ‘opsienders van ‘t volck van
den koninck’. Zie yule-burnell in voce monegar.
GM6: dorpshoofd ter kust van Madurai. K: Indiaas
dorpshoofd, opziener van het volk [ook: maniagar,
manigar, maningaer].
manjela, zie curcuma.
manna (ii,3) · een gomachtige substantie, die zich als
druppels afzet op de bladeren van zeker soort bo-men,
onder andere de assagaaybomen op Mauri-tius.
De gestolde druppels werden als korrels inge-zameld
en als purgeermiddel gebruikt.
mannen (gm2) · aan de man brengen.
mannetjesfoelie (i,2) · foelie * van de mannetjesno-ten
* .
mannetjesnoten (i,1) · weinig geurige nootmus-72
Man
kaatsoort, soms als medicijn gebruikt. Myristica fa-tua.
Maleis: pala laki-laki. Zie warburg, blz. 331 e.v.
rumphius (Herbarium) zegt dat men in tegenstelling
tot de ‘oprechte’ noten ook ‘wijfkens’ vermeldt.
mannuwaar (gm9) · belastingpachter, pachter van
een district (Coromandel) [ook: maminwaarts, ma-nuwaar].
mano, sotto – (p) · ondershands.
mansab (gm8) · soldaat van een mansabdar * .
mansabdar (gm6/gm8) · GM6: officier van lage
rang. Perzisch. GM8: officier die, al naar zijn graad,
van tien tot in de duizenden ruiters onder zich had.
Ook niet-militaire ambtenaren waren zo ingedeeld,
hoewel ze in werkelijkheid geen soldaten onder
zich hadden [ook: mancepdaar].
manschia, zie men-i-sjah.
mansel, zie menzel.
mansjadi, zie mangelin.
mansjouw, zie manchua.
man-tauris, zie men-i-tabriz.
mantimentos, zie maintimentos.
mantri (ii,1/ii,3/gm6) · een hoge dienaar van de
vorst, rijksbestuurder. Thans de titel voor vele in-heemse
ambtenaren, zoals mantri-politie, mantri-tjat-jar
(vaccinateur), mantri-tjandu (opiumverkoper)
etc. Maleis; Sanskriet mantrin = raadsheer of minis-ter.
GM6: mantri heeft op Java ongeveer de beteke-nis
van ambtenaar [ook: mentry].
manuwaar, zie mannuwaar.
maon, zie man.
mappilla, zie mopla.
mapule, zie mopla.
maradia (gm7) · vorstentitel in Midden-Celebes.
marados, zie bij photas.
marambi (gm7) · titel van zekere lagere hoofden bij
de nairos * .
marasaoly, zie marsaolé.
mardijker (ii,1/a) · oorspronkelijk vrije inlander,
wonend buiten zijn eigen stamland; ook vrijgelaten
slaaf en zijn afstammelingen. Daar voor vrijlating
allereerst de christenslaven in aanmerking moesten
komen, wordt mardijker herhaaldelijk gebruikt in
de betekenis: inlands christen. Maleis mérdika = vrij.
Zie valentijn IIa, blz. 256, en vooral de haan,
Oud-Batavia I, blz. 512 e.v. A: in de stad wonende
vrije Aziaat van niet-Ambonese afkomst.
mareles, zie bij dekkum.
margarithaparels (i,2) · parels van de Margaritha-eilanden,
gelegen voor de kust van Venezuela, aan
het oostelijk uiteinde van de Benedenwindse Eilan-den.
Latijn margarita = parel [ook: margrittepeer-len].
margosa (t1/t2) · T1: in Zuid-India (T2: Zuid-Chi-na)
en Ceylon de naam voor de bitterboom of neem-tree.
Vruchten, bladeren en bast werden gebruikt in
de geneeskunde [ook: merregose].
margrittepeerlen, zie margarithaparels.
mariaglas, zie glas, moscovisch –.
marinjo (ii,1/iii/k) · bode of boodschapper; van de
Portugezen overgenomen titel voor lagere inheem-se
ambtenaren in de Molukken. Thans in de Moluk-ken
nog wel gebruikt voor politie-oppassers, en
zelfs voor de bediende die de kinderen naar school
brengt. De oorspronkelijke betekenis schijnt te zijn
geweest waterschout. Het zou dan het Portugese
marinho zijn: tot de zee behorende. Zie de haan,
Priangan II, blz. 777-778. K: gerechtsdienaar [ook:
marinyu, marnigne, merinho, merinje; zie ook: bos-marinjo].
marinyo hutan, zie bosmarinjo.
marinyo kewan (a) · persoon die namens het dorps-bestuur
belast is met het toezicht op het gebruik
van de woeste grond.
marinyu, zie marinjo.
mark (ii,1/gm4) · gewichtseenheid voor het wegen
van goud, zilver en edelgesteenten. Niet overal
even zwaar, maar meest 230,4 gram, en dan ge-noemd
mark-troys, naar de stad Troyes in Frank-rijk.
Er zijn verschillende onderverdelingen: 1 mark
(fijns) = 12 penningen * = 24 karaat * = 288 grein * =
4920 milligram; 1 mark = 8 once * = 16 lood * = 64
quent * = 160 engels * = 5120 ase * ; 1 mark = 10 mat * .
Ook in de geneeskunde was de mark een gewichts-eenheid.
De onderverdeling was daar: 1 mark = 8
oncen = 64 drachmen = 192 scrupel = 3840 grein.
GM4: 1 mark = 16 lood = 288 grein.
markal (ii,2) · maat voor granen; de inhoud aan
73
Markal
graan had een gewicht van circa 12 ceer * , circa 20,4
pond * .
markreaal (ii,1) · reaal * van markzilver * , die in Indië
60 stuiver * gold [ook: merckreaal, reaal (Spaanse –)].
markzilver (ii,1) · zilver van hoog gehalte.
marnas (t2) · moeras, laag gelegen land [ook: mo-rats].
marnigne, zie marinjo.
marsaolé (gm4) · aanduiding voor de vier aanzien-lijkste
niet-vorstelijke geslachten van Ternate, speci-aal
voor het eerste daarvan [ook: marasaoly].
marszeil (i,1) · zeil, onmiddellijk boven de beneden-of
onderzeilen, dus het tweede van onder af. Het
grootmarszeil is dat zeil aan de grote mast, het
voormarszeil hetzelfde aan de fokke * mast.
martavaan (i,1/t3) · rood-stenen pot, van kleur en
substantie ongeveer als rode dakpannen. Doordat
de martavanen enigszins poreus zijn, gaan ze, in-dien
ze met water zijn gevuld, ‘zweten’, en de ver-damping
van dit ‘zweet’ houdt het water in de mar-tavanen
koel. Genoemd naar de plaats Martaban in
het district Rangoon. T3: gebruikt in Azië voor het
bewaren van drinkwater etc. aan boord van in-heemse
vaartuigen.
martgang (gm1) · tegen marktwaarde.
marumakattAyam (k) · ‘oom-opvolging’, opvol-gingswijze
binnen een taravad * : als de karanavan *
overleed werd hij opgevolgd door zijn oudste neef.
mas, zie maas.
maschalliaet (p) · vermoedelijk een geruite stof.
verdam-verwijs: masche = maas van een net.
masel, zie menzel.
masha (ii,3) · gewichtseenheid in Hindustan,
1
Ú 12
thool * , circa 15 gram. De namen van de gewichten
masha en thool moeten etymologisch identiek be-schouwd
worden met maas * en taël * [ook: masse].
maskorael (t4) · gebundelde strengen koraal.
masse (ii,3) · 1. streng (zijde * of haar); 2. masha * .
massecau (t2) · alcoholische drank.
massenayer (a) · roeier.
massige, zie mesqun.
massooi, zie kulit-lawang.
massuur, zie mazur.
mastiek (ii,3) · welriekende harssoort van de mas-tiekboom,
dat om zijn aangename geur gekauwd
werd. Reeds bekend uit de Griekse literatuur.
masuyr, zie mazur.
mat (ii,1/ii,2) · gewichtseenheid voor het wegen van
edele metalen,
1
Ú 10 mark * . II,2: goudgewicht, gelijk
aan 2,4 karaat * .
matacao, zie matakau.
matakau (ii,1/a) · letterlijk (Ambonees): rood oog,
in de betekenis van boos oog; oorspronkelijk elk
magisch middel om rovers en onheilbrengers te we-ren,
en bezittingen tegen dieven te beschermen. Het
hoort dus thuis bij het fetisjisme. In de Molukken
kende men algemeen het gebruik van matakau-drinken,
bij gelegenheid van een verzoening, het
doen van een plechtige belofte, het sluiten van vre-de
of bondgenootschap. De daarbij gebruikte drank
bestond meest uit palmwijn of saguweer * , ver-mengd
met wat bloed van mens of dier; het kon
evenwel ook uit zuiver water bestaan. Dikwijls
werden er voor het gebruik nog voorwerpen inge-dompeld,
waaraan men magische kracht toeschreef,
als een kogel, een pijlpunt, een armring etc. Zie va-lentijn
III, 1, Ambonsche Zaaken van den Gods-dienst,
blz. 10 e.v. A: animistische eedsformule; ver-bodsteken
bij de ingang of rand van een kebun * of
dusun * [ook: matacao, mattacau, mattekauw].
mata-mata (gm7) · spion.
matiaal (ii,2) · zeker soort Bengaalse zijde * van goe-de
kwaliteit.
matical, zie muskal.
mattacau, zie matakau.
mattekauw, zie matakau.
mattham (ii,2) · zekere alliage, op Coromandel ge-bruikt
bij het essaaieren van goud. Het bestond uit
drie delen fijn zilver, vermengd met een deel koper.
matthan (ii,3) · pols- of karnstok, onder andere ge-bruikt
bij het bereiden van indigo * .
mauien, zie mawe.
maun, zie man.
maund, zie man.
74
Markal
maurissen, zie muris.
mausquit, zie mesqun.
mawe (a) · animistisch priester [ook: mauien, ma-yuin].
mayang (a) · palmbloesem [ook: majang].
mayang baru (a) · bloeistadium van de sagopalm,
waarin het meelgehalte in de stam begint af te ne-men
[zie ook: mahu putih, siriboa].
maypoosten (ii,2) · geweven kains * of doeken uit
Bengalen.
mayuin, zie mawe.
mazur (ii,2) · lastdrager. Hindustani mazur. stapel:
‘coelijs off arbeydsame menschen’ [ook: massuur,
masuyr].
meditatie (k) · overweging, beraadslaging.
meekrap (ii,2/ii,3) · plantaardige rode verfstof, ge-bruikt
voor het kleuren van textiel; zeer veel ver-handeld
in geheel Voor-Indië en Perzië. Er waren
bij de Compagnie vele Indische en Perzische namen
voor deze verfstoffen, zoals craproot * , foa * , galiga * ,
mandosti * , ruinas * en saye * . Een beschrijving bij mil-burn
I, blz. 141. De versameling der woorden
zegt: ‘foe sijn meewortelen in Persia’, elders: ‘man-dosti,
zaywortels om chitsen te verwen’. Dit is niet
juist, daar mandosti hetzelfde is als foa, terwijl saye
ook wel een verfstof is, maar van een andere plant
[ook: meewortelen].
meeningh (k) · bedoeling.
meewortelen, zie meekrap.
meidaan (ii,3/gm4) · plein, open ruimte. Als regel
werd bedoeld de beroemde meidaan te Isfahan; zie
stapel II, 3, blz. 280. De versameling der woor-den
zegt: ‘voorhoff des Tempels’. Perzisch maidan.
mElkkOyma (k) · oppervoogdij over een tempelge-bied.
melktusaar, zie malik ud tadjir.
melvingsdoek (i,1) · een bepaald merk van zeildoek.
Zie röding op Segeltuch.
menees (gm1) · kuiperijen, kwade praktijken [ook:
minees].
mengelen, zie mingelen.
men-i-akbar (p) · Perzische gewichtseenheid, 50
pond * .
men-i-sjah (ii,3/gm2) · Perzische gewichtseenheid,
overeenkomend met 11
1
Ú 2 pond * Hollands, verdeeld
in 2 men-i-tabriz * ;
1
Ú 36 carga * . Letterlijk: ‘konings-man’.
GM2: 5,89 kilogram [ook: chaman, manchia,
manschia].
men-i-surat (p) · Perzische gewichtseenheid, 34
1
Ú 2
pond * (gelijk aan 3 men-i-sjah * ).
men-i-tabriz (ii,3) · Perzische gewichtseenheid, een
halve men-i-sjah * . Genoemd naar de stad Tabriz.
Gelijk aan de batman * [ook: man-tauris].
mentie (k) · melding.
mentry, zie mantri.
menudentiën (t1) · kleinigheden, levensmiddelen
[ook: minutiën].
menzel (ii,3) · dagreis; in stapel omschreven als
rustplaats voor karavanen, eindpunt van de dag-reis.
Perzisch [ook: mansel, masel].
mera (ii,3) · rood. Maleis merah = rood.
merabulas, zie mirabolanen.
mercedes (gm2) · gunsten, lonen, ongeveer hetzelfde
als beneficiën. Spaans.
merckreaal, zie markreaal.
mere (gm11) · onvermengd, zuiver. Latijn merus.
merinho, zie marinjo.
merinje, zie marinjo.
meriteren (k) · waard zijn.
merocken (t4) · plunderen. Vermoedelijk afgeleid
van Spaans merodear.
merregose, zie margosa.
mesdjid, zie mesqun.
mesigit, zie mesqun.
mesnagie (k) · zuinigheid.
mesolany (ii,1) · eenvoudige sterke stof, van
Europees fabrikaat, veel naar Indië geëxporteerd.
Ze was half uit linnen, half uit schapewol geweven.
De oorspronkelijke naam, het Italiaanse mezzolana,
75
Mesolany
betekent dan ook half wol. Zie heiden in voce mes-solan.
mesqun (ii,1) · moskee. Verbastering van het Portu-gese
mesquita [ook: massige, mausquit, mesdjid,
mesigit, missigit, musquit].
mesties (ii,2/t2/gm1/k) · halfbloed, geboren uit ou-ders
van verschillend ras. Zie veth, blz. 97-101, en
yule-burnell in voce mustees. T2: persoon van ge-mengde
Aziatische en Spaanse afkomst. GM1: niet
scherp van de toepassen * te onderscheiden, het per-centage
Portugees bloed is bij hen groter. K: kind
van een Europese vader en een inheemse moeder.
mesusen (gm2) · misbruiken, overtredingen.
meticaal, zie muskal.
mexicaan, zie reaal van achten.
meyning (gm3) · verkoop bij opbod [zie ook: mijnen].
mierbaer (gm6) · ontvanger der havenrechten, een
lagere functie dan sjahbandar * . Perzisch mir-bahr =
havenmeester.
mierda, zie mirdaha.
mierikswortel (i,1) · de vlezige wortel van de mie-rik
(dat is lepelblad of peperwortel). Het extract
werd in opgeloste vorm meegenomen als middel
tegen de scheurbuik [ook: myr edick].
mignon (i,1) · kleinste soort scheepskanon.
mijl (k) · lengtemaat; de Duitse of Hollandse mijl
mat 7,407 kilometer.
mijnen (t2) · bezit verwerven bij publieke verkoop
[zie ook: meyning].
mille (ii,1/ii,2) · oorspronkelijk gierst, doch meest
gebruikt voor maïs of Turkse tarwe, die thans nog
in Zuid-Afrika millies heet. Portugees milho =
gierst. Zie veth, blz. 322 e.v. [ook: millie].
millie, zie mille.
mindjak rasamala, zie rasamala.
mine (gm4) · uitdrukking van het gelaat, gebaar.
minees, zie menees.
mingeldinge (gm1) · lage gelding, lage waarde.
mingelen (i,1) · inhoudsmaat, circa 1,2 liter, onder-verdeeld
in 8 mutsjes * [ook: kruik, mengelen].
minutiën, zie menudentiën.
mir shikar bashi (gm2) · opperjagermeester, tevens
hoofd der bossen, in Perzië [ook: immersi bassi].
mirab (gm6) · hoge beambte die het toezicht had over
alle waterzaken in Perzië.
mirabolanen (ii,1) · pruimachtige vruchten van di-verse
terminalia-soorten, meest de terminalia chebula.
Ze waren als laxans zeer in trek, en geconfijt ook als
versnapering. Zie verder kern II, blz. 52-53, myraba-lans
bij milburn II, blz. 218, en yule-burnell in vo-ce
myrabalans [ook: merabulas; zie ook: carica].
mirdaha (ii,2) · bij de Compagnie gebruikt als titel
van het hoofd der matrozen op de kleine inheemse
vaartuigen. Hindustani mirdaha is eigenlijk: het
hoofd van 10 man [ook: mierda].
mirdjumla (gm2) · schatmeester; de titel van de
hoogste minister, den ‘vertrouwder des rijks’, van
Golconda.
miroma (i,2) · plant met eetbare vrucht. Zie ri-chardson
[ook: miroude].
miroude, zie miroma.
miscal, zie muskal.
mise (gm5/gm6) · inzet, voorschot, inleggeld.
missigit, zie mesqun.
misslag (i,1) · overslag of overmaat. Een balk of knie *
wordt aan een andere verbonden met een voet mis-slag:
er een voet overheen strekkende.
mitjens (t1) · handschoenen [ook: mittens].
mittens, zie mitjens.
moa (t4) · alcoholische drank gedistilleerd uit de
bloemen van de bassia latifolia [ook: mowa].
mocquas, zie mukkuvas.
mocquodon, zie mocuddum.
mocuddum (gm11) · hoofdman [ook: mocquodon].
modeljaar, zie mudaliyar.
modim (a) · islamitische voorganger, die de gelovi-gen
oproept tot of voorgaat in het gebed [ook: mo-dun].
modliaar, zie mudaliyar.
76
Mesolany
modseddei, zie mossedy.
modun, zie modim.
moelawissaal (ii,2) · tol voor vervoer van goederen
langs de weg; ‘weghgelden’. havart I, blz. 149,
zegt: ‘moela-wizaal beteykend een geregtigheyd,
van ijder osse-dragt goed een wiza, ‘t welk omtrent
drie duyten * naar onze rekening beloopt’.
moerianattoe nambiaar, zie muriyanatty nam-biyar.
moernagel (i,1/i,2) · het uitgegroeide vruchtbegin-sel
van de kruidnagel * bloem, een ruim 2 centimeter
lange, op een olijf gelijkende vrucht, die tot de
voortplanting geschikt is. Hij bevat weinig olie en
werd geconfijt in suiker of wijn. Zie paulus sub vo-ce
kruidnagelen, blz. 456, en het woordenboek der
nederlandsche taal sub voce moernagel [ook: po-langh,
pulong].
moersacky, zie murasaki.
moeskoppen (ii,1/t3) · stropen, plunderend het land
doortrekken. De oorspronkelijke betekenis was do-den,
de kop inslaan. Zie verdam-verwijs in voce
moescoppen. T3: stropen, geld aftroggelen, stelen
[ook: muiskoppen].
moessaden (gm2) · eetbare kruiden, groenten.
moesson (k) · in Malabar is de zuidwestmoesson
(mei tot en met september) de natte of kwade tijd * ,
de noordoostmoesson (oktober tot mei) de droge
tijd * . Tijdens het begin van de zuidwestmoesson
was wegzeilen uit Malabar onmogelijk.
moesson, harde – (k) · de zuidwestmoesson, begin-nend
in mei, waarin geen scheepvaart naar Mala-barse
havens mogelijk was.
moetsilka, zie muchalka.
moetwillig (k) · kwaadwillig.
moga, zie magh.
moghta (i,2/ii,2) · goedkope zijde * van een in het
wild levende zijderups. II,2: ‘moghta off gebroocke
sijde’; stapel zegt ook dat ‘de doorgebete huysjes
in moghta of florette gaeren werden verhaspelt’.
Indien de vlinder uit de pop komt, voor deze is af-gehaspeld,
bijt zij er zich doorheen. Van de aldus
beschadigde draden werd moghta gemaakt. Ver-schillende
auteurs houden dit woord synoniem met
moonga. Dit is volgens yule-burnell echter een
soort wilde zijde uit Assam; in de toelichting lezen
we daar niettemin: ‘The floretta * yarn or muckta’.
Daaruit zou zijn af te leiden dat moonga iets anders
is als moghta [zie ook: mongo, selvatica].
mogol-ropia, zie bij ropia.
mohandiram (gm8/gm9) · GM8: officier bij de las-karen
* . GM9: in Kandy een functionaris belast met
het oproepen van de bevolking voor koninklijke
diensten; tevens eretitel. In Nederlands gebied offi-cier
over twee ranchchu (compagnieën) laskaren.
mohawat (gm7) · olifantendrijver (Coromandel)
[ook: mahout].
mohottala, zie mohottiar.
mohottiar (gm5/gm9) · GM5: secretaris (Kandy).
GM9: in Kandy was dit een functionaris van wisse-lende
rang, belast met het bijhouden van archieven;
secretaris. In het Nederlandse gebied was hij een of-ficier
in rang tussen mudaliyar * en mohandiram *
[ook: mohottala].
mohur (ii,3) · de eeuwenlang in Hindustan gebruik-te
gouden standaardmunt, oorspronkelijk 10 ropia * ,
later circa 14 ropia [ook: moor (gouden –), moor,
muhr; zie ook: xerafijn].
moleh, zie mulla.
molla, zie mulla.
mom (i,1/t3) · dik, krachtig, hopvrij bier uit
Brunswijk, genoemd naar de eerste brouwer, Chris-tiaan
Mumme. Duits Mumme. T3: het werd veelal
vanuit Europa op de schepen naar Azië meegege-ven.
momaansigt (k) · voorwendsel.
mommie (ii,1) · welriekende balsem, gebruikt als ge-neesmiddel,
speciaal bij beenbreuken, en om lijken
te balsemen. Van hetzelfde Arabische grondwoord
mumia is ook mummie afgeleid: met mumia gebal-semd
lijk. Zie ook woordenboek der nederland-sche
taal in voce mummie.
mong, zie moth.
mongo (ii,1) · wilde of boszijde (zie bij selvatica) van
een in Assam levende zijderups. Zie yule-burnell
in voce moonga [zie ook: moghta].
monnik, zie speen.
montassis (ii,3) · eenvoudige en zeer goedkope lijn-waden
uit Gudjarat.
mooiweerslap, zie bonnet.
77
Mooiweerslap
moonga, zie mongo.
moor (ii,2/gm4) · 1. naam waarmee in Voor-Indië
een mohammedaan werd aangeduid; de hindus
waren gentieven * . Portugees mouros. GM4: werd in
de oudere generale missiven moor voor moslim in
het algemeen gebruikt, geleidelijk kreeg het de zin
van (moslimse) onderdaan van de groot-mogol van
Ceylon; 2. mohur * .
moor, gouden – , zie mohur.
mop, hollandse – (gm9) · baksteen.
mopla (gm7) · moslim van gemengd Arabisch en
Indisch bloed [ook: mappilla, mapule].
morador (gm6) · ingezetene. Portugees.
morados, zie bij photas.
morats, zie marnas.
morbum (gm2) · syfilus. Morbus (gallicus).
moreas, zie muris.
morees, zie muris.
moreren (gm2) · zich ophouden, vertoeven.
mori (ii,3) · het lozingsgat in de bodem der bakken
waarin de indigo * bereid werd.
morlioen (t4) · mariljoen, harnas.
morri, zie muris.
morsserijen (gm4) · knoeierijen.
mortepay (iii) · soldaat of ambtenaar, wiens naam
op de monsterrol voorkwam en voor wie dus gage
werd betaald, maar die in werkelijkheid niet be-stond.
mortificeren (k/t4) · K: delgen, afdoen van een
schuld. T4: vernederen, tuchtigen. Frans mortifier.
mosaphij, zie mossahaffy.
mosquitje (i,1) · mal voor het gieten van musketko-gels.
mossahaffy (ii,1) · de koran. Arabisch mushâf = het
boek [ook: mosaphij, moussaffij].
mossedy (ii,2) · inheemse ambtenaar op Pulicat. sta-pel
omschrijft mossedy’s als ‘regenten en amptena-ren’.
De versameling der woorden zegt: ‘modsed-
deis, hoffbediendens in Bengalen’, en elders ‘mos-sedijs
zijn raadsheren op Cormandel’ [ook: mod-seddei].
mosserot (ii,3) · ‘boeckhouder van de munt’ in
Surat.
moth (gm9) · soort erwten [ook: mong, mung].
moucao (a) · moesson * , seizoen.
moude (i,1) · 1. korenmaat; 2. bak waarin men melk
te romen zette. Middelnederlands [ook: mouw].
moupa, zie mUtta.
mouri (ii,3) · zeer fijn, stofachtig en roodgekleurd
zand, dat bij de bereiding van indigo * daaronder
vermengd werd, ten dele om ze minder broos te
maken, ten dele om ze te verzwaren.
moussaffij, zie mossahaffy.
mouw, zie moude.
mowa, zie moa.
muchalka (ii,3) · schriftelijk vastgelegde verplich-ting,
contract. Bij de Compagnie werd er speciaal
mee bedoeld het beruchte verbandschrift, dat alle
vertegenwoordigers van Europese landen te Surat
in 1699 moesten tekenen, en waarbij zij zich verbon-den
alle schades, door Europese zeerovers aan in-heemse
handelaars toegebracht, te vergoeden. Hin-dustani.
Zie heeres-stapel IV, blz. 150-152 en
221-222 [ook: moetsilka].
mucker, zie mukari.
mudaliyar (ii,2/gm3) · ambtstitel van een inheems
hoofd van een provincie of district, ‘groodt-gouver-neur’.
Singalees. Zie ook yule-burnell in voce mo-delliar.
GM3: bij de Singalezen een militaire rang; de
Compagnie verstond er een ‘groot-gouverneur’ on-der
[ook: modeljaar, modliaar].
muddeke, zie mutsje.
mufti (p/gm5) · P: Mohammedaans wetgeleerde.
GM5: Moslimse rechtsgeleerde; hij geeft fatwa’s,
verklarende rechtsregels.
mugil, zie harder.
muhr, zie mohur.
muiskoppen, zie moeskoppen.
mukari (ii,3) · kameelverhuurders [ook: mucker].
78
Moonga
mukkuvas (k) · kaste * van zeevissers [ook: mocquas].
mulcteren (gm1) · beboeten.
mulla (ii,3) · aanvankelijk: patroon van een vrijgela-ten
slaaf, later onderwijzer of wetgeleerde, tenslotte
kenner van de koran. Hindustani. Zie yule-bur-nell
in voce moollah. stapel II, 3 zegt ‘priester’
[ook: moleh, molla].
munderi (ii,2) · gewichtseenheid voor parels * ,
1
Ú 4
cani * ,
1
Ú 16 man * .
mung, zie moth.
muniëren (gm5) · voorzien. Frans munir.
murasaki (gm3) · letterlijk: purper, ook gebruikt
voor soja. Japans [ook: moersacky].
murid (a) · leerling.
muris (i,1/i,2/t4) · veelgebruikte katoenen doeken,
ook ellefa * genoemd. yule-burnell sub voce moor-ees:
‘blue cloths, principally manufactured in the
districts of Nellore’. Het Javaanse mori = wit katoen,
is vermoedelijk hetzelfde woord. T4: eenvoudige
blauw katoenen stof; of witte textiel van hoogwaar-dige
kwaliteit uit Coromandel [ook: maurissen, mo-reas,
morees, morri].
muriyanatty nambiyar (gm6) · ‘vrijheer’ in het rijk
van Cochin, wiens gebied oostelijk van Cranganur
lag [ook: moerianattoe nambiaar].
muskaatnoten (i,1) · in de Compagniestijd onder-scheidde
men vier soorten: gave noten, hele rom-pen
* , stukken van rompen en vermijterde * noten.
Tegenwoordig kent men een onderscheiding in
drieën: gave of ‘vette’ noten, gerimpelde noten en
rompen. Zie janse, blz. 179 [zie ook: brouwersno-ten,
foelienoten, mannetjesnoten].
muskal (p/gm3) · P: Perzische gewichtseenheid,
1
Ú 1280
men-i-sjah * ,
1
Ú 32 ceer * ; een kilogram bevatte 217 mus-kal.
Het is de shekel van de bijbel. Arabisch mithkal.
GM3: gewicht van aanvankelijk 73 gram, later klei-ner
en vooral voor parels * in gebruik [ook: matical,
meticaal, miscal].
musquit, zie mesqun.
mustaaf-i-khAssa (gm5) · titel van de schatbewaar-der
van het rijk van de groot-mogol.
mustoffie memalik (gm6) · de mustaufi van de sjah * ,
het centrale hoofd van de financiën in Perzië.
muti (gm4) · kralen; de term is gebruikelijk in de
Timor-archipel.
mutsje (i,1) · inhoudsmaat,
1
Ú 8 mingelen * , circa 150
centiliter. Volgens een Duits Compagniesdienaar
was een mutsje ‘einem gemeinen Trinckglasz
gleich’ [ook: muddeke].
mUtta (k) · oudste prins [ook: moupa].
myr edick, zie mierikswortel.
N
na (k) · naar.
naamwaerdig (k) · noemenswaardig.
naar (ii,3) · waterbak. Meervoud nolar. Mogelijk
hetzelfde woord als ner * .
nabab, zie nawab.
nabetaling, zie bij stilstand.
nachoda, zie anachoda.
nadappe, zie bij dekkum.
nadenkelijk (k) · bedenkelijk.
nadestrook (i,1) · beplanking tussen de barghou-ten
* . Behalve door breeuwen werd die strook * dik-wijls
tegen indringen van zeewater beschermd door
er een lap zeildoek over te spannen, de naad-pre-senning
* [ook: trek].
nAdu (k) · een aantal buurtschappen waarin de nai-ros
* georganiseerd waren.
nAduvazhi (k) · civiel en militair hoofd van een na-du
* .
nagel, zie kruidnagel.
nagies, zie ngaju.
naik (ii,2) · veel gebruikte titel voor gouverneur; oor-spronkelijk
was het legeraanvoerder. valentijn V,
1, blz. 4: ‘de Naik of Grave’. De titel werd steeds
achter de eigennaam geplaatst: Kistappanayk,
Wenkepatanayk, etc. Zie ook yule-burnell in voce.
nairos (ii,2) · naam voor leden van de heersende
klasse in Malabar, onmiddellijk volgend op die der
brahmanen * . Het was de militaire kaste * bij uitne-mendheid,
‘sijn alle geboren krijgsluyden’. stapel
zegt ‘zijnde quasi edellieden’. Zie heeres-stapel II,
blz. 294, en de daar aangehaalde literatuur; zie ook
79
Nairos
stapel II, 2, blz. 294 noot 1, en nieuhof, Gedenk-waerdige
zee- en lantreyze, blz. 145-148. De versame-ling
der woorden zegt: ‘Neiras sijn groten off
rijksraden van den Samorijn * ’; elders ‘Nayros, sol-daten
tot Couchin op Malabar’. Het daghregister
1661 zegt ten onrechte ‘nairos of arbeydsvolk’ [ook:
nairs, nayars].
nairs, zie nairos.
nak (gm4) · titel voor een mandarijn (Siamees).
nalijs, zie goudrijs.
nambeddi, zie namburi.
nambiaer, zie nambiyar.
nambiyar (gm6/k) · GM6: titel (Malabar). K: onder-groep
van de ambalavasis * [ook: nambiaer].
namburi (gm6) · titel van de vier, later drie landhe-ren
uit de kaste * der brahmanen * , wier gebied tus-sen
Cochin en het land van de zamorin * lag.
Ainecutty nambuthiri was de zuidelijkste; hij stond
onder Cochin; de noordelijkste, de punatur nam-buthiri,
onder de zamorin; de middelste, de minst
machtige, de manakolam nambuthiri, stond onder
de beide vorsten [ook: nambeddi].
nambUthiri (k) · Malabarse brahmanen. Zij stonden
aan de top van de kasten * hiërarchie. Zij waren het
reinst en moesten zeer stringente leefregels houden
om hun status te bewaren. Hun autoriteit werd in
het hele land erkend. Zij waren sacrosanct en kon-den
daarom gemakkelijk als bemiddelaar of ambas-sadeur
optreden. Zij waren de sluitstenen en de
hoeders van de hinduïstische leefwijze. Samen met
dit geestelijk gezag ontleenden zij ook materieel
grote macht aan de tempellanden en aan particulier
grondbezit.
namptiseren (t2/gm3/gm5/gm9/gm11/k) · T2:
voorlopige genoegdoening geven. GM3/GM5: in
onderpand houden. GM9: van het Franse nantir,
een onderpand stellen. GM11: pakken, nemen.
Latijn namiare. K: als borgsom storten.
namptissement (gm6) · borgtocht, onderpand. Frans
nantissement.
namrak (ii,1) · uit Cambodja en Siam afkomstige
zwarte vloeibare lak, gebruikt om meubelen en sie-raden
te kleuren. Het is het sap van een zogenaam-de
vernisboom, welke rak heet. Vers is het melk-kleurig,
maar wordt, na enige tijd gestaan te
hebben, diep-zwart. Zie de omschrijving in palle-goix
I, blz. 144-145 [ook: tsieran, vamrak].
nardus, zie spica nardi.
narrenconders (ii,1) · katoenen lijnwaden van de
kust van Coromandel.
natahoudij, zie ngatahudi.
naturel, quastig – (k) · lastig karakter.
nauroes (gm5/gm9) · GM5: de aanvang van het
Perzische zonnejaar uit de voor-moslimse tijd en als
zodanig ook daarna in gebruik gebleven; het was
de 21ste maart. Daar de dag met de avond begon
om 6 uur, kan er ook over 20 maart gesproken wor-den.
Op deze dag werden rekeningen vereffend en
hoge ambtenaren benoemd of herbenoemd. Per-zisch
no-ruz = nieuwe dag. GM9: Perzische nieuw-jaarsdag
[ook: noroos].
navet (ii,1) · klein zeilvaartuig. Het woord werd ook
gebruikt als algemene naam voor vaartuig. Portu-gees
naveta = scheepje.
nawab (ii,2/gm1) · titel der stadhouders van de
groot-mogol over Bengalen, Orissa, Surat etc. In ’s
Compagnies stukken omschreven als ‘groot-gou-verneur’
of ‘vice-roy’. GM1: de gouverneur van
Bengalen namens de groot-mogol. Het woord is als
‘nabob’ in Europa voor een rijkaard uit Indië inge-burgerd
[ook: nabab].
nayars, zie nairos.
nazir (ii,3/gm2) · de hoogste ambtenaar in Perzië na
de grootvizier. De versameling der woorden
zegt: ‘superintendant van des conings van Persiën
werkhuyse; item dispensier * van alle guastos * ’. Dit
klopt met hotz, blz. 159-160, die hem tresorier
noemt. GM2: na de i’timad ud doulet * de aanzien-lijkste
dienaar van de sjah * ; het hoofd van diens per-soonlijke,
in het bijzonder financiële, administratie,
ook van alles wat de paleiszaken betrof. Van het
Arabische nazar = blik, gezicht.
neby, zie ngabehi.
negenguldensvogel (t4) · scheldwoord, oorsprong
niet aangetroffen.
negeri, zie negorij.
negorij (t2/gm1) · nederzetting, dorp, dorpsge-meenschap.
Maleis negeri [ook: negeri, negrij].
negotiepenningen (k) · geld dat de VOC voor de
handel naar de Oost mocht uitvoeren.
negrij, zie negorij.
80
Nairos
negroskleed (i,2) · guinees * . De naam geeft aan, dat
ze veel aan negers verkocht werden, daarom noem-de
men ze ook guinees lijnwaad.
neher (ii,3) · goot, afvoerpijp.
nely (i,2/ii,2/t2/gm2) · 1. Voorindische naam voor
rijst * in de bolster. II,2: afgesneden rijstaren. T2: on-gepelde
rijst. GM2: rijst in de aar, dus zoals ze te
velde staat. Maleis padi [ook: nily, padi]; 2. II,2:
blauwe katoenen doek. Voor de combinatie nely-goudchely
zie bij chiavonijs.
nempe (gm5) · namelijk, immers. Latijn.
nequanias, zie niquanias.
ner (ii,3) · (Hindustani) man; een weekbak bij de in-digo
* bereiding die zijn inhoud toevoert aan een an-dere
bak, die mada * (vrouw) heet. Mogelijk hetzelf-de
als naar * .
nesser (gm9) · eergeschenk bestaande uit goud-en/
of zilvergeld, aan vorstelijke personen of hoog-waardigheidsbekleders
aangeboden. Arabisch nazr
= wijden [ook: sigh offer].
nevel (ii,2) · kleine munt in Voor-Indië, niet overal
van gelijke waarde. De fanum * was verdeeld in ne-vels;
het aantal verschilde per plaats, bijvoorbeeld
volgens de uytrekening 8 à 9 te Machilipatnam, 9 à
10 te Datcheron, 10 à 11 te Bimlipatam. Zie valen-tijn
IV, 1, blz. 358-359 en moreland, blz. 95.
ngabehi (ii,3/gm6) · titel van Javaanse hoogwaar-digheidsbekleders.
GM6: destijds titel voor een re-gent
[ook: ingabey, neby].
ngaju (a) · vlerkstang of -balk van een vlerkprauw
[ook: assenadjo, nagies].
ngalamat (gm8) · voorteken, adres, opschrift. Uit
het Arabisch in het Javaans overgenomen [ook: alla-mat].
ngatahudi (gm4/a) · GM4: hoofd der roeiers.
Ternataans. A: voorzeiler in de hongi * , tevens titel
van het dorpshoofd van Mardika, in status onge-veer
gelijk aan een patih * [ook: gnatahoedi, nata-houdij].
ngofa manjira (ii,1/gm9/a) · Ternataanse titel voor
dorpshoofd. Zie de clercq, Bijdragen, blz. 324. va-lentijn
Ib, blz. 98 omschrijft het met hofjonkers.
GM9: titel van een dorps- of soa * hoofd in Ternate.
A: Noord-Molukse titel voor een hoogwaardig-heidsbekleder
[ook: gnoffamaniera].
nieto, zie nitu.
nietto, zie nitu.
nieuhaar, zie persintos.
nigromatie (t4) · zwarte kunst, tovenarij.
nila (ii,3) · zowel de naam van een blauw lijnwaad
als van de indigo * [zie ook: anil].
nily, zie nely.
nim (p) · Perzisch koperen muntje ter waarde van cir-ca
1 cent.
ninsin, zie ginseng.
niquanias (ii,1) · blauw en wit gestreepte katoenen
doeken uit Coromandel. Bij yule-burnell worden
ze nicannees genoemd. Zie ook heiden in voce neca-nias.
stapel spreekt van ‘niquanias of tappseyls * ’
[ook: nequanias].
nisan (gm4) · vorstelijk gunstbewijs, privilege.
nisi (ii,1) · Japanse naam voor ginseng * .
nitu (a) · geest, demon [ook: nieto, nietto].
nolar (ii,3) · meervoud van naar * .
norimon (ii,1) · draagstoel. Japans, letterlijk: ding
om in te zitten. Zie kaempfer, blz. 285 [ook: nori-mono].
norimono, zie norimon.
noroos, zie nauroes.
noten, gefoeliede – , zie foelienoten.
nuri, zie lurivogel.
O
oban (ii,1/gm1) · grote ban, gouden munt in Japan,
minder in gehalte maar groter in gewicht dan de
koban * of kleine ban. De oban was ongeveer tien
maal zo zwaar als de koban, doch slechts zeven
maal zoveel waard. Zie nachod, blz. 135. GM1: de
oban had een waarde van circa 45 à 60 taël * [ook:
oubang; zie ook: koban].
obat (a) · geneesmiddel [ook: oebat].
obreptief (gm6) · bedrieglijk, om de tuin leidend.
obrueren (gm4/gm5) · GM4: vernietigen. GM5: ie-mand
van zijn stuk brengen.
81
Obrueren
observeren (k) · naleven (een bepaling).
obsteren (gm1) · in de weg staan.
obtineren (k) · verkrijgen.
obtruderen (gm1) · opleggen, dwingen te aanvaar-den.
occagie (k) · gelegenheid.
octemael doulet, zie i’timad ud doulet.
oebat, zie obat.
offresseeren (t4) · aanbieden. Frans offrir.
oirbaar (t4) · voordeel, belang.
oirboor (t2) · voedsel.
oirnaals, zie bij bethilles.
oja pipit (gm7) · ambtsaanduiding in Siam.
okna (gm2) · aanduiding van de derde van de vijf
rangen van hoge ambtenaren in Siam.
okshoofd (i,1) · inhoudsmaat, 1
1
Ú 2 aam * of circa 230,4
liter.
ola (k) · palmblad.
ole (k) · ola * , brief; eigenlijk een brief op palmblad
geschreven.
olee, zie uli.
olibanum (ii,3) · wierook.
olifant (gm3) · de olifantster, die het einde van de
zuidwest-moesson * meebrengt en daarmee de zwa-re
buien van de overgang naar de noordoostwin-den.
Vertaling van het hindi-woord hathiya.
olijk (gm1) · klein, nietig.
oliteiten (ii,1/ii,3) · welriekende oliën of uit zoda-nige
oliën bereide artsenijen, balsem. Plurale tan-tum
van het Latijnse oleum.
olium terrae (gm9) · letterlijk aardolie of minjak ta-nah.
ombaxen (gm4) · links of rechts omwenden.
ombol, zie umbul.
omhouwer (i,1) · een kuipersgereedschap, namelijk
de hand-dissel * , om de schuine afkanting van de
randen der duigen te bewerken.
ommarauden, zie umara.
ompaggerd (gm2) · omheind. Zie bij pagar.
omslag (i,1) · het instrument dat dient om een boor
in vast te hechten en die dan in draaiende beweging
te brengen [ook: boorzwengel].
onbeslet (gm1) · onbelemmerd.
once (i,2/ii,1/gm3) · 1. II,1: gewichtseenheid voor
het wegen van edele metalen,
1
Ú 8 mark * of 2 lood * ; 2.
gewichtseenheid. I,2:
1
Ú 16 pond * . GM3: 0,031 kilo-gram
= 20 engels * = 640 aas * .
onderleggen (k) · proberen.
onderlegger (iii) · naam van het logement- of slaap-schip,
bestemd voor die ambtenaren en werklieden
op de Bataviase ree, die niet aan de wal konden eten
en overnachten. Het was oorspronkelijk niet het-zelfde
als de uitlegger of het wachtschip dat voor
bewaking van de ree diende, maar beide functies
zijn later gecombineerd.
onderschijdelijck (k) · verschillend.
onderstaan (k) · proberen.
onderstallig (i,1) · men noemde een schip onder-stallig,
als men het water niet meer naar de pompen
kon krijgen, bijvoorbeeld door verstopping der
pompbuizen met peper of rijst uit het ruim. Later
kreeg het woord de meer algemene betekenis van
beschadigd.
onderwicht, zie laccagie.
onderzeilskoelte (i,1) · zodanige wind dat men
geen topzeilen kon voeren, maar alleen de onder-zeilen,
dat is grootzeil en fok * [zie ook: schoverzeil].
ong gia (gm2) · aanspreektitel in Tonkin, ongeveer
Oude Heer.
ongeoorboort (gm1) · onbenut, ongebruikt.
ongeposeert (gm4) · onbetrouwbaar, ongestadig.
ongevoelig (k) · ongemerkt, langzamerhand.
onkostelijk (k) · goedkoop.
ontramponeren (k/t4) · vernielen, beschadigen
[ook: tramponeren].
ontstaen (k) · kwijtraken, missen.
82
Observeren
83
onverdulligheyt (gm7) · ongeduld.
onwaer worden (gm1) · ontwaren.
oogwit (k) · oogmerk, doelwit.
oortje (p) · munt ter waarde van
1
Ú 4 stuiver * = 2 dui-ten
* = 4 penning * .
opboeien (gm1) · het boord van vaartuigen verhogen
met opstaande zijplanken [zie ook: boeien].
opdonderen (gm2) · verschijnen.
opgijen (t4) · een zeil gedeeltelijk ophalen zodat het
minder wind vangt.
opiniatreren (gm2) · koppig blijven volhouden.
oplangen, zie bij buikstuk.
oplangers (i,1) · planken die men in verticale rich-ting
buiten tegen het schip bevestigde, om daar-langs
de lading aan boord te hijsen.
opofferen (gm2) · aanbieden.
opperhoofd (k) · hoofd van een Compagniesvesti-ging.
oprapet, zie uparat.
oproeten (gm6) · opstellen.
optoght (gm3) · krijgstocht.
oranbay, zie orembaai.
orancayo, zie orangkaja.
orang (a) · mens.
orang laut, zie toradjeners.
orangbabay (a) · vermoedelijk orangtua * .
orangbaik, zie orembaai.
orangkaja (ii,1/a) · titel voor dorps- of landschaps-hoofd.
Maleis, letterlijk: rijk mens. A: rijk man; titel
voor een dorpshoofd, in status lager dan radja * of
patih * [ook: orancayo, oremcay].
orangkaja besar (gm2) · Maleise titel, letterlijk: rij-keman
grote.
orangkaja kamera (a) · lid van de Grote Leitimorse
Landraad of van de Hituse Landraad.
orangtua (a) · dorpsoudste [ook: toua-toua].
ordre (k) · wachtwoord.
orembaai (ii,1/iii) · oorspronkelijk een alleen in de
Molukken gebruikte naam voor hoog opgebouwde
vaartuigen met kiel, zonder vlerken, en die door pa-gaaiers
werden geroeid en gestuurd. De voor perso-nenvervoer
ingerichte orembaais hadden in het
midden een stevig gevlochten dak, waar de passa-giers
onder zaten, en een of meer gong-spelers bo-venop.
Deze laatsten gaven de maat voor de roeiers
aan. In de zeventiende eeuw werd het op Batavia
een van de meest geliefde ontspanningen om op
maanavonden op de rivier of de stadsgrachten te
gaan orembaaien. De gong-spelers werden dan ver-vangen
door het uit slaven samengestelde huisor-kest.
Het woord orembaai is waarschijnlijk een ver-bastering
van het Maleise rémbaja = staatsievaar-tuig,
waarvoor het Portugese lidwoord o is ge-plaatst.
Door Jan Compagnie werd het meestal ver-basterd
tot orang baik (= fatsoenlijk mens). Zie va-lentijn
IIa, blz. 182-183 en de haan, Oud-Batavia II,
blz. 222 [ook: aranbay, aranbayck, oranbay, orang-baik].
oremcay, zie orangkaja.
ori (ii,3/p) · zilveren Perzische munt ter waarde van
1
Ú 10 thoman * of circa ƒ 4. Zie hotz, blz. 399-400.
ornijs (ii,3) · kostbare lijnwaden van zijde * en goud-draad,
‘die de vrouwen dragen in plaats van sluy-ers
om ‘t aangesigt te bedecken’. Zie ook yule-bur-nell,
11b.
osmani, zie assumanis.
otisaals, zie bij bethilles.
otona (ii,1) · (Japans) oorspronkelijk hoofd van een
familie, later een ambtenaar. In Compagniespapie-ren
werd het woord geregeld vertaald door burge-meester,
wat onjuist is. Beter: wijk- of straatmeester.
In de keizerlijke steden vond men meerdere oto-na’s.
kaempfer, goed op de hoogte, zegt op blz. 199
dat de otona is ‘hoofd en hooge overigheid van zij-ne
straat’, en op blz. 235 ‘onzen tegenwoordigen ot-tona,
die, behalven ‘t bestier over een der straaten
der stad [Nagasaki] ook voorzien is met ’t gebied
over ons eyland Desima’. Zie voor zijn functies op
Decima nachod, blz. 417-418. Ook feenstra kui-per,
blz. 89-90 [ook: ottena].
ottena, zie otona.
oubang, zie oban.
oulij, zie uli.
oupaty, zie upeti.
Oupaty
outingpoyers (t4) · Chinese zeerovers afkomstig uit
een niet nader geïdentificeerde plaats in de omge-ving
van Amoy.
outouwte, zie uti-uti.
outrequidance (gm1) · aanmatiging, schaamteloos-heid.
overaest (gm1) · overvoerd.
overdragen (gm1) · vertalen.
overen, naar - gaan (gm1) · naar de overwal gaan.
overleggen (k) · laten liggen tot het volgende sei-zoen.
overloop (i,1) · oude naam voor het onderdek van
een schip, later algemeen voor dek * . Ook in samen-stellingen
als koebrugs * overloop en schutoverloop * .
overloopsband (i,1) · band of richel langs het dek *
van een schip.
overloopsplank (i,1) · dek * balk.
overloopswurp (i,1) · overloopsbalk [zie ook:
worp].
overschrijven (k) · schriftelijke rapportering.
overwinst (k) · winst, dat is opbrengsten minus kos-ten
[zie ook: winsten].
P
p L . (gm5) · provisioneel.
ps., zie pees.
paai (iii) · 1. betalingstermijn, betaaldag; 2. portie of
aandeel [ook: paey].
paalkist (i,2) · oorspronkelijk de kist, later het fonds,
waarin het paalgeld of ankergeld werd bewaard.
Uit dit fonds werden bekostigd de te nemen veilig-heidsmaatregelen
voor de scheepvaart, als het leg-gen
van bakens en het plaatsen van vuurtorens.
Enkhuizen had het recht van paalkist voor de toe-gangswegen
tot de Zuiderzee; het moest de bakens,
tonnen etc. onderhouden, maar mocht daarvoor
van alle binnenkomende schepen zekere betaling
eisen.
paantje (i,2/ii,2) · linnen of katoenen lap, door de
Afrikaanse negers als kledingstuk - meest lenden-doek
- gebruikt. Het woord is in de zeventiende-
eeuwse Nederlandse handelstaal overgenomen uit
het Portugese pano en dit weer uit het Latijnse pan-nus
= lap. Zie ook het woordenboek der neder-landsche
taal op paan; tevens veth, blz. 134-136
[ook: pansje, pantsje; zie ook: panje].
paap (gm1/t4) · GM1: priester, ook gebruikt voor de
islam (hadji’s * of moskeepersoneel). T4: benaming
in de voc-bronnen voor een katholieke of heidense
priester.
pacca (p) · zuiver, echt, rein. Perzisch pâk.
pacha, zie pasja.
pactouw (t2) · particuliere handelsgoederen die
door schepelingen aan boord meegenomen moch-ten
worden. Frans pacotille.
padack, zie pedak.
padatij, zie pedati.
padi, zie nely.
padjak (gm9) · belasting.
padres (t2) · jezuïetenpaters, benaming voor Span-jaarden.
paduakan (a) · groot Makassars-Buginees handels-vaartuig.
paene, pæne (gm2) · poene, boetedoening.
paep, grote – , zie dairo.
paetie, zie patih.
paey, zie paai.
pagar (ii,1) · omheining, haag. Ook een versterking,
door zodanige pagar omgeven. Maleis [ook: pag-ger].
pagelaran, zie bij pantjaniti.
pagetter, zie paljetter.
pagger, zie pagar.
pagode (ii,1/ii,2/p/gm9/k/t1) · 1. munt op de kust
van Coromandel, door de Compagnie berekend op
120 stuiver * ; onderverdeeld in 16 grote en 24 kleine
fanums * . II,2: munt ter waarde van 6 Hollandse gul-den.
Zie yule-burnell in voce pagoda, c. P: in
Deccan had men een pagode die 8 Perzische larij-nen
* gold. GM9: pagode tibbekis is de Vengurlase
pagode; pagode sannegrijs of sammegrijs is de
84
Outingpoyers
85
Canarase pagode; pagode St. Thomas is een zilve-ren
munt met de beeltenis van St. Thomas, geslagen
door de Portugezen. K: gouden Zuid-Indiase hin-dumunt
ter waarde van 3 tot 3
1
Ú 2 ropia * . In 1694 be-paalde
de gouverneur-generaal de wisselkoers als
volgt: 1 pagoda tibbekis is 75 stuiver, 1 pagoda sam-megrijs
is 112
1
Ú 2 stuiver [zie ook: ikery]; 2. T1:
Chinese tempel; 3. II,2: afgodsbeeld.
paikar (ii,2/gm3) · kleinhandelaar. In stapel II, 2,
blz. 63: ‘paykaars off voorkopers’. Zie yule-bur-nell
in voce picar. GM3: kleinhandelaar, kleine ma-kelaar.
paille, zie blom.
pais (ii,2/ii,3/gm3) · kleine koperen munt ter waar-de
van
1
Ú 64 ropia * ,
1
Ú 4 ana * . Zie ook yule-burnell in
voce pice. II,3: onderverdeeld in 36 amandelen * en
80 cauris * . stapel II, 3, blz. 54 zegt ‘peysen, sijnde
een halve stuyver * , maeckende 42 en 45 peysen min
of meer een ropia’. GM3: muntje van
1
Ú 6 ropia [ook:
peis, peisa, peys, pisson].
pakhuismeester (k) · beheerder van de pakhuizen,
verantwoordelijk voor de conservering, uitgifte en
ontvangst van de waren.
pakschip (gm11) · schip tot vervoer van gepakte goe-deren.
palankijn (t1) · draagstoel [ook: palanquin].
palanquin, zie palankijn.
palempuris (i,1) · ‘a kind of chintz bed-cover’ (yule-burnell).
paligaar (gm11) · leenvorst (Madurai).
paliyat achar, zie paljetter.
paljetter (gm4/gm6) · GM4: titel van een der mach-tigste
‘vrijheren’ in Cochin; zijn landbezit lag tussen
die stad en Cranganur. GM6: Paliyat achar, bij de
VOC paljetter, was de titel van het voornaamste le-gerhoofd,
tevens hoofd-radjadoor * van Cochin, met
een eigen gebied [ook: pagetter, paliyat achar].
palmeer, zie palmiraplank.
palmero, zie palmiraplank.
palmiet (ii,3) · ‘Het jonge groeipunt van de stam,
z.g. palmiet, wordt als groente gegeten (palmkool,
die ook als zuur wordt ingemaakt)’ (paulus op kala-pa).
De versameling der woorden zegt: ‘het pit in
‘t bovenste sagte gedeelte van den tronk der cocos-boom,
soet van smaak en lekker, gelijk aan onse
bloemkool.’
palmijtboom (i,1) · boom waaruit men het palmiet *
haalde. Maleis kalapa = klapper.
palmiraplank (ii,2/gm3) · plank van de palmira- of
waaierpalm. Zie voor deze boom en zijn veelzijdig
nut yule-burnell in voce palmyra. GM3: plank van
de palmyra- of lontarpalm, borassus flabellifer [ook:
palmeer, palmero].
pampangers (iii/t2) · een groep in de Molukken en
Batavia wonende christen-inboorlingen, afkomstig
uit de landstreek Pampanga (Luzon, Filippijnen).
Door de Spanjaarden werden zij vooral als soldaten
gebruikt en gewaardeerd. Reeds in 1613 ontmoet
men Pampangers in de Molukken en in de jaren
van Coens tweede gouverneur-generaalschap
woonden er in Batavia. Zij gingen tot de hervormde
godsdienst over en werden later verenigd met de
mardijkers * . Hun juiste naam is Pampango’s. Zij
dienden veelal als voc-soldaten. Zie de haan, Oud-Batavia
I, blz. 514-516 [ook: Papangers].
panache (gm2) · pluim met diamanten [ook: pi-natche].
panakawan (gm7) · page, huis- of lijfbediende.
Javaans.
pancado (ii,1/gm1) · van het Spaans-Portugese pan-cada,
een handelsterm met de praktische betekenis:
verkoop in het groot. In de handel met Japan had
dit woord een speciale betekenis. De Portugezen
verkochten witte Chinese zijde * ‘en bloc’ of ‘de pan-cada’
(= tegelijk) aan de gouverneur van Nagasaki,
die het in het klein weer verkocht. Dit gebruik bleef
van kracht in de Compagniestijd; ook tijdens de
vestiging van een kantoor der Compagnie in Japan
mocht deze de Chinese zijde niet aan de kooplieden
verkopen, maar alleen aan de gouverneur. De prijs
werd, bijvoorbeeld ten huize van een der burge-meesters
van Nagasaki, bepaald door tien voorna-me
kooplieden, uit elk der vijf keizerlijke steden
twee, ‘en Compagnies opperhooft, dog alleen in
schijn, ter andre sijde’. Geleidelijk kreeg nu het
woord pancado de betekenis: prijsbepaling van de
zijde (GM1: prijszetting van hogerhand). Alle ande-re
waren mochten eerst worden verkocht, nadat de
pancado was vastgesteld. In 1655 werd de pancado
opgeheven, maar in 1685, bij het eindigen van de
taxatiehandel en het invoeren van de limitatiehan-del,
werd ze weer ingesteld, nu niet alleen voor ru-we
* Chinese, maar voor alle zijde, terwijl tevens be-paald
werd dat nu
1
Ú 3 van het gelimiteerde
omzetbedrag uit zijde moest bestaan. Zie stapel II,
1, blz. 442 en 487 e.v., nachod, blz. 131, 354-355 en
390, en valentijn, Japan, blz. 94.
panches, zie pangsis.
Panches
pancier (p) · harnas.
pandelecoer, zie panniyUr.
pandidar (gm6) · pachter van het bestuur over een
gebied (Coromandel).
pandit (gm6) · brahmanen * -titel. Een nevenvorm is
‘pantel’. Meervoud: pantelu.
panembahan (ii,1) · titel der vorsten van Mataram,
voor zij die van susuhunan aannamen (1620). Ook
in West-Borneo werden sommige vorsten panem-bahan
genoemd. Het woord is afgeleid van sémbah,
eerbewijs, en betekent: voorwerp van eerbiedige
verering.
pangawa, zie punggawa.
pangayen (gm2) · roeien, pagaaien.
pangeran (ii,1) · adellijke titel op Java, ook hier en
daar in Maleise landen overgenomen, als regel
slechts gedragen door zoons of broeders van rege-rende
vorsten, en dan ook meest vertaald als prins.
pangia (ii,2) · zijde * van prima kwaliteit uit Bengalen
[ook: pangium].
pangium, zie pangia.
panglima (ii,1/gm1) · stadhouder of rijksbestuurder.
Ook in de verbinding panglima-radja. Het grond-woord
is lima, vijf, waarmee de hand wordt aange-duid
die weer het symbool is van de uitvoerende
macht. GM1: titel van de vertegenwoordigers van
de Atjehsen vorst ter westkust van Sumatra en el-ders.
pangoeloe, zie penghulu.
pangsis (t1) · zijden doeken uit China [ook: pan-ches].
panical, zie panikkar.
panikkar (gm6/k) · titel van een bestuurder ter kust
van Malabar; eigenlijk nairo * schermmeester [ook:
panical].
panje (ii,3) · lap of stuk lijnwaad. Vergelijk Latijn
pannus en Portugees pano = lap. In het Nederlands
bestaat het woord nog als paan. De uitdrukking ‘4
panje broals * ’ in stapel betekent dus: 4 stukken bro-als
[zie ook: paantje].
panniccecoer, zie panniyUr.
pannioercour, zie panniyUr.
panniyUr (k) · een van de twee traditionele nambut-hiri
* facties, die Calicut steunde [ook: pandelecoer,
panniccecoer, pannioercour; zie ook: chovvaram,
kurmalsaram].
pansje, zie paantje.
pantchiallang, zie pantjalang.
pantebalcken (ii,2) · balken van een duurzame
houtsoort uit de omstreken van Palicol. De naam is
dubieus. havart III, blz. 14, zegt pautekebalcken.
pantel, zie pandit.
pantjalang (iii/gm4) · 1. groot Maleis zeilvaartuig,
gesloten, dat is met doorlopend dek * , en een of twee
masten. Daar ze uitnemende zeilers waren werden
ze bij de bestrijding van zeeroof gebruikt. Het
Maleise pentjalang betekent eigenlijk ‘schip, dat op
de uitkijk wordt gezonden’, van tjalang = uitkijk.
GM4: een vaartuig van naar de streek wisselende
aard, soms een van planken gebouwd groot han-delsvaartuig,
soms een kruiser van de zeerovers
[ook: pantchiallang, pantjalling]; 2. III: bevolkings-patrouille,
politie-afdeling.
pantjalling, zie pantjalang.
pantjaniti (gm7) · poëtische, verheven benaming
voor de pagelaran, de plaats voor het vorstelijk ver-blijf,
waar de hoofden hun opwachting kwamen
maken.
pantsje, zie paantje.
papangers, zie pampangers.
papeda (ii,1) · sago * pap of brij. Zie paulus III, blz.
672, en valentijn IIa, Ambon, blz. 158 [ook: pape-do].
papedo, zie papeda.
pappery (ii,3) · platte schijfjes indigo * ; ook wel ge-bruikt
voor indigo van tweede kwaliteit [zie ook:
getty].
papua’s (gm3/gm6/a) · GM3: kustbewoners van
Nieuw-Guinea en van de daarvoor gelegen eilan-den.
GM6: onder Papua’s verstond men destijds de
mensen van de eilanden bezuidoosten Halmaheira,
de zogenaamde Radja-Empat-eilanden; wat men nu
Papua’s zou noemen heetten Novaguineeërs. A:be-woners
van de eilanden beoosten de Molukken,
‘kroesharigen’ [zie ook: Alfoeren].
par tout (gm1) · na afloop van, bij het einde van.
86
Pancier
paradijshout, zie aloëhout.
paradijskorrels, zie cardamom.
paragon, zie bij diamant.
parang (ii,1/t1/gm9) · kapmes. Maleis. T1:
Hakmes, houwer. GM9: pede * [ook: paringh, par-rang,
parryng].
para-para (ii,1) · rak of stelling van latwerk, onder
andere gebruikt om koffiebonen, muskaatnoten *
etc. op te drogen. Maleis [ook: parra-parra].
parasang, zie farsakh.
paratanda (gm1) · controleur, opzichter. Maleis per-tanda
= persoon, die aantekent.
parava’s, zie parrua’s.
paraveni landen (gm9) · landerijen op Ceylon die
erfelijk in persoonlijk eigendom werden bezeten
[zie ook: pernevium].
parawa’s, zie parrua’s.
parcallen (i,1) · dicht geweven katoenen lappen.
Vergelijk Middelnederlands perkaal; vermoedelijk
van het Perzische pargâlah = lap. van hoytema zegt
sub perkal: ‘oorspronkelijk Indisch effen katoen,
soort cambric, mooi wit, eenigszins geappreteerd,
veel bedrukt. Batist mousseline is perkal’ [ook: per-callen].
pardau (ii,1) · oorspronkelijk Portugees pardao, in
Goa geslagen zilveren munt ter waarde van 300
reis. In het belang van ’s Compagnies handel op de
kust van Malabar werden ze ook in Holland gesla-gen.
Later kwamen ook gouden pardaus voor. Zie
vooral rouffaer-ijzerman I, blz. 222 e.v.; ook yu-le-
burnell in voce.
pardesaan (i,2) · lange hellebaard. Frans pertuisane.
pardoen, zie bakstag.
parel, zie bij internet, margarithaparels en
stampparel.
parelgruis, zie stampparel.
parelzaad, zie stampparel.
parelzijde, zie bij ardassina.
pareren (gm3) · gehoorzamen.
paresse (gm9) · jaarlijkse audiëntie van de salagama *
of kaneelschillers-kaste * bij de gouverneur te
Colombo. Bij deze gelegenheid konden klachten
worden besproken.
paringh, zie parang.
parnakkan, zie peranakan.
paroa (k) · lang en smal roeivaartuig. Paroo.
parra (ii,2/k/gm3) · 1. graanmaat, niet overal van
dezelfde inhoud, zodat meest het gewicht erbij
werd gevoegd. In Pulicat had men parra’s van 48,
op Ceylon van 40, in Nagapattinam van 37
1
Ú 2 pond * .
In Pegu werd de rijst * verhandeld bij parra’s van 52
pond. K: Malabars gewicht van 40 pond; 2. GM3:
vaartuig van de zuidoostkust van India.
parrang, zie parang.
parra-parra, zie para-para.
parrua’s (ii,2) · christen-inlanders, langs de kust van
Madurai wonend. Ze hielden zich vrijwel uitslui-tend
met de parelvisserij bezig. Zie de uitvoerige
toelichting met literatuuropgave bij heeres-stapel
I, blz. 510 noot, en nieuhof, Gedenkwaerdige zee- en
lantreyze, blz. 149-152. De versameling der woor-den
zegt: ‘parruas sijn St. Thomas-Christenen * ’
[ook: parava’s, parawa’s; zie ook: patangati].
parryng, zie parang.
parsingh, zie loop.
parten (gm2) · delen.
partiaal (gm1) · door partijzucht gedreven.
partij (k) · vijand, concurrent.
partisaan, zie pertisaan.
parwanna (ii,2) · een geschreven bevel, privilege of
gunstbrief. Een gunstbrief door de groot-mogol zelf
verleend en getekend werd steeds firman * ge-noemd,
terwijl de door de rijksbestuurders, gouver-neurs,
onderkoningen en dergelijke verleende pri-vileges
parwanna’s heetten [zie ook: caul, firman,
mandament].
pas (k) · vaarvergunning.
pasanggrahan (gm6) · logeergebouw voor reizende
ambtenaren. Javaans.
pasar (t2) · markt. Maleis [ook: passer].
pascedel (k) · pasbrief; borg werd geëist dat geen an-87
Pascedel
dere route werd gevaren dan in de pasbrief be-schreven.
pasja (ii,3) · Turkse en Arabische vorstentitel [ook:
baschia, bassa, pacha; zie ook: sjah].
passebaan (gm5) · plaats waar de vorst aan zijn on-derdanen
gelegenheid gaf hem hun hulde te betui-gen.
Paseban.
passeelken (gm1) · pascedel * , paspoort.
passer, zie pasar.
pataat, zie patatta.
patache (ii,1) · 1. klein schip, adviesjacht. Het woord
is in het Portugees als patacho overgenomen uit het
Arabische batash = wachtschip, ook tweemastschip
[ook: petache]; 2. patakan * .
patakan (t2) · benaming voor verschillende zilveren
munten. Spaans patacon, Portugees patacao [ook: pa-tache].
patamer, zie path-mAr.
patangati’s (ii,2) · titel van de hoofden van de par-rua’s
* , ‘sijnde sooveel als burgermeesters in onse
landen’. De versameling der woorden zegt: ‘pat-tangatijns
sijn inlandsche hooffden der paarlduy-kers’
[ook: pattangatijn].
patani, zie patteni.
patatta (ii,1/gm4/t3) · uit Amerika overgebrachte
eetbare wortelknol. Portugees batata, Engels sweet
potato. Zie kern I, blz. 229, en II, blz. 178. Als meer-voud
soms patattasen. GM4: ipomoea batatas, eet-baar
knolgewas. T3: bataat, zoete aardappel. Maleis
ubi jawa [ook: bataat, pataat, pattadda, pattatte].
patchery (ii,2) · tweetal, paar. Verschillende doeken
werden in het klein verkocht bij ‘’t patchery off 2
stux’. Werd dit woord gekoppeld aan de naam van
een lijnwaadsoort, dan betekende dit waarschijn-lijk:
van dubbele breedte.
pate, zie patih.
pathanen, zie pattanen.
path-mAr (p/gm1) · P: bode te voet, koerier. huygen
van linschoten, blz. 112: ‘die Indiaensche Booden,
die de brieven in de winter van d’een plaats op
d’ander draghen’. GM1: renbode [ook: patamer,
pattaman].
patholen (ii,3/iii/gm4) · fijne gewaden, meest van
zijde * . Zie yule-burnell in voce patola. stapel II, 3,
spreekt op blz. 8 van ‘patholen of sijde chindos’,
maar op blz. 222 van zowel ‘cattoene patholen’ als
‘zijde patholen’. Herhaaldelijk worden patholen en
sitsen * voor dezelfde lijnwaden gebruikt. GM4:
licht zijden weefsel met slangenmotief [ook: patola,
petola.
patih (ii,1/gm1/gm4/gm7/a) · titel voor Maleise en
Javaanse hoofden, oorspronkelijk heer. GM1: in het
Ambonse komen ambtstitels voor die aan de
Javaanse doen denken, maar niet dezelfde beteke-nis
hebben. Daar is patih ‘het hoofd’. GM4: in het
Ambonse een der titels voor dorpshoofden. GM7:
in het algemeen de rechterhand van het hoofd van
een regentschap (Cheribon). A: titel voor een dorps-hoofd,
qua status tussen radja * en orangkaja * [ook:
paetie, pate, patty].
patinggi, zie petinggi.
patkas (ii,3) · goedkope lijnwaden uit Surat. Patka
(Hindustani) is een band, door de eenvoudige man
als gordel gedragen en ook wel als tulband.
patola, zie patholen.
patrocineren (gm2) · verdedigen, beschermen.
patrocinie (gm5) · beschermheerschap.
pattadda, zie patatta.
pattalas (gm9) · platboomd schip, op de Ganges ge-bruikt
voor transport van salpeter en andere goede-ren.
Bengaals pateli.
pattaman (p) · 1. vaartuig met Middellandse-Zeetuigage
of drie masten, dat veel op de westkust
van Voor-Indië voorkomt. Zie yule-burnell; 2.
path-mar * .
pattanen (ii,3) · Indische naam voor de Afghanen
en hun afstammelingen. Zie stapel II, 3, blz. 71, en
yule-burnell in voce Puttán [ook: Pathanen].
pattangatijn, zie patangati.
pattars (k) · Tamil brahmanen * , waren meest geld-schieter,
handelaar of landbezitter [ook: pattres].
pattas, zie petas.
pattatte, zie patatta.
patteni (ii,2) · ruwe * zijde * van prima kwaliteit, maar
nog geheel onbewerkt en ongekleurd, dus zoals ze
van de cocon komt. Ze bestaat echter alleen uit de
beste, ongebroken draden, terwijl de grovere of
88
Pascedel
stuggere draden, die aan de buitenzijde van de co-con
zitten, er evenmin bij gehaspeld zijn [ook: pata-ni;
zie ook: potti].
pattilla (p) · koperen pan.
pattres, zie pattars.
patty, zie patih.
paulisten (gm7) · missionarissen van de Jezuïeten-orde.
pautekebalcken, zie pantebalcken.
payement (k) · kleinere munten, bedoeld voor dage-lijks
gebruik, meestal in patria reeds gesnoeid en
ontmunt.
peaupous (ii,1) · raadsheren in militaire zaken, in
China.
pecco (i,2) · thee * van beste kwaliteit, de zogenaamde
thee met witte puntjes. Chinees pe-hoa = wit haar.
peda, zie pede.
pedack, zie 1. pedak; 2. pede.
pedak (i,2/ii,3/iii/gm3) · tijdelijk verblijf, passanten-huis.
II,3: tijdelijk verblijf, in tegenstelling tot stenen
huis. III: hut. Men vindt houten en bamboezen pe-dakken
vermeld in ’s Compagnies papieren. Maleis
pètak, oorspronkelijk afgesloten ruimte of vak, maar
ook ‘eene zeer kleine woning, van enkele hokjes
voorzien’ (de clercq, Het Maleisch). In het
Bataviaas Maleis heeft het thans ook de betekenis
kajuit. Zeer waarschijnlijk is dit de stamvader van
het Engelse paddock, dat ook omheinde ruimte bete-kent
(in I,2 verwijst Stapel naar het Maleise pondok).
GM3: afgescheiden gedeelte, bijvoorbeeld van een
huis of een schip, vaak: winkelpand. Maleis [ook:
padack, pedack, petack, pondok].
pedarm, zie pede.
pedati (gm8) · buffelkar met schijfwielen, vroeger
ook een vorstelijke koets, door vele buffels getrok-ken.
Javaans [ook: padatij].
pede (i,1/gm1/gm9) · een wapen, bestaande uit een
stok of kolf, met ijzer beslagen of van een ijzeren
punt voorzien. Etymologisch verwant met pedalum
= herdersstaf. GM1: kort, stijf rapier, waarmee een
rondassier * was bewapend. GM9: slag- of steekwa-pen
[ook: peda, pedack, pedarm; zie ook: parang].
pedra de porco (ii,1) · varkenssteen, gevonden in de
gal van varkens. Deze steen had grote waarde als
tegengif en werd volgens huygen van linschoten
meer op prijs gesteld dan de bezoar * . Portugees. Zie
kern II, blz. 69, en baldaeus, blz. 169.
pee (i,2) · derde kwaliteit Bengaalse zijde * . Portugees
pé = voet [ook: peeu; zie ook: kwaliteit, tresoortis].
pees (i,1) · stuks. Afgekort als ps. Portugees peça,
Frans pièce.
peeskes, zie peshkash.
peettas, zie petas.
peeu, zie pee.
peis, zie pais.
peisa, zie pais.
pelam, zie peling.
pelang, zie peling.
peling (i,2/ii,1/ii,2) · zijdeachtige stof uit Voor-Indië
en China, maar vooral uit Tonkin. Het proces, vol-gens
welke ze gekleurd worden, heet nog thans in
de Archipel pelangi of plangi. Zie jasper-pirn-gadie
III, blz. 84 e.v. en blz. 239 e.v.; ook rouffaer-juynboll,
blz. 214-215 [ook: pelam, pelang].
pelinghs, zie poleng.
pelong (a) · inheems vaartuig.
pelongs (i,1) · geschakeerde kleedjes van allerlei
kleur. Mogelijk dezelfde als polengs * .
penghulu (ii,1) · oorspronkelijk een vorstentitel,
thans op Java gebruikt voor de leider van het mos-kee-
personeel. Het grondwoord ulu = hoofd [ook:
pangoeloe; zie ook: ponglu].
penning (ii,1/p/k) · 1. gewichtseenheid voor het we-gen
van edele metalen,
1
Ú 12 mark * of 2 karaat * ; 2. P:
munt ter waarde van
1
Ú 320 gulden * =
1
Ú 16 stuiver * =
1
Ú 2
duit * . K: kleinste rekeneenheid in ‘s Compagnies
boeken,
1
Ú 16 stuiver.
pennist (k) · klerk of schrijver.
peon, zie pion.
pepatih (gm9) · hoofdregent.
pepela, zie pipal.
peper (k) · groeit in het heuvelgebied en tegen de
berghellingen. Het is een klimplant; als staken die-89
Peper
nen keurig in het gelid geplante bomen, vaak de
areek. De korrels zitten als bessen in ritsen aan de
ranken. In Malabar werden ze in januari en februari
geplukt en gedroogd in de zon, waardoor de kor-rels
zwart werden. Onrijpe korrels verschrompel-den
en moesten uitgezeefd worden (harpen * ). De
VOC moest er bij de inkoop op letten dat dit ge-beurd
was, anders diende er bij het wegen met slin-king
rekening gehouden te worden. Witte peper
werd verkregen door het wegwassen van het bui-tenste
vliesje.
peper, lange – (gm4) · soort Spaanse peper, capsicum
longum.
perahera (gm6/gm9) · GM6: het grootste, jaarlijkse,
boeddhistische feest op Ceylon. GM9: jaarlijkse re-ligieuze
processie [ook: perrehere].
peranakan (gm6/gm9) · GM9: iemand die in het
land is geboren van een inheemse moeder en een
uitheemse vader (GM6: gewoonlijk een Chinees)
[ook: parnakkan, pranakan].
percallen, zie parcallen.
perdana (a) · titel van de leden van het vierhoofdig
bestuur van Hitu.
pericliteren (gm1) · in gevaar brengen.
perimbo dapponade, zie perumpadappu swarU-pam.
perle-bouton (i,2) · halfronde parel * [zie ook: inter-net].
pernambuchout (p) · een houtsoort die een purper-rode
kleurstof oplevert [ook: bresielyhout].
pernevium (gm7) · bepaalde vorm van landuitgifte
op Ceylon [zie ook: paraveni landen].
peroatin, zie proatin.
peropesen (gm1) · niet nader geïdentificeerde doe-ken
of weefsels.
perpetuaan (i,1) · een zeer sterke, serge * achtige stof,
oorspronkelijk uit Portugal afkomstig, later veel in
Engeland gemaakt, thans ook in Frankrijk.
Letterlijk: eeuwigdurend, vandaar ook wel sempi-terne
genoemd.
perrehere, zie perahera.
persintos (ii,3) · ‘bindsels of banden, daar men de
bedsteeden meede bint en toerijgt, om ‘t bed op te
leggen’ (stapel II, 3, blz. 100). De moren * noemden
ze nieuhaar.
pertisaan (gm6) · soort hellebaard, in gebruik bij het
voetvolk.
peruaan, zie reaal van achten.
perulero (gm2) · lichte reaal-van-achten * met een
waarde van slechts 32 stuiver * , door knoeiers naar
Batavia gebracht om ze als volwaardige realen uit
te geven.
perumpadappu swarUpam (k) · het Cochinse ko-ningshuis
met zijn vijf tavazhis * : madattumkil, mut-ta,
paluruuti, chazhur en elaya [ook: Perimbo
Dapponade].
peshkash (ii,3) · de gedwongen schenkingen aan in-heemse
autoriteiten om tot de handel te worden
toegelaten. Perzisch, letterlijk: de eerste vruchten.
Speciaal in de boeken der Compagnie van Bengalen
ontmoet men hiervan jaarlijks grote posten [ook:
peeskes, recognitiepenningen].
peshwa (gm2/gm7) · GM2: eerste minister. GM7: er-felijke
eerste minister der Maratha’s.
peso (gm3) · munt ter waarde van 5 realen-van-ach-ten
* [ook: pesoduro].
pesoduro, zie peso.
petache, zie patache.
petack, zie pedak.
petas (ii,1) · katoenen kleden met strepen en hoof-den
* . Zie de omschrijving bij rouffaer-juynboll,
blz. 156 en XII; ook yule-burnell sub vocibus piece-goods
en puttee [ook: pattas, peettas].
petinggi (gm7) · dorpshoofd. Javaans [ook: patinggi].
petola, zie patholen.
petulantie (gm4) · opvliegendheid, woestheid.
peverel, zie blom.
pexeren (gm11) · zondigen. Latijn peccare.
peys, zie pais.
peysteren (ii,1) · laten weiden, namelijk de reispaar-den.
Vandaar ook pleisteren, rusten. Zie verdam-verwijs
sub voce peisteren.
90
Peper
pharo (gm6) · prauw. Prahu.
philander (gm9) · buidelrat.
photas (ii,2) · sterke, met ruiten geweven doeken.
Hindustani phuta = gespikkeld. yule-burnell
geeft, in voce piece-goods, het artikel fautahs, en om-schrijft
dat door ‘loinbands’ (fautah is Hindi). Ook
de gecombineerde naam morados fotas komt voor;
de uytrekening zegt, onder Bengalen, ‘4 pees * fotas
is een marados’ [ook: fotas].
phra-klang (gm1) · titel van de opperschatmeester
van Siam, de ‘eerste minister’, die onder andere het
contact met vreemdelingen onder zich had [ook:
bercquelang, berkelang].
piaal (gm6) · bokaal, wijnschaal. Perzisch piyala.
piek (i,1) · 1. gaffel, een spriet of paal, aan de ene zij-de
gaffelvormig om de mast sluitend en dienend
om een zeil aan vast te maken; 2. het spits toelopen-de
deel van een schip, onder in het ruim, zowel aan
voor- als achtersteven.
piering, zie piring.
pierken, zie piring.
pijp (i,1/iii) · lang, smal, buisvormig wijn- of olievat,
met een inhoud wisselend van 400 tot 500 liter.
Spaans pipa. De Engelsen hebben het al heel vroeg
overgenomen als naam voor een biervat; een
Engelse pipe had een inhoud van 572
1
Ú 2 liter. In het
Middelnederlands komt het eveneens voor en
noemde men Engels bier ook wel pipenbier.
pijpestellen (gm4) · last veroorzaken, onwillig wor-den.
pikol (ii,1/p/k) · draaglast; zoveel als een man aan
een juk kan dragen, meest bepaald op 125 pond * .
Onderverdeeld in 10 gantang * en 100 kati * . Maleis
pikul; pikulan = juk. P stelt de pikol op 120 pond en
maakt onderscheid in de pikol Siam en pikol Pegu
van dat gewicht en de pikol Batavia en pikol
Tayouan van 122 pond. K: 122
1
Ú 2 pond.
pilaar, zie reaal van achten.
pilaarbijten (gm1) · huichelen.
pileren (gm2) · roven.
pillai (k) · een nairo * van hoge rang [ook: poele,
poellij].
pimpeltje (i,1/i,2) · inhoudsmaat, klein drinkvat van
glas of porselein, niet steeds even groot; het oorlam
werd erin verstrekt. Voor medicijnen, limoensap en
dergelijke gebruikte men pimpeltjes van
1
Ú 8 mutsje * .
pimpou, zie ping pu.
pinang, zie areka.
pinas (iii) · oorspronkelijk een smalle sloep, later ook
een kleine galei * en een snelvarend jacht, dat zowel
door riemen als zeilen werd voortbewogen. Spaans
pinaza, Portugees pinaça. De naam is afgeleid van
het Latijnse pinus = dennehout.
pinasse (ii,2) · sterke stof, geweven van de vezels der
ananas-plant. Dit maakt de combinatie pinasse-gin-gams
* min of meer hybridisch, daar gingams uit ka-toen
geweven zijn. yule-burnell spreekt van pe-niascoes.
pinatche, zie panache.
ping pu (gm5) · ambtenaar van het departement van
Oorlog (China) [ook: pimpou].
pint (i,1) · inhoudsmaat,
1
Ú 2 mingelen * of 4 mutsjes * ,
circa 0,6 liter.
pion (ii,2/ii,3/gm1) · Voorindische naam voor een
inheemse bode, loper of bediende. De versameling
der woorden zegt ‘Inlandse huursoldaten’. Het is
het Portugese peao, van pé = voet, en de oorspronke-lijk
betekenis was: soldaat te voet. GM1: infanterist
van inheemse landaard [ook: peon].
pipal (ii,3) · de heilige vijgeboom van Voor-Indië, die
in houtsoort en bladvorm veel op de populier lijkt,
waarmee zijn naam verwant is. Hindustani. Zie yu-le-
burnell in voce peepul [ook: pepela, pipla].
pipla, zie pipal.
piring (i,2) · bord of schotel. Maleis [ook: piering,
pierken].
pisson, zie pais.
pistolet (gm2) · Spaanse gouden munt, waarde circa
ƒ 9 à ƒ 10.
pitcharinge, zie bidjara.
pitchiaeren (t1/t4) · T1: overleggen. T4: bespreken,
onderhandelen, beschouwen, overwegen [ook: pit-siaren;
zie ook: bidjara].
pitje (ii,1) · zie bij kasje. Het Chinese piti was de
naam van een munt van slecht gezuiverd tin. Thans
is het in Indië nog de naam voor dubbeltjes. Javaans
pitjis.
91
Pitje
pitjes kandaga, zie cauris.
pitsiaren, zie pitchiaeren.
plaan (gm7) · vlakte. Latijn planum.
placcaat (k) · verordening.
plangi, zie bij peling.
plano, de – (gm7) · volkomen, geheel.
platform, zie waterpas.
plichtelijck (k) · plechtig.
ploeg (iii) · soort schaaf, behorend tot het gereed-schap
van de scheepstimmerman, om groeven in de
lange zijde van planken te maken [ook: ploeg-schaaf].
ploegschaaf, zie ploeg.
pluggeren (gm4) · ploeteren, zwoegen.
plunderagie (i,2) · plunje, zeemansterm voor kle-ding.
pluymgraaf (t4) · opzichter over het pluimvee, vaak
gebruikt bij wijze van scherts.
poasse, zie puasa.
pochmolen (gm9) · molen waarmee ertsen en stenen
werden fijngestampt.
pockelen, zie pukul.
podeer (gm2) · macht. Portugees poder.
poeier, zie blom.
poelang, zie poleng.
poele, zie 1. pillai; 2. poleng.
poellij, zie pillai.
poespas (t4) · stamppot met rijst.
poetrie jammelang, zie putri djamilan.
poetsjok, zie putjuk.
poeyer (gm1) · poedersuiker.
poilzijde (i,2) · zijde * met pluisvormende draden, ge-bruikt
bij het weven van fluweel. Frans poil [ook:
poolzijde].
pokken, ambonse –, zie pokken, spaanse –.
pokken, spaanse – (iii) · syfilis. Zie stapel III, blz.
206 noot 3 [ook: pokken, Ambonse –].
polangh, zie moernagel.
polayepanam (gm9) · belasting op kokospalmen.
polemiten (i,2/ii,1) · sterke, effen en gladde stoffen,
oorspronkelijk van kemelshaar gemaakt en daarom
vroeger ook wel kamelotten genoemd; later ook
van wol [zie ook: barkan].
poleng (i,1) · ruit; gebruikt in combinatie met een
textielsoort, zoals tapis poleng. stalpaert zegt van
poleng ‘anders genoemt tjambes’ en omschrijft ze als
kleine kleedjes, ‘ruytwijs geschoren’. Poleng komt
in de Javaanse weefindustrie nog zeer veel voor.
jasper-pirngadie bespreken bijna honderd poleng-soorten.
Mogelijk is de bij de Compagnie veel voor-komende
naam boulang voor een soort kleden een
verbastering van poleng. Javaans [ook: poelang,
poele; zie ook: govers, pelinghs, pelongs, timbes].
poligar (gm4) · leenman, landheer.
politeyk, zie politijk.
politie (k) · het publiek bestel; beleid; bestuur.
politiek, zie politijk.
politijk (t3) · bestuurlijk vertegenwoordiger (resi-dent)
van de Compagnie in de dorpen op het
Formosaanse platteland [ook: politeyk, politiek].
pommerijs (ii,3) · 1. kostbare zijden of halfzijden
doeken, als tulband om het hoofd gewonden. Ze
waren zeer duur; uit stapel II, 3, blz. 225 blijkt dat
de gewone soorten nog ƒ 30 à 35 per stuk kostten.
Dit lijkt onmogelijk veel voor een doek van 3 el *
lang en 1 el breed, en daarom is het waarschijnlijk
dat met pommerijs ook nog andere kledingstukken
werden bedoeld. De inheemse naam schijnt pamri te
zijn. yule-burnell in voce pambre geeft enige voor-beelden
waar het door ‘mantle’ wordt vertaald. Dit
klopt met de omschrijving in de versameling der
woorden, waar wij lezen: ‘eermantels, die tot ge-schenk
worden gegeven’.
pond (gm2/k) · GM2: gewicht; het Amsterdamse of
Trooise (van Troyes) was 0,494 kilogram, het
Delftse, Antwerpse of Brabantse 0,4697 kilogram,
het Keulse 0,4677 kilogram. K: het Amsterdamse
pond (lb.) diende als basisgewicht.
pond, engels – (p) · gewichtseenheid,
9
Ú 20 kilogram.
92
Pitjes kandaga
pond, frans – , zie livre.
pondereren (gm1) · overwegen.
pondok, zie pedak.
ponglu (ii,1) · titel voor ambtenaren op Sumatra.
Vermoedelijk een samentrekking van penghulu * .
Het woord komt voor in de samenstellingen pong-loe-
daats (zie bij datjing), pongloe-cavel (capal =
schip) en pongloe-warang (barang = goederen). De
bedoelde ambtenaren moesten dan het weeggeld,
het scheeps- of ankeragegeld en het goederengeld
innen.
pont (k) · breed, platboomd vaartuig.
poolzijde, zie poilzijde.
poot, zie potti (1).
pooti, zie potti (2).
popely (ii,2) · doek, waarvan de schering uit zijde * ,
de inslag uit katoen of floretzijde * bestaat. Thans
heet nog in de textielnijverheid een halfzijden stof
popeline. Combinaties waren popelijs-borre * en po-pelijs-
talpony * .
pori (ii,1/gm4) · Chinees legeraanvoerder. nieuhof
(Het gezantschap) gebruikt het in zijn beschrijving
van het eerste grote gezantschap naar China enige
malen, en vertaalt het door veldheer. Een echt
Chinees woord kan het niet zijn, daar het Chinees
geen r kent. GM4: De bovenstaande mededelingen
zijn onjuist en dienen te vervallen.
portuurlijn (t1) · een zwaar eind tros, dat vastge-maakt
aan de kraanbalk, geschoren door de ring
van het anker en daarna belegd binnen boord, het
anker gevangenhield tot het commando ‘vallen’.
possi-possihout (ii,1) · naam voor een tweetal duur-zame
houtsoorten, vooral gebruikt bij de bouw van
huizen. Zie de omschrijving bij van eeden-duyfjes.
Minahassa’s.
potdeksel, zie bosbank.
potti (ii,2/k) · 1. de ruwe * zijde * , zoals ze van de co-con
komt, wordt in twee kwaliteiten onderschei-den;
de beste is de patteni * , de mindere de potti.
Men neemt daarvoor de minste cocons en boven-dien
‘wort aan beyde eynden al de grove sijde met
den afval en hooftjes daar ingebonden’ [ook: poot];
2. K: titel van een ambalavasi * [ook: pooti].
pouy, zie pu yüan.
praaien (gm4/gm6) · GM4: met een scheepsroeper
contact zoeken. GM6: met een scheepsroeper dan
wel met seinvlaggen ondervragen [ook: verprey-den].
practica (gm2) · ervaring hebbend.
praecaveren (gm4) · voorbehoud nemen, zich in
acht nemen.
pranakan, zie peranakan.
prauw majang (gm9) · soort vissersvaartuig.
preadmoneren (gm1) · van te voren waarschuwen,
aanmanen.
precario (gm1) · tegen betaling van lasten en tollen.
precipiant (k) · voortvarend, snel.
preëminentie (gm1) · voorrecht, privilege, bevoor-rechte
positie.
prefigeren (gm1) · van te voren vaststellen, fixeren.
prejudiceren (k) · benadelen, schaden.
prejudiciabel (gm2) · nadelig.
presenning (i,2) · dek * kleed van geteerd zeildoek,
dat over de luiken werd gespannen om het indrin-gen
van het zeewater te voorkomen. De doden, die
overboord moesten worden gezet, werden in een
presenning genaaid, met lood bezwaard.
presuppost (gm2/k) · GM2: veronderstelling. K:
voorwendsel.
preteritie (gm7) · weglating. Frans préterition =
schijnbare weglating.
pretinde (ii,3) · stof uit Broach, half zijde en half ka-toen.
preuve (k) · proef.
prevative (k) · voornamelijk.
preveren (gm11) · beroven. Latijn privare.
priey, zie prijaji.
prijaji (gm6) · ambtenaar, lid van de hoofdenklasse.
Javaans [ook: priey].
prijs (i,1/i,2) · buitgemaakt schip van de vijand.
Vergelijk Latijn prensum [ook: prinse].
93
Prijs
prijsering, zie prijsstelling.
prijsstelling (i,2) · in de uitdrukking ‘verkoop te-gen
prijsstelling’, dat is tegen door Heren XVII vast-gestelde
prijzen [ook: prijsering; zie ook: stok].
prinse, zie prijs.
prinsesaai, zie bij saai.
prinsestukje (ii,1/gm1) · klein, draagbaar kanon. In
de constructie had prins Maurits deel gehad.
priseren (gm2) · schatten, de waarde bepalen.
proatin (gm5) · lokaal hoofd van lagere rang in
Benkulen [ook: peroatin].
proberen (gm2) · bewijzen.
procederen (gm2) · verwerven.
procedido (gm1) · opbrengst.
profligeren (gm6) · verslaan. Latijn profligare.
prolix (gm1) · wijdlopig.
promptitudo (k) · stiptheid, vlugheid.
propagatie (gm6) · voortplanting, uitbreiding.
propulceren (gm1) · terugdrijven, afweren.
prosequeren (gm9) · vervolgen.
protractie (gm1) · vertraging.
provintiedaalder (ii,1) · munt, in de verschillende
provincies geslagen en van het provinciewapen
voorzien, overal van dezelfde waarde, en bij plak-kaat
der Staten-Generaal van 1606 gesteld op 2 gul-den
8 stuiver * , later 2
1
Ú 2 gulden. De waarde was in
Indië gelijk aan de daar meer bekende Spaanse re-aal
* , namelijk 60 stuiver [ook: kopdaalder; zie ook:
zwaardrijksdaalder].
puasa (gm7) · de moslimse vastenmaand [ook: poas-se].
pukul (a) · kloppen (van sago * meel) [ook: pockelen].
pullery (ii,2) · tolgeld op uitgaande goederen in
Coromandel en Golconda. Volgens havart I, blz.
149, was pullery oorspronkelijk ‘een geschrift we-gens
de geregtigheid, die aan den Heer voor het
weyden van draag-beesten betaald word’ [ook: ba-te-
pullery, laet-poelery].
pulong, zie moernagel.
punatur nambeddi, zie bij namburi.
punggawa (gm7) · algemene term voor hoofd, vaak
een districtshoofd (Boni) [ook: pangawa].
putjuk (ii,1/ii,3/t3) · II,1: 1. zoetruikende gom van
de corypha gebanga, als inheems geneesmiddel ge-bruikt.
Uit het merg van deze boom werd ook een
minderwaardige sago * bereid; 2. Voorindische wor-tel,
de costus indicus, die veel naar China werd uit-gevoerd
als ingrediënt voor de Chinese offerstokjes.
II,3: 1. inheems geneesmiddel, bereid uit het merg
van de corypha gebanga. Javaans. 2. Voorindische
wortel, ingrediënt van de costus indicus. De versa-meling
der woorden zegt: ‘een soort van watten
(?). Ook een wortel, die een aangename parfuym
geefft, of in ’t Latijn costus odoratus’. Zie yule-bur-nell
in voce putchok. T3: zoetruikende gom, afkom-stig
van de costus indicus, een wortelsoort die als in-grediënt
voor wierook wordt gebruikt [ook:
poetsjok].
putrefactie (gm5) · rotting, bederf. Frans putréfac-tion.
putri djamilan (gm7) · gebruikelijke titel voor de
moeder van de vorsten van Pagarujung en Suruaso;
ze had grote invloed en het recht met het buiten-land
te corresponderen, als ware ze koningin van
Minangkabau [ook: poetrie jammelang].
pu yüan (gm4) · term waarmee in literaire taal een
Chinese gouverneur zichzelf aanduidde, bijvoor-beeld
in een bevelschrift. Zie ook vixseboxse, blz. 26
[ook: pouy].
Q
quaartslieden, zie kwartslieden.
quadreren (gm2) · overeenstemmen.
quale (gm4) · riviermond. Maleis kuala.
qualijk (k) · nauwelijks.
quarteel (i,1/i,2) · 1. I,1: een spekton bij de walvis-vangst.
Volgens kernkamp, blz. 324 noot, gelijk aan
4 okshoofden * ; 2. I,1: bij de Compagnie een specerij-maat
van circa 350 pond * kruidnagels * , 500 pond
muskaatnoten * of 200 pond foelie * bevattend. Dit
was natuurlijk niet constant, daar de quarteel een
inhoudsmaat was en het gewicht dus variëren kon.
In I,2 wordt de inhoud gelijkgesteld aan
1
Ú 4 oks-hoofd.
94
Prijsering
95
quartille (gm2) · Spaanse koperen munt met een
waarde van circa
1
Ú 3 cent [ook: malvadis].
quartodienst, zie kwartodienst.
quastig (k) · lastig.
quastos, zie guastos.
quatihout, zie kiatehout.
quel, zie galjoot.
quelpart, zie galjoot.
quent (ii,1) · gewichtseenheid voor het wegen van
edele metalen,
1
Ú 64 mark * of
1
Ú 4 lood * [ook: quintijn].
quetchoda-passant (p) · een kwaliteit zijde * .
quey, zie kjahi.
quidam (k) · een vreemd en, in ongunstige zin, zon-derling
individu.
quijt worden (k) · kwijtraken, afzetten.
quintijn, zie quent.
quipattij, zie kipatih.
quitasol (t2/gm2/gm3) · T2: parasol van bamboe-constructie.
GM2: staatsieregen- of zonnescherm.
GM3: staatsiezonnescherm, een waardigheidsteken
[ook: kitasol, kittesol].
quitchil, zie kaitsili.
qutbsjah (gm4) · algemene naam van de koningen
van Golconda.
R
ra (i,1/i,2) · I,1: lange ronde paal of spier * , haaks
hangende aan een mast en waaraan de zeilen beves-tigd
zijn. Een driemastschip had 12 à 15 ra’s, die elk
hun eigen naam hadden. Aan de achterste mast
hing een ra in schuine richting, dienende om de be-zaan
* aan te bevestigen. Deze schuine ra werd
steeds roe genoemd. I,2: ‘Van de ree vallen’: straf
aan boord waarbij de gestrafte aan een lijn gebon-den
van de ra werd getrokken zodat hij in zee viel.
Soms werden daarbij de benen met lood bezwaard
om hem een goede onderdompeling te bezorgen
[ook: ree, rheede].
rabarber, zie kalambak.
rabat (i,1) · 1. percentuele korting op de bepaalde
prijs; 2. serge * .
radaar, zie rahdar.
radeen, zie raden.
raden (ii,3/gm7) · inheemse titel op Java. GM7: lid
van het vorstelijk geslacht van mindere rang dan
een pangeran * [ook: radeen, radin].
raderijen, zie rahdari.
radical, zie bij tsieeuw.
radin, zie raden.
radix china (i,1/ii,1/t1) · gedroogde wortel van de
smilax China L., als medicijn tegen huidziekten ge-bruikt.
Uit dezelfde plant wordt de thans nog in de
pharmacopae gebruikte sarsaparille verkregen. Zie
kern II, blz. 41 e.v., en China root bij milburn II, blz.
502 [ook: wortel-china].
radix nisi (gm9) · de ninsin of ginseng * wortel, ge-bruikt
voor medicinale doeleinden [ook: som].
radja (ii,2/a/k) · vorst. A: titel van een in status
hoog dorpshoofd. K: koning. Zie s’jacob XXXIII
[ook: raedja, ragia, ragie].
radja muda, zie koning, jonge –.
radjadoor (gm4/k) · GM4 blz. 232: ter kust van
Malabar een aan het Portugees ontleend woord
voor regent; ook in de samenstelling ragiadoor-mor,
opperregent; blz. 636: lokale plaatsvervanger
van een vorst; radjadoor-moor (moor, mor = groot)
was de voornaamste radjadoor, de rijksbestuurder,
de opperregent. K: functionaris onder de radja * die
het dagelijks bestuur in handen had. Hij leek veel
op een stadhouder [ook: ragiadoor, ragiewaar, re-gedore].
radoer, zie rahdar.
raedja, zie radja.
ragia, zie radja.
ragiadoor, zie radjadoor.
ragie, zie radja.
ragiewaar, zie radjadoor.
rahdar (ii,2) · inner der tolgelden. Het woord bete-kent
letterlijk: die over de weg gesteld is [ook: ra-daar,
radoer; zie ook: rahdari].
rahdari (ii,2/gm2) · wegtollen of doorvoerrechten.
Zie yule-burnell in voce radaree. GM2: tolrecht op
Rahdari
het vervoer te land, tolkantoor [ook: raderijen; zie
ook: rahdar].
rahout, zie reehout.
rakit (gm4) · vlot. Maleis.
rakshA-bhOgam (k) · jaarlijkse som voor bescher-ming
die bondgenoten en vazallen aan de
Malabarse radja * betaalden.
rala, rale (gm5) · Singalese eretitel voor een man
van hoge geboorte.
ramboetin (ii,2) · ruige, ‘harige’ katoenen doek. De
uytrekening zegt, onder Tegenapatnam, ‘ramboe-tijns,
3 pees * worden uyt één pees Guinees * lijwaet
gescheurt; ook maer twee, of anders van ijle sa-lampouris
* , daertoe geprepareert’. Men vergelijke
voor de naam het Maleise rambut = haar, alsmede
de rode harige vrucht rambutan.
rampaard (i,2) · laag en kort scheeps-affuit * . van yk
(blz. 267-268) verklaart de naam rampaard daaruit,
dat het kanon dezelfde dienst deed als de middel-eeuwse
ram of muurbreker. Het woord is echter zo
goed als zeker overgenomen van het Italiaanse ram-pardo
= verdedigingswerk. Zie ook woordenboek
der nederlandsche taal op roopaard [ook: ra-paard,
rolpaard, roopaard].
rampassen (gm6) · roven. Vanouds gebruikelijke
term in de omgangstaal der Nederlanders in de
Indische archipel. Maleis rampas.
rAni (k) · de oudste vrouw in een taravad * , en daar-om
hoofd ervan.
ranken (t1) · streken.
rantak (a) · klein kanon.
rantsoenhouten (i,1) · de twee oprijzende steun-balken
van de achterboeg. Ze rusten op de achter-steven
en vormen de omraming van de spiegel * .
rapaard, zie rampaard.
rapine (gm1) · roofzuchtige.
ras (i,1/ii,1) · gekeperde wollen of zijden stof, zeer
glad geweven en geschoren, zodat men geen haar
ziet. Er waren talrijke soorten rassen. De naam is
ontleend aan het Latijnse rasus = geschoren;
Italiaans raso. Zie heiden [zie ook: kroonras, laken-ras,
raset].
rasamala (ii,1) · welriekende vloeibare balsem, in
Arabië en Voor-Indië bereid uit de liquidambar orien-
talis. Zie paulus in voce [ook: getah rasamala,
mindjak rasamala, rassamalie].
raseren (t3) · slopen, verwoesten.
raset (ii,1/gm1) · de fijnste rassen * werden rasetten
genoemd. GM1 geeft raset de betekenis van ras.
rassamalie, zie rasamala.
ratel (ii,3/p) · gewichtseenheid in Arabië. In Mokka
een
1
Ú 2 man * of 100 wockia * . P: in Perzië
1
Ú 4 men-i-sjah * ,
10 ceer * [zie ook: cheharek].
ratu (gm6) · titel van de hoofdvrouw van de susuhu-nan.
ratubagus (gm5) · in Bantam de titel van een zoon
van een sultan bij een bijvrouw van lage rang.
ravelijn (gm4) · blz. 272: halvemaanvormige voor-schans;
blz. 466: voorschans van een vesting ter
dekking van een poort of dergelijke.
rawa (gm6) · moeras. Maleis.
reaal (ii,1/t2/gm1) · Spaans-Portugese munt van 6
stuiver * . Daarnaast bestonden: 1. de reaal-van-ach-ten
* of standaard-reaal (afgekort als a/r), een zilve-ren
munt ter waarde van 8 realen of 48 stuiver
(GM1: sedert 1622 60 stuiver), 2. de reaal van vieren
ter waarde van 24 stuiver, 3. de mark- of Spaanse
reaal * , die in Indië 60 stuiver gold.
reaal, spaanse – , zie markreaal.
reaal van achten (k) · zilveren Spaanse munt, ge-munt
in Mexico, Peru en Sevilla. Zie bij reaal [ook:
colonne, mexicaan, peruaan, pilaar, seviliaan].
reaal van vieren, zie bij reaal.
recenteren (gm4) · aanvullen, verversen.
rechatta (ii,2) · fijne katoenen doek. Over chelasse
rechattas zegt Van Linschoten (kern I, blz. 63): ‘seer
fijn ende subtijl ghewrocht, ende wert veel in Indiën
ghesleten, oock meer gheacht als zijde * : want in de
prijs de zijde altemets te boven gaet om zijn fijnig-heyt
ende wonder aerdigheyt; zijn ghenaemt
Rechatas ende Cheylas’ [ook: regatty; zie ook: che-la].
recht van naeste (k) · recht van koop tegen dezelf-de
prijs als door een ander geboden.
recibidor (gm9) · ontvanger van landrenten en
hoofdgelden (Jaffna).
96
Rahdari
recognitiepenningen, zie peshkash.
recompens (k) · compensatie.
recreute (gm3) · aanvulling in een garnizoen.
redijt (gm1) · herhaling.
redimeren (gm2) · loskopen, afkopen, vrijkopen.
redoute (t2) · kleine schans of versterking.
ree, zie ra.
ree, van de – vallen, zie bij ra.
reehout (i,1) · houten lijst om het scheepsboord, ter
hoogte van het opper-dek * [ook: rahout].
reehoutscent (i,1) · sent * ter hoogte van het ree-hout
* .
reetsel (ii,2) · maaksel, speciaal van zijde * gezegd.
Men onderscheidde gerede en ongerede (onget-wernde
en ongekleurde) zijde.
refactie (i,2/ii,1/gm1/gm2) · korting, verleend na
de levering van een product, indien dit bleek niet
overeenkomstig de monsters te zijn geleverd, of
aanvankelijk onzichtbare gebreken te hebben, zoals
lijnwaden die bij het uitpakken bleken ‘geplekt’ te
zijn. Tegenwoordig gebruikt men daarvoor het
woord fusti. II,1: ook meer algemeen, onkosten, tar-ra,
korting voor beschadiging. GM1: vergoeding,
schadeloosstelling. GM2: voldoening.
refreneren (gm6) · inperken, beteugelen. Latijn ref-renare.
regaleren (gm4) · bij de hofreis met een geschenk
vereerd worden (Japan).
regam (gm7) · handschrift, schriftelijk bevel, vooral
van de sjah * uitgaande. Perzisch rakam.
regarde, ten – van (k) · ten aanzien van.
regatty, zie rechatta.
regedore, zie radjadoor.
regeling (i,1) · brede houten lijst die rondom het
scheepsboord, met name rond het campagne * dek,
liep ‘daer men met de armen op leent’. Het is niets
anders dan wat men thans op een stoomschip met
het Engelse railing aanduidt [ook: rogboort, rog-gang].
reijs, zie reis.
reis (k) · maal, keer [ook: reijs].
reïtereren (gm4) · herhalen.
reket (t4) · van het Franse requêter = zoeken, opspo-ren.
rekip (p) · stijgbeugel. Perzisch rikib of rekab.
releveren (gm3) · ontheffen.
remaos (p) · galeien, roeivaartuigen [ook: remas].
remas, zie remaos.
rembourseren (k) · terugbetalen.
remoreren (gm1/k) · GM1: zich ophouden. K: ver-blijven.
remuement (gm1) · wijziging, verandering.
rendos (gm3) · pacht. Ontleend aan het Portugees.
renforceren (k) · versterken.
renoster (gm2) · rinoceros.
renumereren (gm3) · betalen, vergoeden.
repouche (gm2) · échec, terugdringing.
repremende (t4) · boete, straf.
rescontre (k) · gevecht.
rescriptie (gm2) · schriftelijk antwoord.
resenteren (gm1) · zich met bitterheid herinneren.
resgateren (gm1) · loskopen. Portugees resgate.
residentieplaets (k) · plaats waar de Compagnie
een vestiging had.
resiliëren (gm1/gm5/gm9) · GM1: terugtreden.
GM5: terugkomen op. Letterlijk: opzeggen. GM9:
opzeggen, ontbinden.
resolveren (k) · besluiten.
responde (k) · verantwoording.
responderen (k) · instaan voor.
respondiers (gm2) · term, afgeleid van respondentia,
zekerheid voor goederen die overzee vervoerd
worden.
97
Respondiers
restas (ii,2) · fijne doeken uit Bengalen, zowel van
katoen, tesser * of wilde zijde, dan wel zijde * ge-maakt.
Meestal waren ze gestreept.
restringeren (gm1) · beperken, intrekken.
retorqueren (k) · tegenspreken, bestrijden.
retorsie (gm3) · wedervergelding, wraakneming, re-presaillemaatregel.
revelaar (iii) · soort plank of lat.
rheede, zie ra.
rib, zie spanten.
ribbesacken (gm3) · kwellen, plagen. Letterlijk: li-chamelijk
onder handen nemen.
rijder, zilveren –, zie dukaton.
rijf (ii,1) · rasp. Vergelijk het Gronings keesrief en
neutmuskoatriefke.
rijksdaalder (k) · munt. In patria 48 stuiver * ; in de
Oost sinds 1656 op 60 stuiver gesteld.
rijst (i,1/k) · voedingsmiddel. K: witte rijst is gepel-de
rijst, zwarte rijst ongepelde rijst [zie ook: bras,
nely].
rijstbier, zie sake.
rijksstenden (gm3) · rijksgroten [ook: rijxtenden].
rijxtenden, zie rijksstenden.
rincket (gm4/t4) · GM4: rij. Van het Portugees. T4:
‘in rinket staan’, in het gelid staan.
rinkelwerk (t3) · snij- en beeldhouwwerk ter versie-ring
van schepen.
ritsiesboom (t2) · lycheeboom.
ritsijzer, zie kritser.
riyal (ii,3) · zilveren Perzische munt ter waarde van
1
Ú 20 thoman * , circa ƒ 2.
robbe-robbe, zie ruba-ruba.
robe (ii,2) · bundel kaneelschors van 56 pond * .
robijn ballaeys (gm1) · lichtrode, naar het witte
zwemende robijn.
rocktutia, zie spiaulter.
rodomontado (gm5) · zwetserij, pocherij.
roe (i,1) · de schuine ra * aan de achterste mast.
roede (gm5/k) · lengtemaat die lokaal vrij sterk va-rieerde;
de Amsterdamse was 4,53 meter. K:
Amsterdamse roede 13 of 16 voet * ; Rijnlandse roede
12 of 16 voet [ook: roeij].
roeij, zie roede.
roekoe, zie rungku.
roemaals (i,1) · dunne zijden doeken, gebruikt als
zakdoek en om in de hand te dragen om muskieten
en dergelijke te verjagen. De versameling der
woorden zegt: ‘roemaal, hooffdwinsel (Malle-baars)
’, wat een afwijkende verklaring is. Zie yule-burnell
sub voce roomaul. In de combinatie roe-maals
d’esta is de toevoeging waarschijnlijk een
epitheton ornans; Portugees d’esta = van het oosten.
roer (p/t4) · P: jachtgeweer. T4: vuurroer, soort
kanon.
rogboort, zie regeling.
roggang, zie regeling.
roggevel (ii,1/t2) · huid van de rogvis. Ze vormden
een waardevol handelsartikel. De gewone soorten
werden gebruikt voor het polijsten van houtwerk;
in Japan ook als bekleding voor gevesten van
zwaarden en voor meubelen. De fraai getekende fij-nere
soorten hadden grote waarde als curiosa,
waaraan men magische kracht toeschreef, en wer-den
met hun gewicht aan goud betaald. Zie valen-tijn,
Siam, blz. 62-63, waar verschillende afbeeldin-gen
staan.
rolpaard, zie rampaard.
romeyn stuck (t4) · soort geschut.
rompen (i,1/i,2) · onrijp afgevallen, rimpelige, min-der
vette en daardoor minderwaardige muskaatno-ten
* , die geraapt worden. valentijn omschrijft
rompen als ‘slegte of raapnoten’. rumphius (Herba-rium)
zegt van de noten dat ze ‘ongezien en rimpe-lig’
zijn. Met rompen bedoelde men de muskaatno-ten
die in de tegenwoordig aangehouden onder-scheiding
in kwaliteit gerimpelde noten heten.
rondassier (gm1) · schilddrager met een rond
schild, bewapend met een pede * .
rondstaan (gm11) · in ‘de handel doen rondstaan’,
voldoende geld hebben om de handel te kunnen
drijven.
98
Restas
roodaarde (ii,1) · sterk ijzerhoudende leem, zowel
verfstof als bloedstelpend middel. Zie red earth bij
milburn I, blz. 136.
roopaard, zie rampaard.
roos (ii,2/gm4) · inheems ambtenaar in Arakan. Zie
ook het daghregister 1653, blz. 99. GM4: de titel
van de onder de kotwal * staande politieambtenaar
in Arakan.
ropia (ii,2/ii,3/p/gm1/k) · zilveren munt, niet over-al
gelijk van waarde. Meest circa 28 stuiver * , ver-deeld
in 16 ana * (P: 16 stuiver.) Zie stapel I, 2, blz.
68 e.v., yule-burnell in voce rupee, valentijn IV,
1, blz. 357 en de uytrekening. Sanskriet rupya = zil-ver.
Ropia’s-chaganni zijn vermoedelijk genoemd
naar de groot-mogol sjah * Jehaan. GM1: het woord
is in verschillende vormen in allerlei delen van Azië
overgenomen. K: Indiase munt, geslagen door of
vanwege de mogols. De marktwaarde volgde de
goud- en zilverwaarde en was niet constant. De of-ficiële
wisselkoers was in Malabar in 1686 30 stui-ver.
Deze werd gebruikt in de voc-boekhouding en
bij de berekening van de maandgelden van ’s
Compagnies dienaren. Als er een groot verschil tus-sen
officiële wisselkoers en marktwaarde ontstond,
moest de wisselkoers aangepast worden. Er waren
gouden en zilveren mogol-ropia’s (1 gouden is 7
1
Ú 2
rijksdaalder * ), Bengaalse zilveren ropia-sicca * en ba-zarropia’s
(respectievelijk 33 en 30 stuiver) en
Suratse ropia’s (37
1
Ú 2 stuiver) [ook: ropij].
ropia sicca (gm3/gm6) · GM3: door de VOC gesla-gen
ropia * , die 4% meer intrinsieke waarde had dan
de inheemse. Sikkah betekent muntstempel. GM6:
in Bengalen aangemunte ropiasoort.
ropij, zie ropia.
rottang (a) · rotan, stok [ook: rotting; zie ook: com-pagniesrottang].
rotting, zie rottang.
rotunde (gm8) · ronde, openhartige.
rouw (i,2/ii,2) · ongezuiverd (salpeter), ongeslepen
(diamant), ongebleekt (katoen), onbewerkt (zijde);
ruwe * zijde * stond tegenover gesponnen (gewroch-te,
gerede, getwernde * ) zijde, ook wel tegenover ge-verfde
zijde; rouw lijnwaad tegenover gecouleert
lijnwaad.
ruagiepeper (i,2) · minderwaardige peper * , omschre-ven
als ‘vuyle en ondeugende peper’. ‘Ruagie van
peper’ wordt gesteld tegenover ‘schone afval’.
rubante (ii,1) · een felrood mineraal uit China, als
kleurstof gebruikt ter vervanging van het dure ver-miljoen
of cinnaber. Zie ook dapper, blz. 245-246.
ruba-ruba (ii,3/gm1) · algemene naam voor in de
Archipel te betalen rechten, als havengelden, tollen,
invoerrechten, ankeragegelden en dergelijke. Ma-leis
ruba = geschenk [ook: robbe-robbe].
ruggen (i,1) · van een schip gezegd: in het midden
van het dek * bol gaan staan, naar boven doorbui-gen,
doordat voor- en achtersteven te zwaar bela-den
zijn. Men zei ook: het schip ‘krijgt rug’, of
‘steekt de rug op’. Tegenwoordig noemt men het
‘doorzetten’, maar men spreekt ook wel van ‘kat-tenrug’.
Zie mossel, blz. 49.
ruinas (ii,2/ii,3) · plantaardige rode verfstof uit
wortels, gebruikt voor het kleuren van lijnwaden
[zie ook: meekrap].
rumah kakéan (a) · initiatiehuis van het kakéan * -ge-nootschap.
rungku (gm7) · een soort vlerkprauw, van een type
dat vooral op de Filippijnen gebruikt wordt [ook:
roekoe].
ruw (i,2) · van zijde * gezegd, zoals ze van de cocon
komt. kern I, blz. 101: ‘Daar is onghesponnen sijde,
die men rauwe zijde noemt; oock gesponnen ende
gedraeyde zijde, die de Portugesen retres heeten’.
De ruwe zijde moest eerst worden ontgomd (zie af-gesood)
[zie ook: rouw].
S
saai (ii,1) · licht gekeperde wollen stof, uit Europa
veel naar Indië en Japan gevoerd. De verschillende
kwaliteiten en variëteiten werden aangeduid als
heeresaai * , kroonsaai, prinsesaai en erminesaai *
[ook: saye; zie ook: karsaai].
saay, zie saye.
sabandaar, zie sjahbandar.
saboa (a) · kleine vlerkprauw [ook: boniet].
saccattij, zie sakat.
sacken de maglie (p) · maliënkolders.
sacki, zie sake.
sadaha (gm1/a) · GM1: titel van een aanzienlijke
Ternataans grote. ‘Commissaris des konings’ geeft
zijn waardigheid niet onjuist weer; hij was ook
hoofd van het leger. A: titel van een Noord-Molukse
hoffunctionaris.
99
Sadaha
saffraan, indische – , zie curcuma.
saffreintang, zie severeintang.
sageru, zie sagueer.
sago (ii,1/gm1) · meel bereid uit het merg van de
sagoboom. Zie stapel II, 1, blz. 213-219. GM1: Het
is het dagelijks hoofdvoedsel van de meeste bewo-ners
van de Molukken. Op de kleine eilanden komt
ze niet of in onvoldoende mate voor, zodat men op
Halmaheira aangewezen is [ook: boombrood, sago-manta,
sagu].
sago lempeng (a) · sago * broodje [ook: sago, maroec-ca,
zagoe marouco].
sago maroeca, zie sago lempeng.
sagomanta, zie sago.
sagosagow (a) · werpspies.
sagouw, zie saguweer.
sagu, zie sago.
sagueer, zie saguweer.
saguweer (ii,1/gm3/t3/t4) · het sap van de arèn- of
saguweerboom, dat vers zacht en zoet is en gegist
de alcoholische drank arak * oplevert. Zie paulus in
voce palmwijn. GM3: palmwijn, die van verschillen-de
palmsoorten gewonnen wordt, meest van arenga
saccharifera. T3: palmwijn, alcoholische drank ver-kregen
uit het sap van de onrijpe bloemkolf van
verschillende palmsoorten. Portugees sagueiro,
Maleis tuak * . T4: wijn van de gemutu-palm [ook: sa-geru,
sagouw, sagueer].
saincerdams (k) · Sanskrit.
sakat (t2) · woekerplant. Maleis [ook: saccattij].
sake (ii,1) · Japans nationale, alcoholhoudende
drank, uit tarwe bereid. kaempfer noemt het ‘de
bier van ‘t landt’. montanus geeft de beschrijving
‘ruikt als weeg-luisen, doch is soo sterck als Spaen-sche
wijn’. De sake werd ook wel uitgevoerd en on-der
andere in Batavia veel gedronken. Zie de haan,
Priangan II, blz. 582, met noot, en hoffmann [ook:
rijstbier, sacki].
sakkabasji (gm6) · ‘opperste waterhaalder van den
koning’ (Perzië).
salagama, zie chalia’s.
salahaccum, zie salahukum.
salahukum (ii,1/a) · inheemse titel, vroeger gedra-gen
door de stadhouders van de sultan van Ternate,
die door de Compagnie meestal, ten onrechte, als
kimelaha’s * werden aangeduid. De stam van het
woord is ukung = volkshoofd. Zie de clercq,
Bijdragen, blz. 150 en 324. A: kimelaha [ook: salahac-cum].
salarmoniacq (i,2) · sal ammoniacum, ammoniak-zout,
of kortweg salmiak.
salatan (gm2) · slecht gewas; de kruidnagel * geeft
bij lang doorstaan van de droge zuidenwind min-der
opbrengst dan normaal. Maleis selatan = zui-denwind.
salempuris (i,1/ii,2/gm2) · textiel genoemd naar de
plaats Salemporis of Serampore, ten zuiden van
Calcutta. yule-burnell spreekt van ‘a kind of
chintz‘; stalpaert van ‘witte cleetjes, ende hebben
aen elc eynt een roode streep’; heiden maakt ver-schil
tussen de hiergenoemde, welke hij salampores
noemt en een andere soort, salampori; deze laatste
omschrijft hij als een stof, geweven uit de haren van
de angorageit en met zijde * opgewerkt. II,2: veel-kleurige
doeken, kleden en dekens uit Voor-Indië.
GM2: veelkleurige sitsen * doeken, genoemd naar de
stad Salempour in Coromandel [zie ook: dekens].
salgadehouten (ii,2) · door stapel genoemd als uit-voerproduct
van Palicol; evenzo bij havart III, blz.
14. Mogelijk heeft dit hout iets uit te staan met het
Spaanse salgada, naam van een zekere wilgensoort.
salimoe (ii,1) · ‘eenige catoene en sijde stofjes’, aldus
stapel. Het woord staat mogelijk in verband met
het Maleise sélimut = deken.
salpicados (ii,1/ii,2) · II,1: eenvoudige (II,2: gespik-kelde)
katoenen doeken van de kust van Coroman-del.
De versameling der woorden bedoelt ver-moedelijk
dezelfde als ze spreekt van ‘salpicara,
gespikkelde lijwaten, neusdoeken ac a ’.
salvatica, zie selvatica.
salvia (gm6) · salie.
samantha (k) · vazal van een grote vorst.
samblant, zie semblant.
sambok, zie: 1. sjambok; 2. almadia.
sammelen (gm4) · treuzelen.
sammorijn, zie zamorin.
sampan (ii,1/a) · klein, goed zeilend vaartuig met
100
Saffraan, Indische –
scherpe kiel. Het woord stamt uit het Chinees. Zie
paulus, V, blz. 122 e.v., en yule-burnell in voce.
A: inheems vrachtvaartuig [ook: champan, chiam-pan,
siampan].
sampan djawa (gm4) · een op Javaanse wijze getuig-de
sampan * .
samsiak (gm2) · Chinees hoofd op Formosa.
samsu (t3) · alcoholische drank uit China.
samudri, zie zamorin.
sandarak (ii,3) · witte gomhars van de callibris quad-rivalis,
in de chemie gebruikt en ook als bestanddeel
van vernis en politoer. Perzisch sandarah [ook: sand-rak].
sandrak, zie sandarak.
sanen (i,2) · zeer fijne Bengaalse kleden, in het bij-zonder
uit Balasore afkomstig. Zie valentijn V, 1,
blz. 161.
sangelia (gm1) · snelzeilend vaartuigje van Voor-Indië,
vooral gebruikt om op prauwen te jagen.
sanguis draconis, zie drakenbloed.
saniri (gm7) · territoriale indeling op Ceram in ge-bruik
bij de leden van het kakéan * -verbond en die
onder een raad voor rechtspraak en bestuur stond;
het woord wordt in de generale missive gebruikt in
de zin van een bijeenkomst van die raad.
saniri tiga air (a) · volksvergadering van de kakéa-nistische
* Alfoeren * van West-Ceram om onderlinge
conflicten te bespreken en te beslechten.
sankEtan (k) · tempelgebied.
sanna (gm9) · in een palmblad of ola gegrifte op-dracht
[ook: mandaat ola].
santri (gm4) · leerling van de islam-school. Ruimer:
persoon die zich goed aan de voorschriften van de
wet van de islam houdt.
sapanhout (i,2/ii,1/gm1) · donkerrood sandelhout,
hout van de caesalpina sappan, gebruikt om rode
verfstof uit te trekken, voor inlegwerk en als medi-cijn.
Oud-Javaans sapang = rood. Zie kern I, blz. 83.
GM1: het kwam overeen met brazielhout (pernam-bucahout
* ) en was zeer gewild in Japan [ook: cham-pahout,
sappanhout].
sappanhout, zie sapanhout.
saraaf (ii,2/ii,3/gm4) · inheems wisselaar in
Bengalen. II,3: bankier of wisselaar. Zie yule-bur-nell
in voce shroff. GM4: geldwisselaar. Perzisch
[ook: shroff, xaraffe].
saram bourong (t1) · vogelnestjes.
sarambe (gm8) · versterkt kamp. Arabisch zarebo
[ook: zarebo, zariba].
sarang (gm2) · nest, ook gebruikt voor eetbaar vo-gelnest.
Maleis.
sarangie, zie serang.
sarasseleye (t1) · veelkleurige lijnwaden, die speci-aal
voor Ternate gemaakt werden (zie ook serasah).
sarassen, zie serassen.
sarbathuis (gm6) · opslagplaats van medicijnen,
dranken, enzovoorts [ook: serbethuys].
sardaar, zie sirdar.
sari (ii,3) · vrouwenrok [zie ook: dhotia].
sarif(f) (a) · titel waarmee een afstammeling van de
profeet Mohammed wordt aangeduid.
sar-i-khail (gm1) · titel van de tweede persoon, dus
van de rijksbestuurder, van Golconda. Letterlijk:
commandant van de lijfwacht [ook: sircheyl, zer-cheyl].
sarnang (ii,1) · eetbare zaden van de castanea argen-tea,
met de smaak van kastanjes, door de bevolking
in het bos verzameld. Javaans sarangan [ook: jer-mang].
sarong (a) · inheems kledingstuk.
sarsamet (gm4) · het hoofd (sar) van een district
(samt) (India) [ook: sersamet].
sas (gm6) · een kruitmengsel [ook: sats].
sasak (gm6) · vlechtwerk van bamboe of twijgen.
Maleis.
sasi (a) · tijdelijk door het dorpsbestuur uitgevaar-digd
gebruiksverbod van de woeste grond voor
jacht- en verzameldoeleinden [ook: sassie].
sassie, zie sasi.
sats, zie sas.
saucier (i,1) · sauskom.
101
Saucier
sauvagagis, zie sawagesjes.
savoy, zie sowohi.
sawagesjes (ii,3/t4) · lijnwaden uit Ahmedabad,
meest wit. Ze waren veelgevraagd. T4: witte katoe-nen
stoffen meestal afkomstig uit Surat [ook: sauva-gagis,
zauvagessiens].
say, zie saye.
sayawera, zie saye.
saye (i,2/ii,2) · 1. wortel van een plant der familie
cinchonachae, waarvan een rode verfstof werd ge-maakt,
gebruikt bij het kleuren van katoenen dra-den
en doeken. Bij de Compagnie kreeg het woord
de algemene betekenis van kleur – dus niet per se
rood. Zo schrijft havart III, blz. 23, dat men de
doeken bij het blauwverven met indigo * zo lang in
de verfpot moet laten ‘totdat ze hare bruyn-blauwe
zaye krijgen’, elders: ‘hare volle zaye bekomen heb-bende’.
Het is een Tamil woord shayaver, waarin
shaya = kleur en ver = wortel. Maleis bengkudu. Zie
yule-burnell in voce choya, chaya-root bij milburn,
blz. 277 en de haan, Priangan III, § 661 en de daar
genoemde literatuur [ook: saay, say, sayawera,
sjayaweer; zie ook: meekrap]; 2. zie saai.
schaal (p) · aanlegsteiger en/of losplaats voor sche-pen.
Italiaans scala [ook: schale].
schaar (i,2) · oogst. Zie verdam-verwijs in voce.
schaarstokken (i,1) · smalle maar dikke planken of
balken, langsscheeps liggende in het dek * , gelast in
de dekbalken. Ze dienen tot versterking van het
dek, maar zijn zo gelegd dat ze tevens de omboor-ding
van de luiken vormen [ook: scheerhout; zie
ook: scheerstok].
schabender, zie sjahbandar.
schairrood (ii,1) · scharlaken rood.
schale, zie schaal.
schampdek, zie schandek.
schandek (i,1) · eigenlijk het dek * van een schip, on-middellijk
naast de verschansing, dat tevens de
dienst deed van potdeksel * . Later ook gebruikt voor
potdeksel. Oorspronkelijk schansdek, maar door
partiële assimilatie veelal tot schampdek vervormd
[ook: schampdek].
schangina (gm1) · soort hert, met iets minder waar-devol
vel dan de jammama * . Zie muller, blz. 118
[ook: sihangma].
schanskleeden (ii,1) · zeemansterm voor gekleurde
kleden of lappen waarmee men een sloep of boot
bekleedt als voorname passagiers moeten worden
overgebracht.
schanskorf (t4) · mand gevuld met aarde om te die-nen
als verdedigingsmiddel tegen vijandelijk vuur.
schantscoop (gm3) · tegen spotprijzen.
scharlaken (i,1) · fijne wollen stof van helderrode
kleur. Het woord is overgenomen van het Oud-Frans
escarlate. Het meervoud scharlakens, alsof het
een soortnaam was, ontstond door de bijgedachte
aan laken [ook: scheraken].
schavelen (ii,3) · zeemansterm voor: de zeilen op de
wind zetten.
schavielen (t4) · het schuren of schaven van lading
of onderdelen aan boord waardoor schade kan ont-staan.
scheepskorporaal (iii) · de man, die aan boord van
een Compagniesschip belast was met het toezicht
op en het onderhoud van de wapens. Hij was aan
boord, wat men op de wal een kapitein-des-armes *
noemde [ook: swaartveger, wapensmid].
scheepssnuit, zie galjoen.
scheergang (i,1) · de rij planken van de huid van
een schip, ter plaatse waar de scheepsromp de
grootste omvang heeft en welke rij het eerst wordt
aangebracht of geschoren; van scheren = spannen
[ook: scheerstrook].
scheerhout, zie schaarstokken.
scheerstok (i,1/t4) · 1. zie schaarstokken; 2. T4:
lange lat die wordt gebruikt in de scheepsbouw.
Middels het vastspijkeren van een aantal scheer-stokken
langs de opgerichte spanten van een schip
in aanbouw (scheren) kan men zien waar afwijkin-gen
van de gewenste vorm optreden [ook: strook-lat].
scheerstrook, zie scheergang.
scheg (iii) · een soort console onder de boegspriet,
dikwijls uitlopend in het schegbeeld.
schellak, zie gomlak.
schelling (p/k) · P: munt ter waarde van 6 stuiver * .
K: Nederlandse munt ter waarde van
1
Ú 8 rijksdaal-der
* .
schelpkom, zie komschelp.
102
Savoy
103
schepel (i,1) · maat voor granen en rijst * en dergelij-ke,
27,814 liter.
schepper (gm3) · roeier.
schepprauw (gm3) · roeiprauw.
scheraken, zie scharlaken.
scherfjes (gm4) · kleine muntjes.
schering (i,1) · de omspanning welke dient om het
geraamte van een schip in aanbouw bijeen te hou-den.
Als de schering (zie bij scheergang) is gescho-ren
kan men de vorm van het schip reeds zien. Ook
het geraamte zelf werd wel schering genoemd.
schier of morgen (k) · te eniger tijd.
schildbanken (i,1) · zware steunbalken, waarop het
braadspil rust.
schildergasten (k) · gewone soldaten.
schopus (gm2) · doel(stelling).
schor (ii,1) · zeemansterm voor steil, diep; een
schorre kust is een kust waar men niet ankeren kan.
schot en lot (k) · belastingen, hoofdgeld.
schouw (iii) · een vlak, open vaartuig [zie ook: wa-terschouw].
schoverzeil (i,1) · het grootzeil. Onder het meer-voud
schoverzeilen verstaat men grootzeil en fok *
samen, de enige zeilen die bij een sterk doorstaande
wind werden gevoerd [zie ook: onderzeilskoelte].
schrap, zie kritser.
schreef (i,1) · duidt een maat aan, een schreef of
schrap op de maatstok, vermoedelijk een duim * . Als
inhoudsmaat was een schreef 4 stoop * . Van schrij-ven.
schripul (k) · scrupule.
schrobben (gm3) · kaalplukken, uitplunderen.
schrootboor (i,1) · kuipersgereedschap, waarmee
de fijne gaatjes voor de pinnen die de bodemplank-jes
van een vat verbinden worden gemaakt.
schudde (gm4) · galgebrok.
schuitgeld (ii,1) · in een schuitvormig blok gegoten
metaal (goud, koper, lood, zilver), zoals nog thans
het tin in schuitjes op de markt wordt gebracht. In
Japan was het schuitzilver de grondslag van het
muntstelsel; een schuitje zilver had er de constante
waarde van 4,3 taël * of ongeveer ƒ 15. Andere mun-ten
werden er omgerekend in taëls, en deze weer in
schuitgeld of schuitzilver. Zie nachod, blz. 134 [zie
ook: kinjo].
schuitzilver, zie bij schuitgeld.
schurfd (gm4) · schunnig, minderwaardig.
schutgeveerte (gm3) · gevecht met geschut.
schutoverloop (i,1) · het dek * van het schip waarop
de kanonnen staan.
schutschip (i,1) · schip dat geschut voerde en waar-van
men bij de bouw aan bijzondere eisen gebon-den
was. witsen: ‘de bovenste vulling * in een schut-schip
maakt men wijt na de poorten hoog zijn.’
sciater, zie shatir.
scurriel (gm8) · grof, gemeen.
seclusie (k) · uitsluiting.
secunde (k) · hoofd van de handel en administratie.
seepmes (t2) · aan een stok bevestigd zwaard.
seguire (gm1) · vrijgeleide.
sek (i,1/iii) · een zoete, meestal Spaanse, wijn, uit ge-droogde
druiven bereid en daardoor een groter per-centage
alcohol bevattend. Vergelijk het Engelse
sack; oorspronkelijk het Spaanse vino secco.
selalous, zie chela.
selams (gm3) · van het moslimgeloof.
selatters (gm2/gm4) · GM2: schepen van Straat
Singapore. Maleis selat = zeestraat, en wel in het bij-zonder
die van Singapore. GM4: orang selat, volks-stam
wonend bij de selat (in dit geval de Straat van
Malakka).
sellifdaar (ii,2) · titel van inheems dienaar der
Compagnie op Bengalen, en wel de paardenknecht
of toeziener op de stal. Het is mogelijk dat dit
woord teruggaat op silah-dar, bereden militair; zie
yule-burnell in voce sillidar. stapel acht een ver-vorming
van julib-dar, paardenknecht of muildier-drijver,
waarschijnlijker [ook: sjelffdaar].
selvatica (ii,2/ii,3) · wilde of boszijde, van een in
het wild levende zijderups. Zie milburn II, blz. 244,
en yule-burnell in voce tussah (II,3: in voce moon-ga)
[ook: salvatica, tasar, tesser].
Selvatica
semaan (ii,2) · zonnedek, bestaande uit een zeil, op
vier palen rustende, en aan alle zijden open. Het
werd gebruikt door reizende ambtenaren en autori-teiten,
om daaronder gehoor te verlenen. Zie yule-burnell
in voce shameeana.
semanis, zie assumanis.
semblant (k) · voor de schijn [ook: samblant].
semensina (p) · rabarberzaad, wormpoeder.
semianen, zie assumanis.
sempiterne, zie perpetuaan.
sen (t1) · kleine Japanse munt. Meervoud senes.
senaprio (ii,3) · zwavelkwik, cinnaber, vermiljoen.
sengadji (ii,1/gm1/a) · oorspronkelijk stamhoofd,
thans titel voor districtshoofd. Ternataans. Door va-lentijn
met ‘hertog’ vertaald. A: titel van een
dorpshoofd van ongeveer hetzelfde niveau als een
radja * [ook: sengage, sengasij, senghadie, zinghad-ja].
sengage, zie sengadji.
sengasij, zie sengadji.
senghadie, zie sengadji.
sent (i,1) · lijst, tijdelijk verbindingsmiddel om de
spanten * , die het geraamte van een schip vormen,
op hun plaats te houden. De senten worden even-wijdig
aan elkaar in de lengte van het schip aange-bracht.
Al naarmate men nu het schip met planken
bekleedt of opboeit * , worden de senten weer weg-genomen
[ook: cent].
sentief, zie gentief.
sephanga (ii,3) · lijnwaden van Agra en Surat.
Ook de naam sephanga de Calpy komt voor [ook:
septhanga].
septhanga, zie sephanga.
sequestreren (k) · apart houden; in bewaring geven.
ser, zie ceer.
serafijn, zie xerafijn.
serang (k) · bootsman over inheemse matrozen [ook:
sarangie].
serasah (i,1/ii,1/ii,3) · veelkleurig; gebruikt in com-binatie
met een textielsoort, zoals serasah govers *
(bontgekleurde zijden kleedjes met afbeeldingen
van bloemen en vogels), of tapis serasah (bij valen-tijn
steeds met de bijvoeging ‘met bloemwerck er
op’, en volgens stalpaert ‘cleetgens die geschildert
sijn met loofwerc, oock met gevogelte; sijn heel
bontachtich’). Serasah-Malaju (sarasse-maleye),
oorspronkelijk speciaal voor Ternate (malaju) ver-vaardigd,
waren zeer in trek in de Archipel. Maleis
serasah = veelkleurig [zie ook: sarasseleye, seras-sen].
serassen (ii,1/t3) · veelkleurige zijden doeken. T3:
bedrukte katoen met gevariëerde patronen, uit
Coromandel [ook: sarassen, zarassen; zie ook: sera-sah].
serbethuys, zie sarbathuis.
sereh (gm6) · grassoort, andropogon nardus, waarvan
een vluchtige olie wordt gewonnen, die bij allerlei
aandoeningen uitwendig wordt toegepast.
sereserij, zie seru.
sergannes (ii,2) · eenvoudige katoenen doeken uit
Bengalen.
serge (i,1/i,2) · oorspronkelijk een naam voor zijden
stoffen, later dunne, gekeperde wollen stof. II,2:
oorspronkelijk een wollen of katoenen stof, veel als
voering gebruikt. In de Compagniestijd droegen de
Europeanen in Indië kleren van dunne, donkere
serge. Via het Italiaanse sargia uit het Latijnse seri-cus,
welk laatste woord een adjectief is met de bete-kenis:
van zijde * [ook: chargie, rabat (naar de stad
Rabat in Marokko)].
serlaskar (ii,2) · titel van de onderkoning van
Orissa, die zijn residentie had in Chicacol. Volgens
havart III, blz. 80, is de letterlijke vertaling van die
titel: hoofd van het leger. De versameling der
woorden zegt: ‘serlaskier is als primo visier op
Cormandel’ [ook: serlaskeer].
serlaskeer, zie serlaskar.
seroetgoet (ii,2) · naam van zekere katoenen lijnwa-den
die in Nagelwanse in Noord-Coromandel wer-den
geweven.
serpauw (gm2) · erekleed. Perzisch sarapa.
serre, zie ceer.
sersamet, zie sarsamet.
seru (a) · permanent op de zeebodem verankerde
constructie van hout en vlechtwerk om vis te van-gen
[ook: sereserij].
104
Semaan
servandams (ii,2) · katoenen lijnwaden uit Pulicat.
sesterganty (ii,2) · een zeker soort bethilles * . Vol-gens
yule-burnell betekent sassergates: stof van
1000 knopen.
sestienes (ii,1) · zijden doeken of sjaals van Coro-mandel.
sethan (a) · duivel.
setter, zie sitter.
seug (t3) · langwerpig stuk metaal, in de vorm van
een schuitje, vooral van lood of tin.
severeintang (i,1) · scheepsgereedschap dat in de
bek van een bankschroef geplaatst werd om voor-werpen
vast te klemmen. Zie mossel, blz. 133 en fi-guur
153 [ook: saffreintang (van yk), souverein-tang].
seviliaan, zie reaal van achten.
seylsteen (p) · magneet [ook: calamista, caramista].
seyscannaes (p) · paardentuig.
shahi (p) · zilveren Perzische munt ter waarde van
1
Ú 200 thoman * , circa 4 stuiver * .
shatir (p) · voetbode. Perzisch. De Perzen zijn in het
oosten steeds als goede hardlopers bekend geweest
[ook: sciater].
shintsin, zie ginseng.
shroff, zie saraaf.
siampan, zie sampan.
siancon (gm4) · generaal (China).
sicca, zie ropia sicca.
sickarie, zie chakri.
sideren (k) · cederen, afstaan.
sieeuw, zie tsieeuw.
siegos, zie chOgans.
siemidaar, zie jemadar.
sierij, zie sirih.
sigh offer, zie nesser.
sigureren (k) · verzekeren, beveiligen.
sihangma, zie schangina.
sijner (k) · belastinggaarder, tolheffer.
silgos, zie chOgans.
silverwit (p) · wat van het gesmolten zilver over-blijft;
zilverslakken. Lithargyr(i)um, ‘silverschuym
dat men in medicijnen doet’ (verdam-verwijs).
simptouans, zie kimptouans.
simulate (gm2) · oogluikend.
sinden (t4) · gelasten.
sindis (ii,3) · zijden doeken uit Sindh.
singelgrond (i,1) · ankergrond, zand noch slijk be-vattend,
maar bestaand uit steengruis, als bij de
Engelse singels.
singelij, zie gingelie.
sing-lam-ong (gm3) · Zuid-Chinese titel, met de be-tekenis
‘de koning, die het zuiden pacificeert’. De ti-tel
werd gevoerd door twee elkaar opvolgende on-derkoningen
van Fukien, vader en zoon, in het
midden der zeventiende eeuw.
sintenelsgasten (gm4) · schildwachten, wakers.
Frans sentinelle.
sioge, zie yogi.
sipat (a) · grensteken [ook: zijpat].
sipou (t1) · een nieuwe sortering stoffen, sommige
op de manier van petas * , van katoen of zijdegaren
verweven.
sirap (gm5) · houten dakpan.
sircheyl, zie sar-i-khail.
sirdar (gm2/gm9) · GM2: commandant (India).
GM9: commandeur (Perzië) [ook: sardaar].
siriboa (a) · groeistadium van de sagopalm, waarin
het meelgehalte in de stam zeer verminderd [zie
ook: mahu putih, mayang baru].
sirih (t2/gm1) · T2: betel * noot. GM1: de sirihpruim
werd aan bezoekers als welkomstgave aangeboden.
Maleis [ook: sierij; zie ook: areka, catechu].
105
Sirih
sisia, zie djizjah.
sisik (gm1) · schildpad. Maleis [ook: cicir].
sisteren (gm5) · verschijnen.
sitou, zie hittou.
sits (i,1/ii,2) · kleurig bewerkt doek van katoen of
zijde * , meest gebruikt voor tulbanden of gordels. De
bewerking ervan had veel overeenkomst met het
batikken. Op plaatsen waar de Compagnie in haar
loge een eigen ververij had werden de sitsen door
inlanders bewerkt naar voorbeelden, die zij zeer ge-trouw
navolgden. Het was een langzaam en gedul-dig
werk. havart: ‘Eerst krijgen zij het lijwaat ruw,
dan wasschen zij het wit, dan stampen ze wat kar-kayl
[mogelijk carica * of galnoot met buffelmelk
vermengd], doen het in melk, waarin dit witte lij-waet
werd gestoken en vervolgens gedroogd.
Daarna word het op hare wijze gevouwen en effen
geklopt om te dichter te wezen. Dan word er op ge-sponst
en verw gemaakt van een zeker root-hout,
waarmede de eerste trekking op de spons gedaan
word. En wanneer zij nu verscheyde coleuren bege-ren
te hebben, zo van rood, paars, groen enz. dan
werden alle die plaatsen met aluynwater, dat door
haar, ijder naar zijn wetenschap, gemengd word,
bestreken en voorders geschilderd naar de mon-sters,
die zij nevens haar hebben leggen.’ Een betere
beschrijving is te vinden in stapel II, 2, blz. 205-210.
stalpaert spreekt van tschijndes, van het Hindus
chint, vanwaar, via het Engelse chitz, ons sits komt.
De Maleise naam is tjita, Javaans tjinde. Zie yule-burnell
in voce chintz [ook: chindos, chits, tsjints].
sittauw, zie hittou.
sitter (i,1/t4) · balk die naast de buikstukken * op de
bodem van het schip ligt. Ook deel van een spant
(zie bij spanten) [zie ook: buikstuk]. T4: het onder-ste
deel van een spant dat dwars op de kiel wordt
geplaatst [ook: setter].
sitti, zie chitty.
siumanen, zie assumanis.
siumanis, zie assumanis.
sjaarnia (ii,3) · verzamelbak bij de indigo * bereiding.
sjagier, zie jagir.
sjagon, zie djagung.
sjah (p) · de sjah * van Perzië voerde de titel padisjah
= heer der koningen, later sjah-in-sjah. In Turkije
voerde de sultan ook de titel padisjah, die vervol-
gens verkort werd gebezigd voor de rang van be-velhebbers
in leger en vloot: pasja * .
sjahbandar (ii,1/iii) · het hoofd van de haven, te-vens
tollenaar of inner der havengelden, een enkele
maal kortweg bandar genoemd. Het was een be-langrijke
functie in de Indische havensteden, lang
voordat de Europeanen er kwamen. De sjahbandar
was ook de tussenpersoon tussen vorst en vreemde
kooplieden. Hij werd daarom wel aangeduid als
‘voorspraak’ of ‘voorspraak der vreemdelingen’.
Zonder zijn toestemming was het niet mogelijk
handel te drijven. Dikwijls maakte de sjahbandar
van zijn positie misbruik en reeds Cornelis de
Houtman kreeg het in 1596 met deze titularis in
Bantam aan de stok. In Batavia, Malakka en enkele
andere plaatsen waar de Compagnie soevereine
rechten had, stelde zij een sjahbandar aan die de
controle oefende op de vreemde schepen, de beno-digde
passen verleende, voorname vreemdelingen
namens de regering verwelkomde etc. Aanvanke-lijk
inde hij ook de in- en uitgaande rechten, maar
op Batavia geschiedde dit al sedert 1620 door de
ontvanger-generaal. Was de sjahbandar geen inte-ger
man, dan kon hij beter dan wie ook de particu-liere
handel begunstigen en in de winst delen.
Perzisch sjah-bender, letterlijk: havenkoning; Maleis
bandar = haven, sjah-bandar letterlijk havenhoofd.
Zie ook de haan, Oud-Batavia I, blz. 229 [ook: ban-daar,
chiambaar, sabandaar, schabender, syahban-dar;
zie ook: licentmeester].
sjahriar (p) · een mansnaam; ook een der titels van
de monarch. Perzisch [ook: chariar].
sjambok (ii,3) · 1. grote zweep. Zuid-Afrikaans;
Perzisch chabuk, Maleis tjambuk [ook: sambok, tjam-bok];
2. almadia * .
sjanacoea, zie costus arabicus.
sjankos, zie chanco.
sjannesijn, zie dja-meshin.
sjap, zie tjap.
sjappaar (gm5/gm9) · GM5: bereden ijlbode;
Perzisch tjapar. GM9: chobdar * .
sjayaweer, zie saye.
sjekwaarts, zie chAkar.
sjelffdaar, zie sellifdaar.
sjemmedaer, zie jemadar.
sjerif (ii,3) · vorstelijke titel in Arabië. Het woord be-106
Sisia
107
tekent heilig en was oorspronkelijk een epitheton
voor de afstammelingen van Mohammed.
sjesum (ii,2) · zekere sortering Bengaalse zijde * .
sjodelecoer, zie chovvaram.
sjogy, zie yogi.
sjolij, zie chelas.
sjolphalijnen, zie bij djulfa.
sjonkan, zie chungam.
sjouter, zie chauter.
sjouw (i,1) · oorspronkelijk een ineengerolde vlag,
als sein gebruikt. Liet men deze achteraf waaien
dan was dit een sein om aan boord te komen, ook
wel noodsein. Later werd daarvoor het meest een
witte wimpel gebruikt, eveneens sjouw genaamd.
sjouwen (i,1) · seinen vanaf een schip. ‘Wij sjouwden
om loodsen’ (valentijn, Eerste uyt- en thuysreize).
slaghboegen (i,2/gm3) · 1. overstag gaan, of door de
wind gaan bij het laveren; 2. GM3: een buitenkansje
geven.
slam (ii,1) · ertsslijk, slib of modder waarin ertsdelen
voorkomen. Duits Schlam.
slang (ii,1) · lang en smal kanon; veldslang.
slangenhout (gm4) · het bittere hout van trychnos li-gustrina,
gebruikt als koortsverdrijvend middel.
slangensteen, zie bezoar.
sleet (k) · afzet.
slemphout (i,1) · blok, aangebracht ter plaatse waar
voor- en achtersteven met de kiel samenkomen en
dat het verband tussen deze delen vormt.
slim (k) · slecht, ongunstig.
sloef (t4) · dekplank.
slonsje (i,1) · klein lantaarntje zonder brandgevaar
en speciaal door de constabel * in de kruitkamer ge-bruikt.
smaldelen (gm2) · verkleinen.
smallijst (i,1) · lakensoort met smalle lijst, zoom of
boord.
smalschip (i,1) · schip dat ook geschikt was voor de
binnenvaart, en dus niet te breed, opdat het door de
sluizen kon. Volgens van yk een schip, dat ‘zo
nauw is gebouwd, dat door de stad Gouda kan ge-laten’
[ook: ligter].
smalton (i,1) · ton met klein bodemoppervlak, met
de helft van de inhoud van een grofton * .
smeekool (k) · fijne steenkool.
smijten (i,1) · wenden van een schip [zie ook: smijt].
smijt (i,1) · touw aan de fok * , waarmee deze bij het
overstag gaan werd omgetrokken [ook: hals, smij-ter].
smijter, zie smijt.
snaar, zie bij dril.
snaphaan (i,1) · geweer, waarbij de lont aan een
haan bevestigd is, die ‘als met een snap affsprong’.
Zie ten raa-de bas-wijn III, blz. viii en plaat 9; IV,
blz. vii.
sneb, zie galjoen.
snertbalie, zie bij balie.
snickjonk (ii,1) · kleine jonk * . Snick of snicke is een
Germaans woord voor scheepje; het bestond zowel
in het Middelnederlands als Middelduits reeds,
thans nog in het Fries en Gronings.
snijder (k) · mes.
snippel (t3) · lap.
snuiten (gm3) · bedriegen, voor de gek houden.
snuytinge (gm2) · afzetterij, beetnemerij.
soa (gm4/a) · GM4: groep van geslachten op de
Molukken; ook de wijk waar een dergelijke groep
woonde. A: onderdeel van een dorp, gehucht.
soa sio, zie soasivo ·
soasivo (ii,1/gm2) · rijksraad. Ternataans soah-sivo.
GM2: letterlijk: geslachten negen. De hoofden van
deze negen aanzienlijke geslachten moesten bij ge-wichtige
aangelegenheden door de koning van
Ternate geraadpleegd worden [ook: soa sio].
sochstuk, zie zog.
soesjes (i,2) · doeken van Chinese krip * zijde * , meest
gestreept (blauw en wit).
Soesjes
soja (i,1) · gekruide saus, door gisting bereid uit de
sojaboontjes, de zaden van de glycine soja. Maleis ke-dele
[ook: ketjap].
sokkel (i,1/ii,3) · baaltje of mand van biezen, matten
of boombladen, speciaal zoals die werden gebruikt
voor de verpakking van foelie * , tabak en dergelijke.
Bij transport of opslag kon de foelie kantig * worden
of juist te vochtig, waardoor er wormen inkwamen.
Een sokkel foelie woog 28 Bandase kati * of 161
pond * .
solagiement (k) · soelaas, verlichting.
solfalinen, zie bij djulfa.
solidum, in – (gm6) · voor de gehele som, in het ge-heel.
sollogesjes (ii,2) · zeer fijne, mousseline-achtige
weefsels. Zie heiden in voce sologeses.
solpher (ii,3) · sulfer, zwavel.
som, zie 1. soman; 2. radix nisi.
soman (ii,3) · een last in Perzië, verdeeld over twee
balen, om door een ezel of kameel te kunnen wor-den
vervoerd, evenals carga * ; stapel: ‘ijder som
zijnde 26
1
Ú 2 man * ’ [ook: som].
sombreel, zie sombreer.
sombreer (ii,3/gm6) · parasol. Portugees sombreiro.
GM6: hoed met brede rand, ook zonnescherm.
Spaans sombreiro [ook: sombreel].
sommeren (gm2) · besommen, berekenen.
songlo (gm7) · ‘witte thee * ’, een soort licht-groene
thee.
songuat (gm1) · Japans nieuwjaar. De maand sho-gatsu
is de eerste maand van het tussen 20 januari
en 19 februari van onze jaartelling beginnende
nieuwjaar. Het nieuwjaarsfeest is de grootste
Japanse feestdag.
sonnis, zie sunnieten.
sontok, zie tsung-tu.
soort (i,2) · in de uitdrukking ‘noten of nagels in
soorten’: ongesorteerd, alle kwaliteiten door elkaar.
sophij (gm7) · 1. sufi * ; 2. bij Europeanen gebruikelijke
titel voor de sjah * , omdat hij stamde uit het geslacht
der Safaïden, stamvader Safiudin.
souchong (i,2) · een fijne thee * van jonge blaadjes.
Siao-tschung = kleine soort.
soulageren (k) · verlichten.
soumongij, zie sumongi.
souvereintang, zie severeintang.
sowohi (gm3) · titel van een der groten van de
Molukse rijken, de bewaarder der rijkssieraden
[ook: savoy].
span (t4) · maat, de afstand tussen duim en pink van
een gestrekte hand.
spant (i,1) · stel; bijvoorbeeld een spant barghouten,
een spant stuivers.
spanten (i,1) · dikke gebogen zijstukken of ribben,
waaruit het geraamte van een schip bestaat. De
houten spanten van grote schepen konden natuur-lijk
niet uit een stuk gezaagd worden. Een spant be-stond
uit een buikstuk * , twee sitters * en twee oplan-gen
* .
spar (iii) · lange paal, steigerpaal of dakspant.
spargeren (gm3) · verbreiden, uitstrooien. Latijn
spargere.
spat (ii,1) · blaasroer en ook de giftige pijltjes die
door het blaasroer geblazen worden. rouffaer-ij-zerman
I, achterop plaat 41: ‘pijken [pieken] met
vergulde punten oft spitsen, ende zijn oock spuyten
oft spatten, daer zij pijlkens uit blazen’. Het Middel-nederlands
kende reeds het woord spat als prop-penschieter;
zie verdam-verwijs in voce. tiele-heeres
II, blz. 15 noemt spuytgeweer. Ook de
werkwoorden spatten en uitspatten komen voor.
Zie verder paulus in voce wapens, onderafdeling
blaasroeren. De inheemse naam is sumpitan.
speaulter, zie spiaulter.
specieus (gm3) · schoonschijnend.
specteren (gm5) · er op uit zijn, de bedoeling heb-ben.
speculatiteijten (k) · zaken die beschouwd, over-dacht
worden of kunnen worden.
speculeeren (k) · zijn gedachten laten gaan over.
speen (i,1) · naam van de rechtopstaande spijlen die
de beting * vormen [ook: monnik, speun].
spekken (t2) · Spanjaarden.
108
Soja
spels hebben (k) · moeite, last hebben van.
speun, zie speen.
spiaulter (iii/gm1) · zink. GM1: ook mengsel van
lood en tin. Middelnederlands speauter, Duits
Spialter, Engels spelter en Frans spiautre [ook: rocktu-tia,
speaulter; zie ook: tutanego].
spica nardi (i,2/p) · naam van een lavendelachtige
plant, waaruit een welriekende olie, de nardus- of
lavendelolie, werd bereid. Latijn, letterlijk: nardus-aar.
Middelnederlands spekenard. P: uit Hindustan
afkomstig; zie encyclopaedia britannica in voce
spikenard [ook: nardus, spiconardi; zie ook: spijko-lie].
spiconardi, zie spica nardi.
spiegel, zie bij galerij.
spiegelschip (i,1) · schip met brede, vierkante, meest
versierde achtersteven [zie ook: fluit].
spiegelvrang, zie worp.
spier (iii) · scheepsterm voor rondhout, gebruikt
voor scheeps-ra’s * of kleine masten.
spijkolie (i,1/gm1) · olie, bereid uit de lavandula spica
en gebruikt als vernis. GM1: lavendelolie [zie ook:
spica nardi].
spilbed (i,1) · de stevige onderbouw waar het gang-spil
op rust en in draait [ook: spilbeting].
spilbeting, zie spilbed.
spinellen (ii,1/ii,2) · ‘Oriëntaelsche robijnen’. Zie
baldaeus, blz. 164, kern II, blz. 79, en stapel II, 2,
blz. 185 [ook: espinellen].
spint (i,1/iii) · bederf, vermolming, verpoeiering in
het hout. Oorspronkelijk was spint de naam van het
weke, nog niet geheel gevormde hout dat vlak on-der
de bast zit [ook: vuur].
spoelie (gm7) · plundering. Frans spoliation.
spoliëren (gm2) · buitmaken, roven. Frans spoliation.
spoor (i,1) · balk of blok onder in het schip en waarin
enig zwaar scheepsdeel – mast of spil – is ingelaten
en vaststaat. Het fokke * spoor is dus de balk, waar
de fokkemast in steunt.
sporling, zie bij sporren.
sporrelings (gm9) · verzet.
sporren (t3) · zich verzetten, opstandig zijn.
springbout (gm9) · klem.
staak, zie antoffel.
stadhouder (k) · ’s konings plaatsvervanger die de
heerschappij namens hem uitoefent.
stamet (ii,1) · grove maar dunne wollen stof van
Europees maaksel. Frans estamet [ook: zeefdoek].
stampparel (i,1/i,2) · parel van de kleinste soort, te
klein om gaatjes in te boren. Thans worden die wel
voor ringen en ‘oplegwerk’ gebruikt. In de zeven-tiende
eeuw werden stampparels opgelost en dan
als cardiacum, medicijn tegen hartzwakte, aange-wend.
Zie de haan, Priangan III, blz. 406 [ook: pa-relgruis,
parelzaad, zaadparel].
steckgrond, zie steekgrond.
steekgrond (i,2/ii,1/gm1) · goede ankergrond,
vooral uit zand of modder bestaand. ‘Een anker ste-ken’
is: een anker vieren. de haan, Priangan II, blz.
358 noot 2, verklaart de naam als grond ‘waar bij ’t
peilen met een stok in gestoken kan worden’. GM1:
grond die men met een peilstok nog juist zoveel
aansteekt, dat de punt er even in wegzakt [ook:
steckgrond].
steel, zie antoffel.
steenbok (ii,1) · vaartuig om koraalsteen te halen.
Deze stenen werden bij laag water van de riffen ge-haald
met platboomde schuiten. Zie woordenboek
der nederlandsche taal in voce bok [zie ook:
steenhaalder].
steengelden (gm8) · uitbetaling aan de hoofden bij
de parelvisserij.
steenhaalder (iii) · schuit of ‘bok’ waarmee men in
Batavia koraalsteen haalde van de eilanden in de
baai. Dat was een zwaar en eentonig werk en daar-om
werden zeelieden soms voor straf op een steen-haalder
geplaatst [zie ook: steenbok].
steenstukken (gm1) · klein geschut, met stenen ko-gels
schietend.
steken (iii) · staken, van stemmen of adviezen ge-zegd.
stenen, blauwe – (gm1) · te Batavia als stoepstenen
gebruikt en in de schepen vermoedelijk niet veel
meer dan ballast.
steng (i,1) · bovenmast; verlengstuk of topstuk van
109
Steng
een mast, dat kan worden gehesen of geschoten (=
laten zakken). De diverse stengen worden genoemd
naar de verschillende topzeilen, welke eraan beves-tigd
worden: bramsteng etc.
steyger (gm4) · mijnbaas, mijnopzichter. Duits
Steiger.
stilstand (i,2) · 1. specerijen werden verkocht onder
een stilstand van bijvoorbeeld 12 maanden, dat wil
zeggen onder toezegging, dat de Compagnie in de
eerstvolgende 12 maanden geen nieuwe verkoping
van dezelfde specerijen zou houden. Daardoor kre-gen
de kopers de zekerheid, dat de markt niet over-voerd
zou worden, en de prijzen zich op een be-paald
niveau konden handhaven. Men vindt de
uitdrukkingen ‘stilstand of swijgh aan de zijde van
de Compagnie’ of ‘stillestaen met het verkopen’; 2.
specerijen werden verkocht op bijvoorbeeld 12
maanden dag - te betalen over 12 maanden - met ra-bat
van 6 ten honderd voor contante betaling, en
een stilstand, uitstel of swijgh van 2 maanden, dat
wil zeggen dat betaling na uiterlijk 2 maanden nog
als contant zou worden aangemerkt. Betaalde men
echter voor de stilstand was verlopen, dan heette
dit voorbetaling, waarvoor dan een extra korting
werd verleend (van 1 tot 5 procent). Kocht men à
contant, doch overschreed daarbij de verleende stil-stand,
dan kreeg men nabetaling te voldoen, bere-kend
naar een vrij hoge rente (meestal 8 procent).
Men mocht echter ook een gedeelte voor het verlo-pen
van de swijgh betalen en een evenredig gedeel-te
na het verlopen daarvan. Dit noemde men: com-pensatie
van voor- en nabetaling [ook: swijgh,
uitstel].
stockedrager, zie chobdar.
stockregel (k) · grond-, leefregel.
stok (i,2/k) · 1. ‘bij de stok verkopen’: in het open-baar
bij opbod verkopen. Het tegengestelde was
verkoop bij prijsstelling * . Een derde wijze was ver-koop
bij contractatie * ; 2. K: kerfstok.
stokebrand (k) · onheilstichter.
stoksuiker (ii,2) · kandijsuiker, zo genoemd omdat
men de suikerstroop langzaam door een vat liet lo-pen,
waar dwars doorheen verschillende stokjes
waren gestoken, om welke de suiker zich kristalli-seerde.
stomacheren (gm6) · zich ergeren. Frans s’estoma-quer.
stoop (i,1) · inhoudsmaat, 2 mingelen * of
1
Ú 4 schreef * ,
circa 2,4 liter.
stoothouten (i,1) · de voorste delen van het barg-hout
* die om de boeg van het schip heen gebogen
worden [ook: boeghouten].
storax, zie benzoë.
stormhoed (t4) · helm.
strang (t4) · zeearm, rivierarm.
stratagema, zie stratageme.
stratageme (gm2) · krijgslist [ook: strategema].
streek (i,1) · 1. kompasstreek, de 32 streken van de
windroos; 2. bekleding met planken; 3. de dikke
balk die de steven vormt.
strijkbank (iii) · werkbank van een kuiper met daar-in
een schuin geplaatste schaaf, dienend om de dui-gen
van een vat glad te maken.
strijken (i,1) · beschieten of bekleden met planken.
strijkweer, zie strijkwering.
strijkwering (gm1) · borstwering, vanwaar men de
omgeving met geschut bestrijken kan [ook: strijk-weer].
strojonker (gm5) · kale jonker, armzalige volgeling.
strolont (t3) · lont geslagen uit plantenvezels.
strook (i,1) · plank. Overdrachtelijk: de richting die
de planken volgen. ‘Van strook’ = op rij, op hun
plaats, in de richting; vergelijk ‘dat strookt niet met’
= dat komt niet overeen met.
strooklat, zie scheerstok.
stroppiëren (t4) · beroven.
stuiver (k) · Nederlandse munt ter waarde van
1
Ú 48
rijksdaalder * . In 1656 in de Oost op
1
Ú 60 rijksdaalder
gesteld – de Indische stuiver werd daarom lichte
stuiver genoemd. De ongesnoeide zilveren Hol-landse
stuiver werd opgewaardeerd tot zware stui-ver,
dat is 1
1
Ú 4 lichte stuiver.
stuynders (i,1) · verlengstukken van de kattespo-ren
* ; ook de opvullingen der vakken tussen de
spanten * . a winschooten meent dat het woord oor-spronkelijk
‘steunder’ heeft geluid [ook: stuyvens,
stuyvers].
stuyvens, zie stuynders.
stuyvers, zie stuynders.
110
Steng
111
suangi (gm2/a) · GM2: boze geest, weerwolf. Soms
wordt bedoeld het geloof hieraan, tovenarij. A:to-venaar,
heks [ook: swangi].
suasa (gm2) · mengsel van niet-edele metalen. In de
Indische Archipel gaf men er wegens de mooiere
kleur de voorkeur aan boven goud of zilver. In het
Atjehse suasa komt behalve goud en fijn koper ook
zilver voor. Maleis [ook: swasse].
suba (ii,2) · gewest of provincie. Het hoofd van zo’n
gebied, de gouverneur of onderkoning, heette suba-dar,
maar werd in ’s Compagnies papieren meest
kortweg suba genoemd. Zie ook yule-burnell in
voce [ook: fauba].
subadar, zie bij suba.
subleveren (gm4) · verlichten.
subornatie (gm6) · leugentaal; omkoperij. Frans.
subreptief (gm6) · heimelijk.
succederen (k) · slagen.
succureren (gm3) · helpen. Frans secours.
sUdrAs (k) · aanduiding in de hinduïstische kasten *-hiërarchie.
sufi (gm2/gm4) · lid van een mystieke orde in de is-lam.
Van Perzisch suf = wol, waarin een dergelijke
man zich als teken van eenvoudige levenswijs
kleedde; de dynastie van Perzië stamde van een su-fi
af, wat in het gebruik van het woord soms enige
verwarring veroorzaakte [ook: sophij].
suku (gm4) · in Minangkabau waren de 22 à 27 ge-slachten
in vier suku, geslachtenunies, verenigd.
Maleis, letterlijk: vierde part, poot.
sultan (gm2) · in Perzië heeft sultan de betekenis
van gouverneur van de tweede rang.
sultan muda (gm2) · kroonprins. Maleis ‘jonge sul-tan’.
sumongi (t1) · niet te identificeren zijden stof uit
Tonkin [ook: soumongij].
sumpitan, zie bij spat.
sungi (t1) · ceder.
sunnieten (gm5) · orthodoxe en meest voorkomende
groep der moslims. Arabisch sunnah = weg, pad,
gedragslijn. Daarnaast waren er de schismatieke sji-ieten,
van het Arabische shiah = huis (van de pro-feet)
[ook: sonnis].
supercargo (p) · de koopman die belast was met het
verkopen der lading.
supercederen (gm2) · wachten, uitstellen, nalaten,
ophouden, voorlopig afzien van.
supine (gm5) · vadsig, indolent. Latijn supinus.
suppediteren (gm1) · verschaffen.
supporteren (k) · dragen.
surcheren (gm2) · uitstellen, opschorten.
suri (ii,2/gm5/k) · palmwijn, het gegiste sap uit de
kokos- en andere palmen. Sanskriet sura. In de
Archipel heet het tuak * . Zie schouten I, blz. 280, en
yule-burnell in voce sura. GM5: arak * . K: toddy.
surrianen (gm6) · leden van de Syrische kerk of
Thomas-christenen * .
suruhan (gm3) · overbrenger van bevelen, van be-richten
van een vorst. Maleis suruh = bevelen.
suspenderen (t3) · schorsen, opschorten.
suspens (k) · opschorting, uitstel.
suspitie (k) · verdenking, argwaan.
sustenteren (k) · in zijn onderhoud voorzien.
sustenue (k) · bewering.
susterling (iii) · neef of nicht. De kinderen van twee
zusters of van een broer en een zuster waren el-kaars
susterlingen.
sustineren (k) · concluderen.
sutawangsa (gm7) · de naam (mogelijk titel) waar-onder
de kapitein der Oost-Javanen te Batavia ge-durende
een groot deel van de achttiende eeuw be-kend
stond.
swaartveger, zie scheepskorporaal.
swalp (t3) · balk, waarop bij een schip de dek * plan-ken
rusten [zie ook: zwalpen].
swangi, zie suangi.
swankian (t1) · ongeconfijte gember.
swasse, zie suasa.
swijgh, zie stilstand.
Swijgh
swijnspriet (t2) · steekwapen voor de jacht op zwij-nen.
swin, zie kolsem.
swong, zie zwong.
syahbandar, zie sjahbandar.
T
tabea (a) · ‘tot ziens’.
tabijn (gm7) · volgelingen, dienaren. Perzisch tabain
is de meervoudsvorm van taba of tabi.
tabijnen (p) · zijden weefsels.
tack (ii,3) · koperen munt ter waarde van 1/20 ro-pia
* of 2 pais * . Hindustani taka. Zie yule-burnell in
voce tucka.
tackakusach (gm1) · dorpsraad (Singkan).
tactenamet (p) · vermoedelijk: zoutvat. Perzisch
tast-i-nemek [ook: ticklemet].
taël (ii,1/p/t3) · zowel een gewichts- als een munt-eenheid
in tal van oosterse landen, als China, Japan,
Tonkin, Cambodja, Siam, Atjeh, Makassar, Bandjar-masin
etc. Als gewicht was de taël meest
1
Ú 16 kati * of
ongeveer 37
1
Ú 2 gram. Zodanig gewicht aan schuitzil-ver
* vormde in Japan de grondslag van het munt-stelsel
en werd eveneens taël genoemd. Deze was
onderverdeeld in 10 maas * = 100 condrin * = 1000 rin
(Japan had het decimale stelsel). Tot 1666 rekende
men bij de Compagnie de Japanse taël op 57 stui-ver
* , daarna werd ze ingevolge een instructie van
Heren XVII, die enige eenheid in het zeer verwarde
systeem van omrekening der Indische munten wil-den
brengen, gefixeerd op 70 stuiver. De Chinese
taël kwam vrijwel met de Japanse overeen; de
waarde was er iets hoger en werd bij de Compagnie
berekend op 80 stuiver. In Tonkin was de taël als
gewicht eveneens
1
Ú 16 kati; als munt, verdeeld in 10
maas en 100 condrin, gold ze ƒ 4,12
1
Ú 2 à ƒ 4,25, door
hoger gehalte. In Siam was de taël als gewicht
1
Ú 20 ka-ti
of circa 30 gram; als munt was ze verdeeld in 16
maas en 32 fuang * . De waarde was er ruim ƒ 7. Ook
in Cambodja was de taël als gewicht
1
Ú 20 kati; als
munt gold ze echter slechts ƒ 3, door minder gehal-te.
Op Atjeh had men als munt de gouden taël ter
waarde van 4 rijksdaalder * , verdeeld in 16 gouden
maas. Als zilvermunt had men daar nog de Spaanse
reaal * à 60 stuiver, onderverdeeld in 8 zilveren
maas. Ook op Makassar had men gouden taëls, ver-deeld
in 16 gouden maas, welke laatste door de
Compagnie werden aangenomen voor 30 stuiver. P:
de taël gold (in Hindustan) 11 tot 13 ropia * . T3:
Chinees liang, Japans ryo [ook: tayel, thail].
taenbast (t3) · taan is verfstof van eikenschors, die
een gele kleur oplevert.
taets (ii,3) · fijn weefsel uit Surat. stapel spreekt van
‘goude taetsen’.
tafelbord, zie komschelp.
taffachelas (i,1/ii,1/ii,2) · fijne, gestreepte zijden
of katoenen weefsels uit Coromandel. In de korte
schets: taffa cillers ‘waren fijne witte gestreepte
kleedjes, met zwart doortrokken’. Het Arabische
tafasjilah is het meervoud van tafsjilah, letterlijk: stuk
van een stof. De combinatie taffachelas gingam * be-tekent
katoenen taffachelas [ook: bairams, beram,
berm, bheram, taffachijs, topzeyl; zie ook: bherm,
tapseyl].
taffachijs, zie taffachelas.
taffatappa (gm3) · vertegenwoordiger van de vroe-gere
mirdjumla * , nu nawab * genoemd.
tafta (ii,2/k) · dunne, gladde, zijden stof. Perzisch
taftah, geweven. Vergelijk ons woord taf en Frans
taffetas. K: fijne katoenen stof, gewoonlijk zwart of
wit.
taikun (t1/t3) · T1: scheepskapitein. T3: schipper.
Chinees t’aikung [ook: taycon].
tairo (gm6) · titel van de kanselier of voorzitter van
de vijf werkelijke raadsheren, die de Roju of raad
van de sjogun vormden in Japan [zie ook: dainagon,
dairo].
tak (a) · getalseenheid van 10 sago-lempeng * [ook:
takka].
takka, zie tak.
takoley (t4) · muntsoort.
tala (ii,2) · gewicht in Bengalen; zoveel als een ro-pia
* weegt [ook: thala].
talacchannavar (gm6/k) · GM6: rentmeester
(Malabar). K: legeraanvoerder [ook: talchenoor, tal-cinoor].
talchenoor, zie talacchannavar.
talcinoor, zie talacchannavar.
tale, duijtse – (k) · Nederlands.
112
Sijnspriet
113
taliter qualiter (gm2) · zo-zo, matig.
tallatalla (a) · kleine vlerkprauw [ook: tallen].
tallen, zie tallatalla.
talpony (ii,2) · epitheton bij de namen van zekere
lijnwaden, vermoedelijk de naam van een bepaalde
tint of kleurschakering [zie ook: popely].
talstok (i,1) · rekenstok, door de constabel * gebruikt
bij het oplossen van eenvoudige artilleristische
vraagstukken, zoals het bepalen van het schootsbe-reik
bij een bepaald projectielgewicht. Omschrij-ving
bij hellingwerf.
tamaela (a) · titel van het hoofd van een clan [ook:
tanna-ela].
tamarinde (gm1/gm3) · GM1: suiker gekookt van
de inhoud van de peulen van tamarindus indica.
GM3: peul van tamarindus indica, benut als medicijn
en als lekkernij [ook: tamorin].
tambals (ii,2) · naam voor beschilderde katoenen
doeken, die in zeer veel variëteiten voorkomen.
Tambal betekent eenvoudig lap; ook gebruikt in
combinatie met een textielsoort, zoals govers * tam-bal.
Zie jasper-pirngadie III, blz. 143, en rouf-faer-
juynboll, blz. 486.
tambiran, zie tampurAn.
tamblinjeroe (gm8) · trommelslager, lid der Berava-kaste
* .
tametten (ii,1) · kleine katoenen Coromandelse doe-ken,
zakdoeken.
tamorin, zie tamarinde.
tampurAn (k) · prins [ook: tambiran].
tampy’s (ii,2) · gedrukte lijnwaden uit Golconda.
tamut (ii,1) · beste kwaliteit Bengaalse zijde * .
taneet (i,2) · taankleurig, bruingeel.
tang (i,2) · 1. een primitieve munt, door de
Compagnie tijdelijk in omloop gebracht, vrijwel uit-sluitend
op Java. Ze bestond uit een stukje getrok-ken
koperdraad, met aan beide uiteinden een inge-slagen
merk. De naam is waarschijnlijk overgeno-men
van het Javaanse teng = half. Het Maleise tenga
wang was de naam voor een stuiver * ; 2. zie tank.
tanga (gm1) · munt in India, thans nog gebruikt in
de Portugese bezittingen daar. Waarde destijds cir-ca
24 stuiver * .
tangsjeeps, zie tansjeeps.
tanjung (a) · kaap.
tank (ii,2) · kunstmatige vijver, vergaarbak voor
was- en badwater. Beschrijving en afbeelding bij
valentijn IV, 2, blz. 145 en V, 1, blz. 172. Voor de
merkwaardige etymologie zie yule-burnell in vo-ce
[ook: tang].
tanksaal (ii,2/gm9) · naam voor de munt, in
Pulicat. Zie yule-burnell in voce tuxall. GM9: aan-duiding
voor de munt in Coromandel.
tanna-banna (ii,2) · Bengaalse zijde van prima kwa-liteit.
Zowel de tanna (schering) als de banna (inslag)
bestonden uit de fijne patteni * -draden.
tanna-ela, zie tamaela.
tannedaer, zie thanadar.
tannijs (ii,3) · strengen zijde * [zie ook: tanny].
tanni-patteni, zie tanny.
tanny (ii,2) · de beste Bengaalse zijde * , van patteni * -draden
geweven. Genoemd naar de plaats Thanna,
ten zuiden van Hooghly [ook: tanni-patteni].
tansjeebs (ii,2) · zeer fijne mousseline doeken, van
zijde of katoen. Zie yule-burnell, in voce piece-goods,
bij tanjeebs en bij terindams [ook: tangsjeeps,
therindain].
tantepitloe (ii,2) · zaadjes, die, gekookt, een ge-leiachtige
massa vormden, welke met de indigo * ge-mengd
werd om de lijnwaden te kleuren. Zie sta-pel
II, 2, blz. 156, en havart III, blz. 21.
tantianozijde (gm3) · de beste zijde * uit Bengalen.
tantum (k) · hoeveelheid.
tap (i,1) · metalen klos, aan weerszijden aan het
kanon bevestigd en waarmee dit in het rolpaard *
vastlag.
tape, zie tapis.
tapichindos (t3) · bontgeschilderde soort doek, rok
of kleed [zie ook: tapis, sitsen].
tapis (i,1/ii,1/ii,2/ii,3) · algemene naam voor doek,
rok of kleed * . Het is een in zeer veel combinaties
voorkomende naam, die, volgens heiden, ‘gewisse
Sorten bunter orientalischer Tücher’ aanduidt; van
hoytema omschrijft tapis als ‘shawl met veelkleu-rig
Oostersch patroon er in geweven’. De naam
Tapis
wordt steeds gevolgd door de naam van een specia-le
soort, bijvoorbeeld tape kain gulung * , tape chin-dos
* , tape-kankenias (vermoedelijk van kamkha =
goudbrokaat) of tape serassen * . Verder heetten een-voudige
katoenen doeken, zonder kleurrijke be-schildering
of versiering, dikwijls tape-grandos en
tape-quitchels (Maleis ketjil = klein): grote en kleine
doeken. De bekendste variëteiten waren: tapis po-leng
* , tapis serasah * (fijngebloemde veelkleurige sa-rongs)
en tapis telpocan * . Zie paulus op tapih [ook:
tape].
tapioca, zie farinha.
tapseyl (ii,2) · taffachelas * . Dit woord is een van de
producten van de volksetymologie van Jan
Compagnie; vergelijk het Arabische tafsjilah.
tar (ii,3) · 1. muntje in Surat,
1
Ú 13 fanum * ; 2. palmira-palm
[zie ook: tarry].
tara (k) · lokale eenheid of buurtschap waarin de
nairos * waren georganiseerd (Calicut).
taravAd (k) · de leef- en bezitsgemeenschap van de
nairos, bestaande uit een vrouw, haar broers, jonge-re
zusters, neven en nichten en verdere nakomelin-gen
in de vrouwelijke lijn, in één complex van hui-zen
samenwonend. Het was tevens een afsplitsing
van het oorspronkelijke stamhuis van de geslachts-linie,
die bestond uit alle nairos binnen een buurt-schap
die hun afstamming terugvoerden op dezelf-de
stammoeder. Naar dit stamhuis heette de linie
ook taravad. Zie s’jacob, xxvii-xxviii.
tarderen (k/t4) · K: te laat zijn met levering. T4: tal-men.
tarren (i,2) · de tarra berekenen [ook: tarreren].
tarreren, zie tarren.
tarry (ii,3) · alcoholische drank, bereid uit het gegis-te
sap van de palmira. Zie yule-burnell in voce
toddy.
tartar (t3/a) · 1. T3: benaming in de voc-bronnen
voor de Chinese keizers van de Ch’ingdynastie,
oorspronkelijk afkomstig uit Tartarije (Mantsjurije);
2. A: balk.
tartaruga (ii,1) · karet * . Van het Spaanse tortuga =
schilpad.
tasar, zie selvatica.
tasch, nauw op de – (k) · zuinig, gierig.
tashrif (gm3) · eerbewijs. Het is een term voor wat
aan een meerdere wordt aangeboden, maar de
Europeanen gebruikten het ook voor het object al-leen.
Arabisch [ook: tassarijf].
tassabee, zie tassawuf.
tassarijf, zie tashrif.
tassawuf (gm4) · het sufisme, de in broederschap-pen
met onderling afwijkende riten georganiseerde
mystiek van de islam, door de Nederlanders vaak
voor sekten aangezien. Arabisch [ook: tassabee; zie
ook: sufi].
tatanaman (a) · nieuwe ontginning.
tater (ii,2) · afval van zijde * , de grove buitendraden
der cocons en de doorgebeten draden, waarvan
moghta * gemaakt werd. De uytrekening omschrijft
het als ‘zijnde eygentlijck de vuyligheyt van andere’
[zie ook: coetchiaal].
tAvazhi (k) · aanduiding van een verwantschapsre-latie
in India. Segment van een geslachtslinie, los
van de bezitsgemeenschap gezien. Zie s’jacob,
xviii.
taxt (k) · (prijs)peil.
taycon, zie taikun.
tayel, zie taël.
tayolen (gm1) · slaven van de kust van Malabar.
teckelen (k) · omver doen vallen, beentje lichten.
teeckenhout, zie kiatehout.
teems (i,1) · grote haren zeef. Frans tamis. Zie ver-dam-
verwijs.
tegenkiel, zie kolsem.
telpocan (i,1) · gebruikt in combinatie met een tex-tielsoort,
zoals tapis * telpocan, een bepaalde versie-ring
beduidend. Bij stalpaert tulupacan, ‘cleetgens,
die de grondt roodt ofte swart sijn, ende daer zijn
ronde daelders op geschildert ofte adere cruycen’;
uit deze beschrijving blijkt dat het dezelfde doeken
zijn die thans in de batikindustrie tjeplokkans hee-ten,
naar Javaans tjeplok = versiering in de vorm van
een roos, sterretje, kruisje en dergelijke. Zie jasper-pirngadie
III, blz. 118.
telugu (gm7) · de taal van Noord-Coromandel.
temet(s) (k) · 1. bij gelegenheid; 2. allengs.
114
Tapis
115
temperamentglas (gm4) · een soort thermometer.
tempestivae (gm1) · tijdig, te rechter tijd.
temporiseren (gm3) · uitstellen, dralen.
tenderen (k) · zich richten naar.
teren en smeren (gm4) · goede sier maken.
tergiversatie (gm5/gm9) · GM5: uitvlucht, draaie-rij.
GM9: vertragende maatregel.
terrefdaar (ii,2/gm6) · titel van een hoge inheemse
politie-officier in de Coromandelse havensteden.
GM6: titel van een hoge autoriteit op het gebied
van de politie in uitgebreide zin in de havensteden
van Coromandel.
tersimano, zie dragoman.
tesser, zie selvatica.
teuver, zie thevar.
textiel, zie kleed.
thail, zie taël.
thala, zie tala.
thanadar (gm4) · hoofd van een politiepost. Hindi
[ook: tannedaer].
thee · zie bij bing, boei, congo, joosjesthee, pecco,
songlo en souchong. Zie ook veth.
theriac, zie theriakel.
theriakel (gm3) · soort tegengif [ook: theriac].
therindain, zie tansjeeps.
thevar (ii,2/gm3) · titel der vorsten van een deel van
Madurai, de landstreek in het zuidoosten van Voor-Indië,
tegenover Ceylon. De thevar was een leen-man
van de naik * van Thanjavur. Zie heeres-sta-pel
II, blz. 113 noot 5. GM3: titel van een leenman
van de naik van Madurai, en niet van Thanjavur.
Zijn gebied lag in de zuidoosthoek van India, juist
tegenover het nauwste deel van de straat van
Manaar en omvatte ook een deel van de eilanden
daarin [ook: teuver].
thioli mandosti, zie mandosti.
thoman (ii,3) · Perzische rekenmunt ter waarde van
ƒ 39 à 40; 10 ori * , 20 riyal, 50 abassi * , 80 larijn * , 100
mahmudi * , 200 shahi * , 500 bisty * , 2000 kazbegi * , 4000
nim * , 10.000 dinar * , 20.000 fulus. Het Perzische tu-man
betekent 10.000 [ook: toman].
thomas-christenen (gm3/k) · GM3: naam voor de
volgelingen van de Syrische kerk in India. K: schis-matische
christenen onder Syrisch patriarchaat. Zie
s’jacob, xxxvii-xxxxviii [zie ook: parrua’s].
thombo (iii) · lijst of register, meer in het bijzonder
de lijst waarop het landbezit der inheemse bevol-king
van Ceylon was aangetekend. Singalees. Zie
stapel III, blz. 238 noot 1 [ook: tombe].
thomees, sint – (k) · zilveren munt, geslagen door
de Portugezen, met de beeltenis van St. Thomas er-op.
De waarde werd in 1694 bepaald op 105 stui-ver
* .
thony (ii,2) · klein open vaartuig, soms uit één
boomstam vervaardigd, op Machilipatnam vooral
gebruikt voor het lossen van op de rede liggende
schepen, op de kusten van Madurai en Ceylon voor
de parelvisserij. Zie yule-burnell in voce doney,
valentijn, Choromandel, blz. 48, nieuhof,
Gedenkwaerdige zee- en lantreize, blz. 190 en stapel II,
2, blz. 417.
thool (ii,3) · gewichtseenheid in Hindustan, circa
180 gram; onderverdeeld in 12 masha * [ook: tola].
thoria (ii,3) · houtskool, bereid uit ‘melckbomen-hout’.
Zie voor deze plant yule-burnell in voce
milk-bush.
thujas (gm3) · dunne zijden stof [ook: thuvijs].
thuvijs, zie thujas.
ticklemet, zie tactenamet.
tifedoors, zie chOgans.
tijd, droge – (k) · het goede seizoen, periode van de
noordoost-moesson * , september–mei [ook: tijd (stil-le
–); zie ook: tijd (kwade –)].
tijd, kwade – (k) · het regenseizoen, periode van de
zuidwest-moesson * , mei-september [zie ook: tijd
(droge –)].
tijd, stille – , zie tijd, droge –.
tijferen (ii,1/ii,3/gm1) · doen druipen; (drinkbaar)
sap of tuak * uit de palmboom tappen, wat in Voor-Indië
het werk was van een bepaalde kaste * , de ti-vas
* . Het woord is verbreid door de Portugese vor-men
tiffar = aftappen en tiffador = aftapper. Zie voor
de verschillende verklaringen die omtrent de ety-mologie
van dit woord gegeven worden de haan,
Priangan II, blz. 761-762 [ook: tijffen].
Tijferen
tijffeldrank (gm5) · de gegiste drank, gewonnen
door het tijferen * .
tijffen, zie tijferen.
tikal (ii,2/gm5) · gewichtseenheid voor het wegen
van edele metalen; gelijk aan
1
Ú 100 bits. In Birma was 1
tikal zilver de grondslag van het muntstelsel; het
had een waarde van 1
1
Ú 4 ropia * . Ook 1 tikal gans * had
een vaste waarde, van 1
3
Ú 5 penning * . Zie ook yule-burnell
in voce tical. GM5: door de Europeanen
gewoonlijk gebruikt voor de baht, een ongeveer bol-ronde
zilveren munt met een kroon of een rad ge-stempeld,
ter waarde van ongeveer een ropia.
timbes (t4) · textielsoort, vermoedelijk dezelfde als
tjambes * .
ting, zie gantang.
tingan (ii,1/ii,3/gm1) · handelsprauw uit West-Java.
Javaans ténggang. II,3: soort prauw met twee
roeren. GM1: een soort Javaanse sloep met twee
roers, gewoonlijk als laad- en transportvaartuig ge-bruikt.
tingkal (i,2) · ruwe borax * . Portugees atincal,
Arabisch tinkal, Maleis tingkal [ook: atinckuel].
tintemago, zie tutanego.
tintwijn, zie vin tint.
tivas, zie bij tijferen.
tiyyAs, zie chOgans.
tjabeh (gm2) · Spaanse peper, afkomstig van capsi-cum
annuum.
tjakelele, zie djakelele.
tjambes, zie poleng.
tjambok, zie sjambok.
tjap (ii,1/gm1) · merk, stempel; ook een gezegeld of
gestempeld stuk, bijvoorbeeld een reispas of han-delsvergunning.
Maleis [ook: chiap, sjap].
tjappen (ii,2/ii,3) · van een merk of stempel voor-zien.
Hindustani chhap, Maleis tjap. Zie vooral yule-burnell
in voce chop.
tjaulas, zie tjavellis.
tjavellis (i,1) · doeken van fijne dunne stof, ge-noemd
naar de stad Chaul. Zie kern I, blz. 38 [ook:
chiaulas, tjaulas].
tjedako (a) · lendendoek van geklopte bombast.
tjekri (gm2) · gouverneur. Aan het Sanskriet cakri
ontleend [zie ook: chakri].
tjekwaars, zie chAkar.
tjenning (gm7) · titel van de troonopvolger van
Luwu; in de literatuur ten onrechte verklaard als
rijksbestuurder, wel kwam het vaak voor dat de
tjenning tevens rijksbestuurder was.
tock (p) · tulband [ook: toock].
toekas (t4) · rotan. Maleis tukas.
toelast (i,1) · 1. groot wijnvat; 2. inhoudsmaat, 4
aam * of circa 614,4 liter.
toepas (ii,2/gm1/k) · vrije christen-inlander op
Malabar, Coromandel en Ceylon, veelal vrijgelaten
slaven, te vergelijken met de mardijker * in de
Archipel. yule-burnell zegt dat het halfbloeds wa-ren
– zie ook heeres-stapel II, blz. 117 noot 3 –;
mogelijk zullen er afstammelingen van halfbloeds
onder geweest zijn, maar dan toch van overwegend
inheems bloed. Praktisch waren het inlanders. Wat
betreft de etymologie, nieuhof, die in de Gedenk-waerdige
zee- en lantreize ook een afbeelding geeft
van ‘een Toepas ofte Mardijcker met zijn vrouw’,
verklaart de naam doordat zij de Europese kleding
en gewoonten aannamen en op ‘hen selven toepas-sen’.
Hij voegt daar echter aan toe dat ze volgens
anderen genoemd zijn naar de edelsteen topaas, de
eerste na de diamant, zoals zij de eersten na de
Europeanen waren! canter visscher leidt de naam
af van toepay = tolk. Sommigen zijn van mening dat
de oorsprong gelegen is in topi = hoed, omdat de
Portugezen aan inlanders en slaven die het chris-tendom
aannamen, als onderscheiding toestonden
een hoed te dragen. Zie ook de haan, Oud-Batavia I,
blz. 514. Stapel meent dat het woord ‘tweetalig’ be-tekent;
vergelijk Maleis duwa bahasa. Zie ook stapel
II, 2, blz. 464. GM1: rooms-katholieken, deels van
zuiver Aziatisch, deels van gemengd Portugees
bloed, overeenkomend met de mardijker bij de
Nederlanders. K: christelijke bevolkingsgroep ont-staan
door vermenging en clientèle van Malabaren
met Portugezen. Zij hadden geen status in de au-tochtone
samenleving, maar hoorden bij de
Portugezen, zo niet door bloedbanden, dan toch
door godsdienst, kleding en leefwijze. Zij woonden
in of vlakbij de Portugese forten. In Cochin erkende
de VOC hen als burgers. Ze dienden als soldaten,
als leveranciers van materialen, als ambachtslieden
en als arbeiders [ook: topas; zie ook: mesties].
toerias (i,1) · beschilderde Coromandeldoeken. In
de korte schets, cain turia, ‘waren geschilderde
116
Tijffeldrank
117
kleedjes, met ronde daalders, grov van doek’.
toerilia gampo, zie tureli gampa.
toetombo’s, zie tomme-tomme.
toestel (k) · uitrusting.
toet (ii,2/gm3/gm7) · moerbeiboompjes (GM3: een
morus-soort), die het voedsel leveren voor de zijde-rups.
Zie de haan, Priangan III, blz. 889. GM7: Deze
benaming stamt uit het Arabisch.
toeverlaat (k) · vertrouwen.
toffa (p) · geschenk. Perzisch tuhfa.
to-ia (ii,1) · gouverneur van een provincie. Chinees
[ook: touya].
toilet (ii,3) · fijn lijnwaad of zijde * , niet te verwarren
met tolet.
tola, zie thool.
tolet (i,1) · grof linnen omhulsel, om fijnere goede-ren
in te pakken. Ook wel gebruikt als gaas om in
een borduurraam te spannen [ook: camise, hemd].
toletten (i,1) · inpakken.
toman, zie thoman.
tombak, zie hasegay.
tombe, zie thombo.
tommagon, zie tummenggung.
tomme-tomme (ii,1) · sierdoosjes, met witte schelpjes
versierd, hoofdzakelijk in de oostelijke Archipel en
op Nieuw-Guinea vervaardigd. Bij valentijn IIa,
blz. 59 toetombo’s genoemd [ook: tontombes].
tomquira (gm7) · indigoboom. Maleis tom = indigo * .
tomrambat (gm9) · Javaanse plant, een indigofera.
tomtom (gm3) · gong.
tong (gm6) · slankhalzige wijnkruik.
tontombes, zie tomme-tomme.
toock, zie tock.
toon (t4) · uiterlijk.
topas, zie toepas.
topbaan (iii) · speeltafel [zie ook: toppen].
toppen (iii) · het uitoefenen van het populaire ha-zardspel
der Chinezen. Als bij roulette werd er een
tolletje (het Middelnederlandse top = tol) bij ge-bruikt.
Al spoedig vatte men in Indië ook alle ande-re
gokspelen der Chinezen (met dobbelstenen,
kaarten, munten etc.) samen onder de naam top-pen.
Ook Europeanen topten en in de meeste her-bergen
in Batavia vond men een topbaan of topta-fel.
Het toppen stond onder zeker toezicht der
regering; het recht tot het geven van gelegenheid
ertoe werd door haar verpacht en in roerige tijden
werd het verboden. Aan de meeste topbanen was
een pandhuis verbonden. In het Maleis heet het nog
thans main-toh = tolspel.
topstander (i,2) · vlag aan de uiterste punt van een
steng * of masttop.
topzeyl, zie taffachelas.
toraan (a) · werpspies.
toradjeners (gm7/gm9) · GM7: nomaden die met
hun gezinnen op zee leven langs haast alle kusten
van het oosten van de Indische Archipel.
Gewoonlijk Badjo of Badjo-laut genoemd; Makassars
To-ridjene. GM9: een voornamelijk op zee levend en
door de gehele Archipel rondtrekkend volk [ook:
badjes, badjos, orang laut].
toreli (gm3) · titel van zekere rijksgroten in Bima en
andere rijkjes op Sumbawa [ook: tureli, turili].
toua-toua, zie orangtua.
toussaanwijn (i,1) · in Middelburg staan twee oude
huizen naast elkaar met de namen Bordeaux
Oxhooft en Toursaens Oxhooft. Bedoeld zal dus
zijn: wijn uit Touraine (hoofdstad Tours), een streek
die volgens augé van oudsher beroemd was om
zijn goede wijnen.
toutang · 1. zie tu-tu; 2. T4: onofficiële benaming
van een hoofdkwartier van een departement of
vice-magistraat van een departement. Chinees chou-t’ung.
toutock, zie tu-tu.
touwack, zie tuak.
touya, zie to-ia.
tra, zie traa.
traa (ii,1/gm1) · Siamese naam voor paspoort of li-centiebrief.
Zie muller, blz. 305 in voce trae en
heeres-stapel II, blz. 285 [ook: fraa, tra].
Traa
tractatie (gm2) · handel.
train, zie treyn.
tramperen (gm5/gm9) · GM5: betrekken bij, mede-plichtig
zijn aan. GM9: deelnemen; letterlijk: met de
voeten stampen.
tramponeren, zie ontramponeren.
trancque, zie trankje.
trankje (ii,3) · klein open vaartuig. Zie yule-bur-nell
in voce trankey [ook: trancque].
transport (k) · officiële inventarisatie van alle bezit-tingen
en eigendommen gemaakt voor de over-dracht
van het commandement aan een nieuwe
commandeur.
travaat, zie travade.
travade (t2/p/gm1) · T2: zware onweersbui. Portu-gees
trovoada. P: storm. GM1: orkaan, van het Por-tugese
travados [ook: travaat].
travaille (gm2) · moeilijkheid, ongeval.
traverseren (gm6) · hinderen.
treftig (gm4) · voortreffelijk, aanzienlijk.
treil (i,1) · oorspronkelijk sleep- of treklijn aan
boord van een schip, later gebruikt als verzamel-naam
voor al het touwwerk. Een schip werd ver-kocht
‘met zeil en treil’.
treiler (i,1) · schuit die met sleepnet vist. Tegen-woordig
meest Engels trawler.
trek, zie nadestrook.
trencement (gm2) · loopgraaf, tranchement.
tresel (t2) · zeef, vergiet, pot.
tresoer (k) · schatkamer, voorraadkamer.
tresoortis (ii,1) · van de Portugezen overgenomen
aanduiding voor: derde kwaliteit * . Meestal gebruik-te
men het woord pee * .
trewissa, zie turbit.
treyn brengen, in – (k) · op gang brengen [ook: in
train brengen].
tricam, zie tricandia.
tricandia (ii,3) · soort lijnwaden uit Gudjarat [ook:
tricam, trichcandea].
trichcandea, zie tricandia.
tripang (gm7) · zeekomkommer, een voornamelijk
aan Chinezen verkochte lekkernij, tevens verster-kend
middel. Maleis.
trocktafel (gm4) · soort biljarttafel.
trocque (gm9) · ruilhandel [ook: troucque].
trocqueren (t2/gm1) · T2: ruilen. GM1: ‘in trocque’
is: in ruil.
trotteren (gm2) · traineren.
troucheman, zie dragoman.
troucque, zie trocque.
tscha (ii,1) · het Chinese woord voor thee * [ook: cha,
chia].
tschaketels (t1) · theeketels.
tsieeuw (ii,2) · dit woord, dat wortel betekent, werd
gebruikt bij taxatie van parels * , en omschreven door
radical, radicale waardije of grondwaarde. Zie sta-pel
II, 2, blz. 421-422 [ook: sieeuw].
tsieran, zie namrak.
tsjints, zie sits.
tsong-ping (gm1) · een militaire rang, een opperoffi-cier
(Amoy).
tsontock toealo i-a, zie tsung-tu.
tsung-tu (ii,1/gm9) · titel van de onderkoning van
Kwantung en Kwansi. Mandarijn-Chinees; in Zuid-China
tu-tok. GM9: titel van een provinciaal gou-verneur,
bijgenaamd toea lauya, grote heer, een re-spectvolle
term voor een magistraat [ook: sontok,
tsontock toealo i-a, tu-tok].
tuak (ii,1/gm1) · nog niet gegiste palmwijn uit de
klapper-, saguweer- of andere boom. Verse sagu-weer
* heet tuak manis, zoete tuak, gegiste saguweer
tuak kras, sterke tuak. GM1: sap van onrijpe bloem-kolven
van verschillende palmsoorten, óf zo ge-dronken,
óf gedistilleerd, óf op suiker verwerkt
[ook: touwack; zie ook: arak, suri].
tufftaan (p) · kwispedoor.
tuien, zie vertuien.
118
Tractatie
tumailalang (gm7) · ‘hij, die binnen is’, titel van de
Bonische rijksbestuurder.
tumang (a) · gewichtseenheid voor sago * , welke lo-kaal
sterk varieert; pak sagomeel.
tumbak, zie hasegay.
tummenggung (ii,1/gm1) · adellijke titel, thans vrij-wel
uitsluitend door regenten gevoerd. Javaans.
GM1: titel van een aanzienlijk hoofd [ook: tomma-gon].
turberen (gm5) · verstoren.
turbit (p) · Indische wortel, een purgatief. Perzisch
tarbad [ook: trewissa].
tureli, zie toreli.
tureli gampa (gm4/gm5) · titel van de rijkskanselier
of eerste minister van onder andere Bima en
Dompo [ook: toerilia gampo].
turili, zie toreli.
tutanego (i,2) · zink uit het in China gevonden tuta-nego-
erts; hetzelfde als spiaulter * . Verschillende au-teurs
(zie savary sub voce tinténague) beweren dat
tutanego Chinees koper zou zijn, vermoedelijk een
vergissing die de een de ander heeft nageschreven
[ook: tintemago].
tu-tok, zie tsung-tu.
tu-tu (ii,1/t1/gm1/gm3) · II,1 en GM3: Tartaren-generaal,
dat is de bevelhebber van het Mandschu-garnizoen,
dat in de provinciale hoofdsteden van
China was gelegerd; Chinees tu-t’ung. T1: provinci-aal
bevelhebber der troepen. GM1: opperbevelheb-ber
der troepen, militaire gouverneur [ook: toutang,
toutock; zie ook: kung-bun].
tuysschen (gm3/k) · GM3: aan hazardspelen deel-nemen.
K: kwanselen, ook dobbelen.
tweernen, zie twernen.
twernen (iii) · tot draden ineenwerken van ruwe *
zijde * [ook: dubbelen, tweernen, twijnen; zie ook:
getweernd].
twijnen, zie twernen.
U
ubas, zie ubi.
ubaswortel, zie ubi.
ubi (ii,1/t1/t2) · plant van de familie der dioscorea,
waarvan de wortelknollen gebruikt werden als
voedsel en als medicijn. Javaans; Maleis uwi of wi.
T1: yam, broodwortel. T2: Maleis ubis yam [ook:
ubas, ubaswortel].
uitgaan (gm7) · afsterven.
uitkoops (gm5) · naar de waarde bij de verkoop.
uitlegger, zie bij onderlegger.
uitschieten (k) · ervoor uittrekken, eraan besteden.
uitsettinge (k) · uitzending.
uitslag (i,2) · overwicht of doorslag.
uitspatten (ii,1) · met een blaasroer giftige pijltjes
blazen [zie ook: spat].
uitstel, zie stilstand.
uitwinden (i,2) · een schip uit een haven of baai trek-ken.
Dit geschiedde door met een sloep een anker
vóóruit te brengen, waarna men met een windas het
schip naar het anker toe trok. Dit werd zo lang her-haald
tot men in voldoende ruim water was om de
zeilen te kunnen hijsen.
uli (ii,1/gm4/a) · oorspronkelijk broeder, later ook
broederschap, bond van dorpen, landschap. In de
geschiedenis van Ambon en de Molukken neemt de
strijd tussen de ulilima’s (de vijf broeders) en ulisi-wa’s
(de negen broeders) een belangrijke plaats in.
Zie stapel II, 1, blz. 4 en 151, en paulus sub voci-bus
oelilima, oelisiwa en Oeliassers. GM4: op Ambon
een bond van stammen, genaamd hêna of soa * I.v.m.
ulilima en ulisiwa: lima is vijf, siwa of sio is negen. A:
federatie of verbond van dorpen of genealogische
groepen [ook: olee, oulij].
ulilima (a) · uli * bestaande uit vier of vijf deelne-mende
componenten.
ulisiwa (a) · uli * bestaande uit acht of negen deelne-mende
componenten.
umara (ii,3) · hoge ambtenaar in mohammedaanse
staten. Verbastering van omrah of umara. Het is een
meervoudsvorm van amir = chef. Zie yule-burnell
in voce omrah [ook: ammarauw, ommarauden].
119
Umara
umbul (gm6) · oude Sundanese titel, hoofd van een
zogenaamde tjutak, een onderdeel van een regent-schap.
Later gebruikte men de term wedana * [ook:
ombol].
uncurreren (gm1) · occureren, geschieden, oplopen,
ondervinden.
uparat (gm3) · onderkoning (Siam) [ook: oprapet].
upeti (gm1) · tribuut, cijns van landelijke opbreng-sten.
Niet percentueel, maar in bahars * te betalen.
Maleis [ook: oupaty].
upu (a) · heer.
urgeren (k) · als dringend zijnde voorhouden; aan-dringen.
uti-uti (a) · Ambonse rok [ook: hoetouwte, outouw-te].
V
vadem (i,1) · lengtemaat, 6 voet * of 66 duim * of circa
1,69 meter.
vaishyAs (k) · aanduiding in de hinduïstische kas-ten
* hiërarchie.
valedictie (gm9) · begroeting.
valeren (gm2) · 1. zich meester maken; 2. schade
verhalen.
valetudinair (gm5) · sukkelend, ziekelijk.
valkonet, zie falconet.
vallunavar (gm6) · hoofd (onder de kolathiri * ) [ook:
balenoer, balnoor].
vamrak, zie namrak.
vantardise (gm6) · pocherij.
vanteren (gm3) · zich beroemen.
varken (i,1) · watervat op een schip, gebruikt bij het
waterhalen met sloepen [zie ook: legger].
varsch (k) · vochtig; ‘met varsche oogen’: met spijt.
varsebalie, zie bij balie.
vasteren (gm2) · verwoesten, uitroeien, vernietigen,
vernielen.
vellen, bij de – gemanierd zijn (gm11) · een goed
gemanierd schip is een schip waarop de stand en de
hoeveelheid der zeilen goed geregeld en verdeeld
is, en dat goed is toegeladen, zodat het zich gemak-kelijk
laat besturen, niet zwaar stampt, noch wreed
slingert. Latijn velum = zeil.
vendimij (p) · passaatwind; ook de tijd van de ver-koop
te Gamron, het seizoen. Volgens prof.
Juynboll: Italiaans vendemmia = wijnoogst. De herfst
dus [ook: vindemie].
venetiaan (ii,3) · de in Perzië en westelijk Indië
hooggewaardeerde Venetiaanse dukaat of zecchini,
verindischt tot chickeen. Zie yule-burnell in voce
chick, b [ook: chickeen].
ventileren (gm2) · ter sprake brengen.
verbodemen (gm1) · overschepen, op een andere bo-dem
(schip) overbrengen.
verbrodden (t4) · verknoeien.
verclutsing (k) · herstelling.
verdek (i,1) · van lennep: ‘naam, die sommige ro-manschrijvers
en schoolmeesters, maar nimmer een
zeeman aan het dek * geven’. Echter, zeventiende-eeuwse
mannen van theorie en praktijk als witsen
en à winschooten gebruiken het woord herhaal-delijk.
De laatste spreekt zelfs van half-verdek.
verdingh (k) · overeenkomst.
verdrijven (gm1) · door tegenwind afdrijven.
verdubbeling (gm1) · het verdubbelhuiden van de
kiel van een schip.
verduren (gm5) · duur maken door het opjagen der
prijzen bij inkoop.
vereffenen (k) · afhandelen.
verergeren (i,1/iii) · beschadigd of minderwaardig
worden, bijvoorbeeld specerijen door waterschade.
Zie verdam-verwijs op argeren. III: slijten, ver-zwakken
of bederven [ook: argeren].
vergifschotels, zie gouri-schotels.
verheerd (gm3) · door de oorlog, door legerbenden
getroffen.
verhoetelen (gm5) · verknoeien, verbroddelen.
verkloeken (gm2) · de baas zijn, te slim af zijn.
120
Umbul
verkoop, wijze van – , zie bij contractatie, prijs-stelling,
stilstand en stok.
verleemt (t4) · verlamd.
vermeten (k) · wil, plan, voornemen.
vermijterd (ii,1) · door de mijt of worm aangesto-ken;
gezegd van muskaatnoten en andere specerij-en.
Ook kwam het zeer veel voor bij takkoraal, dat
daardoor waardeloos werd.
vernestelen (gm1) · verjagen van het nest, van de
(versterkte) plaats.
veroppignoratie (gm11) · verpanding. Latijn oppig-nerare.
verordoren (t4) · benutten of verbruiken.
verperken (gm1) · in perken verdelen, verkavelen.
verpeuteren (k) · verbruien, bederven.
verpreyden, zie praaien.
verruw (t3) · verf.
verschansen (gm7) · overplaatsen.
verschot (k) · voorraad.
versebalie, zie balie.
versien (k) · maatregelen nemen; gedaan krijgen.
versieren (gm7) · verzinnen.
versiert (k) · geveinsd.
vertieren (k) · verkopen, afzetten.
vertuien (i,1) · een schip vastleggen voor twee an-kers,
het gewone of daagse anker en het vertuian-ker.
Dit is bijvoorbeeld nodig als een schip niet met
de getijden om zijn anker mag zwaaien. Het ver-tuianker
ligt gewoonlijk aan een zeer lange kabel,
het tuitouw [ook: tuien].
vertuining (i,1) · omgording, een brede strook van
planken, boven het reehout * . De vertuining was het
bovenste deel van de buitenhuid van het schip; er
waren openingen in aangebracht als poorten voor
de dekbatterij. Zie mossel op buitenvertuining. van
yk zegt: ‘De fortuining, misschien zo genaamd, om-dat
dit planckwerck bij de Oude met dit naakte wijv
beschilderd is geweest’ [ook: buitenvertuining, for-tuining].
verwackeren (gm4) · toenemen.
verwulfd (gm9) · overwelfd.
verwulfsel (t3) · gewelf, stenen zoldering.
verzeeuwd, zie bezeeuwd.
vetboor (i,1) · kleine kuipersboor.
vexatie (k) · kwelling, afpersing [ook: faxatie].
vidane (ii,2/gm3/gm7) · ambtenaar op Ceylon, be-last
met het toezicht op de bewerking der dorpsvel-den
namens de soeverein. Zie yule-burnell in vo-ce
vidana, en valentijn, Ceylon, blz. 11. GM3:
hoofd op Ceylon, belast met het toezicht op de
dorpszaken. GM7: een toezicht houdend hoofd; bij
hen zijn verschillende rangen te onderscheiden.
vierendeeltje, zie virtel.
vierpot (gm2) · vuurpot, zwermpot, pot met naar al-le
kanten springende vuurpijlen.
vigileren (k) · waken.
vigmenten (k) · gefingeerde ideeën.
vijgert (ii,3) · de bastvezels van de ficus, de Indische
vijgeboom, ‘daer men touw van slaat’. De versame-ling
der woorden zegt: ‘word in Bengalen ge-maakt
van het hair der cocusnooten’ [zie ook: vij-gertouw].
vijgertouw (ii,2/gm9) · touw vervaardigd van de
bastvezels van de ficus. GM9: touw gemaakt van de
bastvezels van bepaalde Indische bomen [zie ook:
vijgert].
vijzel (i,1/iii) · 1. een houten windas. Tegenwoor-dig:
dommekracht; 2. houten schroef aan het drijf-wiel
van de zeildoekmaker.
vile, zie vileine.
vileine (iii) · laag, zowel in de zin van gemeen en
boos als van dorps of boers. In de tegenstelling ‘vi-le’
en ‘eerlijcke’ lieden wordt met de laatste ‘men-sen
van goede stand’ bedoeld [ook: vile].
vilipenderen (gm1/gm6) · GM1: voor alles wat lelijk
is uitmaken. GM6: verachtelijk behandelen, door
het slijk sleuren. Frans vilipender.
vilipendie (gm4) · verachtelijke behandeling, mis-kenning.
vin tint (i,1/t1) · algemene naam voor rode Spaanse
121
Vin tint
wijn. Spaans vino tinto. T1: Franse rode wijn, ge-bruikt
om met andere rode wijnen te mengen [ook:
tintwijn, wijntint].
vindemie, zie vendimij.
vingerlingen (i,1) · zware, op de achtersteven be-vestigde
hengsels, dienende tot steun van het roer.
Ze hadden ogen, waarin de pinnen van het roer
rustten en draaiden [ook: duimen].
virtel (i,1) · oorspronkelijk naam voor een kleine bo-terton.
Een okshoofd * van 30 virtels [ook: vieren-deeltje].
vischien, zie vissing.
vishu (gm7) · feest waarbij aan personen van rang
giften worden gedaan door van hen afhankelijke
minderen.
visiadoor (ii,2) · opzichter der in- en uitvoerrechten
in Pulicat. Portugees vigiador = waker, oppasser.
visite (k) · visitatie.
visscher, zie vissing.
vissersvlieger (gm1) · vissersvaartuig.
vissing (i,1) · ronde of ellipsvormige opening in het
dek * , ter plaatse waar mast of spil daar doorgaan.
De vissing was van binnen met eikenhout bekleed.
Ook de balken, die de masten etc. in alle richtingen
steunen, heten vissings [ook: vischien, visscher
(witsen)].
vistand (p) · waarschijnlijk de hoorn van de narwal
(monodon monoceros). Deze dolfijnen, waarvan de
mannelijke exemplaren een zeer grote tand of
hoorn bezitten die soms bijna twee meter lang
wordt en uit ivoor bestaat, werden ook wel zee-een-hoorns
genoemd. Men schreef er geneeskrachtige
eigenschappen aan toe (vergelijk de eenhoorn als
uithangteken bij apothekers).
viva force (k) · met alle kracht.
vlak (i,1) · de buik of kim * van het schip. Een schip
met een fraai vlak: waarvan de romp een mooie lijn
heeft.
vleugel, zie bij vleugelstok.
vleugelstok (i,1) · een klein vlaggestokje boven in
mast of steng * . De vleugel is de kleine gespitste vlag
op de mast, die als windwijzer dienst doet.
vlieger (gm1) · klein zeilbootje.
vlootje, abberdaans (gm3) · klein, nauwelijks weer-baar
vlootje.
vloszijde, zie floszijde.
voerder (t4) · voeder, groot wijnvat.
voet, amsterdamse – (k) · lengtemaat; 28 centimeter.
voet, rijnlandse – (k) · lengtemaat; 31 centimeter.
12 duim * is 1 voet * ; 12 of 16 voet is 1 roede * .
voetbank (k) · verhoging onder de borstwering.
volstandicheydt (gm2) · standvastigheid, getrouw-heid.
volte corte (ii,3) · zeker soort Perzische zijde * .
voorbetaling, zie bij stilstand.
voorkomen (k) · bekend zijn.
voormarszeil, zie bij marszeil.
voorscheen (i,1) · verschansing.
voorvallens, zie bij achtervallens.
voorwending (k) · voorstel.
vrang, zie buikstuk.
vrijdom (k) · uit de dienst van de Compagnie treden
en het recht krijgen zich als vrijburger te vestigen.
vrijluyden (p) · personen die niet in dienst der VOC
waren maar vergunning hadden zich in Indië op te
houden. Zie stapel I, 2, blz. 4.
vrouwengetimmer (gm7) · ‘vrouwvolk’. Duits Frauen-zimmer.
vrouwenhof (gm1) · gebouw in Batavia waarin ge-durende
de eerste jaren van het bestaan van Batavia
ongehuwde vrouwen van allerlei landaard, zowel
vrije als onvrije, waren ondergebracht, annex aan
de school. De instelling werd in 1632 opgeheven.
vulling (i,1) · 1. goot langs de binnenkiel, dienend
om het water naar de pompen te voeren. Ook de
plank-strook * , die als deksel voor die goot dient [zie
ook: gevolt]; 2. de opvullingen – planken – tussen
de barghouten * . witsen: ‘de onderste vullingen
moeten zo breed zijn, dat die spie- of spuigaten er
in kunnen worden gemaakt.’
vuur, zie spint.
122
Vin tint
vuyl (gm1) · ondiepte.
vysier asem, zie wazir azem.
W
waardije, radicale – , zie bij tsieeuw.
waarloos, zie loos.
wackanawees, zie waki’ah-nawis.
wackanawijs, zie waki’ah-nawis.
wackering (gm4) · toename.
waesir, zie wazir azem.
wagenschot (iii) · gladde, dunne, eiken plank.
waki’ah-nawis (ii,3/gm4/gm5/gm6) · inheems jour-naalhouder,
bij de Compagnie meest dagregister-houder
genoemd. Letterlijk: nieuws-schrijver.
Speelman vertaalt het met ‘Secretaris van Staadt’ –
zie hotz, blz. 150 noot 4. De versameling der
woorden zegt: ‘voogden op Cormandel’, en elders:
‘wakkas: dagregisters’. GM4: de hoogste vizier na
de grootvizier, die hij bij afwezigheid verving,
vooral belast met kanselarijwerkzaamheden, ook
wat het contact met vreemdelingen betrof. Perzisch,
letterlijk: opschrijver van hetgeen gebeurt. GM5: de
plaatsvervanger van de i’timad ud doulet * , op wie
hij tevens enig toezicht had te houden; tot zijn taak
behoorde ook het houden van aantekeningen over
de belangrijke voorvallen. GM6: nieuwsschrijver,
ambtenaar, belast met het overbrieven van alle be-langrijke
aangelegenheden aan de groot-mogol
[ook: wackanawees, wackanawijs].
wakkiel (gm6) · gemachtigde, plaatsvervanger, ver-tegenwoordiger.
Maleis wakil [ook: hockiel].
walen (p) · van de moesson * : het kenteren. Een wael
is volgens verdam-verwijs een breuk, een scheur
in de dijk.
wali (gm6) · in Perzië gouverneur van hoge rang,
voortgekomen uit een stam van erfelijke hoofden.
wallado (k) · greppel en wal als landafscheiding.
Portugees valado.
walpen (i,1) · vermoedelijk zwalpen * .
wambais, zie wambuis.
wambes, zie wambuis.
wambuis (gm1) · speciaal in de koloniale bronnen
veel gebruikte term voor houten redoute, kleine
schans [ook: wambais, wambes].
wan (t3) · suikerwater.
wanakusuma’s (gm5) · bevolkingsgroep die het ge-zag
van de susuhunan slechts node erkende en
vaak in verzet kwam.
wancan, zie wangkang.
wang (t4) · sterke smalle bamboesoort met een gele
kleur uit Japan. Chinees wang = goed.
wangen (t3) · het aanbrengen van zijstukken op een
schip ter versteviging; elk van de twee zijden die sa-men
een blok * vormen.
wangh (ii,3) · scheepsterm: klamp om een mast te
stutten.
wangkang (ii,1/gm1) · Chinees vaartuig van het ty-pe
van de jonk * , maar kleiner, en gewoonlijk slechts
met twee masten. Zie veth. GM1: Chinees zeilschip
met hoog voor- en achterschip, kleiner dan een jonk
[ook: wancan].
wanladen (gm2) · zonder lading van handelswaar-de,
in ballast geladen.
wannias (ii,2/gm3) · districten in Noord-Ceylon,
tussen Jaffna en Mannar. Ook de bevolking van die
streken werd als Wannias aangeduid. GM3: de
noordelijke districten van Ceylon zowel als de be-woners
daarvan en hun erfelijke hoofden; de laat-sten
heetten eigenlijk wanniyas. Sankriet vanya =
woud.
want, zie loos.
wapensmid, zie scheepskorporaal.
waren (t1) · vrijwaren, borg stellen.
waren, geoorloofde – (k) · waren waarvan de VOC
de handel vrij liet [zie ook: waren, verboden –].
waren, verboden – (k) · waren die uitsluitend door
of aan de Compagnie verkocht mochten worden,
zoals opium, peper * en kaneel [zie ook: waren, ge-oorloofde
–].
water, ’t – (t4) · waterzucht.
watergangen, zie lijfhouten.
waterpas (ii,2/k) · 1. eenvoudige versterking [ook:
platform]; 2. K: plaats waar een water binnen de
muren van een stad komt.
123
Waterpas
waterschouw (iii) · een schouw * waarmee te
Batavia, zowel voor de stad, het eiland Onrust als
de schepen op de ree, het drinkwater werd gehaald
van de ‘waterplaats’ aan de bovenloop der rivier.
wattebaddoe (gm9) · belasting op tuinen, met name
op vruchtdragende bomen, zoals kokos- en suiker-palmen.
wazir (gm5) · ‘minister’ in de zin van staatsdienaar
(Perzië) [ook: whasier].
wazir azem (p) · grootvizier (Perzië) [ook: vysier
asem, waesir].
wedana (gm6) · districtshoofd [zie ook: umbul].
wedana kulon (gm9) · gouverneur van de westelijke
strandregentschappen voor de susuhunan.
wedana panumping (gm6) · de regent van centraal-Kartasura.
weddas (gm3) · de primitieve oerinwoners van
Ceylon.
wederhorig (gm4) · ongehoorzaam, tegenstrevend.
weedas (gm4) · as van de wede, een plant die don-kerblauwe
verf leverde.
weger (i,1/t4) · balk tegen het binnenoppervlak van
de inhouten * van een schip, in de richting van de
kiel, dus van voor naar achter. De wegers vormen
het zogenaamde langsverband (tegenover de
dwarsverbanden). Een balkweger is een weger
waarop een dekbalk – dat is een dwarsverband –
rust. T4: b alk die over de gehele lengte van het
schip tegen de binnenkant van de romp wordt aan-gebracht
ter versteviging van het langsverband.
Een aantal wegers vormt de wegering die als laad-ruimte
werd ingericht.
wegering, zie bij weger.
werp (t4) · het kleinste anker aan boord van een
schip.
whasier, zie wazir.
wik (i,2) · de naam voor elke afgewogen hoeveelheid,
in het bijzonder voor datgene wat op de stadswaag
was afgewogen. In stapel I, 2, blz. 227, staat de toe-voeging
‘omtrent 1000 ponden * door malkanderen
wegende’.
wickerwandi (ii,2) · zekere katoenen lijnwaden uit
Karkal en Nagapattinam.
wijntint, zie vin tint.
willekeur (k) · besluit.
windboom (i,1) · vierkante paal zoals die gestoken
werd in de gaten van gangspil of windas, om dit
rond te draaien.
windvering (i,1) · verlengstukken van de rantsoen-houten
* in een schip. Ook duidde men er mee aan
het daaraan grenzende deel van het achter-dek * ,
naast de roerganger, waar het geschut stond.
winsten (k) · opbrengsten, inkomsten; niet de huidi-ge
betekenis opbrengsten minus kosten [zie ook:
overwinst].
wissernagels (i,1) · spijkertjes waarmee de windsels
van de wisser die diende om de kanonlopen te rei-nigen
aan de steel werden bevestigd. De windsels
bestonden meest uit schapenhuid of varkenshaar,
de steel of klos uit essenhout.
wittij (gm7) · tovenaar.
wockia (ii,3) · gewichtseenheid in Arabië. In Mokka
1
Ú 100 ratel * .
worm (t1) · wurm(plaat), bouwelement.
worp (i,1) · 1. in het algemeen: een zware balk [ook:
wurp]; 2. de twee balken, welke het laatste spanten *-paar
in de achtersteven van een schip kruislings
verbinden. Zij steunen de rantsoenhouten * en geven
het vaartuig een stevige ‘staart’; 3. zware horizon-taal
liggende balk in de achtersteven van een schip,
beneden de hekbalk * [ook: spiegelvrang].
wortel-china, zie radix china.
wrang, zie buikstuk.
wringijser (i,1) · ijzeren hefboom, koevoet.
wurp, zie worp.
X
xaraffe, zie saraaf.
xerafijn (ii,3/p/gm1/gm2) · 1. andere naam voor de
gouden mohur * . Verbastering van het Arabische
ashrafi. Zie yule-burnell in voce xerafine. P:
Portugese munt. Van het Perzische saraaf = geldwis-selaar.
GM2: waarde circa ƒ 1,50 [ook: cherafijn, ser-afijn];
2. GM1: gouden munt op Ceylon, kleiner dan
de mohur, 25 à 30 stuiver * .
124
Waterschouw
Y
yakhdAn (p) · leren koffer. Perzisch; vergelijk jucht-leer
[ook: jachtan].
yogi (ii,3/gm4/gm5) · asceet. Hindustani jogi,
Sanskriet yogi. Zie voor hen en hun leer yule-bur-nell
in voce jogee. GM4: ook gebruikt in de zin van
zwerver, bedelaar. GM5: kluizenaar, wonderdoe-ner,
die de bevolking licht in beroering brengt [ook:
goegy, sioge, sjogy].
yu-chi chang-chün (t1) · lokale bevelhebber
(China) [ook: joukick].
Z
zaadhout, zie kolsem.
zaadlak (i,2) · stukjes lak ter grootte van een erwt en
gebruikt om er een rode verf uit te trekken. Zie ne-derlandsch
handelsmagazijn in voce gomlak
[ook: korrellak, lak (gegranuleerd –)].
zaadparel, zie stampparel.
zaadstrook (i,1) · eerste plank van de scheepswand,
van de kiel af gerekend. pilaar: ‘de kielsponning is
een groef of gleuf uit de zijvlakken der kiel wegge-hakt,
om de eerste plank der buitenhuid, de zand-strook
genaamd, te ontvangen.’ [ook: zandstrook;
zie ook: boeien].
zagoe marouco, zie sago lempeng.
zamorin (gm3) · titel van de koning van Calicut,
‘heerser der zee’ [ook: sammorijn, samudri].
zandstrook, zie zaadstrook.
zarassen, zie serassen.
zarebo, zie sarambe.
zariba, zie sarambe.
zauvagessiens, zie sawagesjes.
zeefdoek, zie stamet.
zeem (ii,2) · zekere kwaliteit Bengaalse zijde * ; evenzo
ziarum.
zeil en treil, zie bij treil.
zeilagie (i,1) · zeilvermogen. Een schip op de zeila-gie
bouwen: er bij het bouwen in de eerste plaats op
letten dat het een snelle zeiler wordt. Op de zeylaas
brengen: de lading zo stuwen dat het zwaartepunt
het gunstigst ligt om goed te kunnen zeilen [ook:
zeylaas].
zercheyl, zie sar-i-khail.
zetel, cathedrale – (k) · bisschopszetel.
zetgang (i,1) · de gang * die wordt aangebracht tegen
de buitenkant der inhouten * van het schip, ter hoog-te
van het barghout * [zie ook: gang].
zeylaas, zie zeilage.
zeynlichters (iii) · seinlichten, scheepslantaarns,
van blik vervaardigd.
ziarum, zie bij zeem.
ziekte, aziatische – (gm7) · lepra.
zijde (i,2) · werd als handelsartikel zowel in Indië
zelf als in Europa verkocht. Ze werd hoofdzakelijk
uit Perzië, Bengalen en China gehaald. De talrijke
namen voor diverse soorten geven soms de aard
van de bewerking, soms de kwaliteit, soms de
plaats van herkomst aan [zie ook: afgesood, bogy,
canary, capitoen, floszijde, getweernd, hittou, kwa-liteit,
legia, moghta, pancado, parelzijde, patteni,
poilzijde, potti, rouw, ruw, selvetica, sitou, tanny,
tater, toet, twernen].
zijpat, zie sipat.
zinghadja, zie sengadji.
zog (i,1) · 1. houten gaffel, die voor en achter aan het
schip de steven steunt. De rij inhouten * begint en
eindigt met een zog [ook: sochstuk]; 2. de plaats
waar het vlak * van een schip achter begint te rijzen
en de scherpte der piek * begint.
zooden (i,1) · houten schotten om het onderstuk van
de masten en de pompen, teneinde die te bescher-men
bij het volstuwen van het ruim.
zwaardrijksdaalder (ii,1) · zie bij provintiedaalder.
Deze droeg aan de ene zijde de beeldenaar van een
man met een zwaard in de rechterhand, en werd
daarom ook wel zwaardrijksdaalder genoemd.
Oorspronkelijk was dit slechts het borstbeeld van
de man; sedert 1659 werd hij geslagen met de
zwaarddrager ten voeten uit. In de penningkunde
spreekt men van: die met de halve man en die met
de staande man.
zwalpen (i,1/iii) · grenen ribben * , dwarsscheeps in
de dekken * van een schip liggend. III: vierkant be-zaagde
balken, waarop de dekplanken steunen.
125
Zwapel
zwijdig (iii) · van het Middelnederlandse zwide =
sterk, talrijk, hevig. Het werd in de zeventiende
eeuw uitsluitend gebruikt in de uitdrukking ‘wat
een zwijdigen gelt’ of ‘zulk een zwijdigen gelt’, dat
wil zeggen: wat een massa geld.
zwong (i,1) · klem of bankschroef, gereedschap van
de scheepskorporaals * . Duits Zwinge [ook: swong].
126
Zwijdig
127
literatuurlijst van in het glossarium genoemde literatuur
Afbeeltsels der goude, silvere en kopere stukken en der schulpen en amandelen, die in geheel Asia
voor munt gangbaar zijn (Amsterdam 1682).
Augé, C., Nouveau Larousse illustré. 8 dln. (Parijs 1897-1914).
Baldaeus, Ph., Naauwkeurige beschrijvinge van Malabar en Choromandel, derzelver aangrenzen-de
rijken, en het machtige eyland Ceylon. 3 dln. in 1 bd. (Amsterdam 1672).
Balfour, E., The cyclopaedia of India and of eastern and southern Asia, commercial, industrial and
scientific. 3 dln. (3e druk, Londen 1885).
Capellen, [G.A.G.P.] van der, ‘Het journaal van den baron Van der Capellen op zijne reis
door de Molukko’s’, in Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië (1855) nr. 2, 281-315 en
357-396.
Clercq, F.S.A. de, Bijdragen tot de kennis der residentie Ternate (Leiden 1890).
Clercq, F.S.A. de, Het Maleisch der Molukken. Lijst der meest voorkomende vreemde en van het
gewone Maleisch verschillende woorden, zooals die gebruikt worden in de residentiën
Manado, Ternate, Ambon met Banda en Timor Koepang, benevens eenige proeven van al-daar
vervaardigde pantoens, prozastukken en gedichten (Batavia 1876).
Curzon, George N., Persia and the Persian question. 2 dln. (Londen 1892).
Daghregister gehouden int Casteel Batavia vant passerende daer ter plaetse als over geheel
Nederlandts-India, 1624-1682. J.E. Heeres [e.a.] ed. 31 dln. (Batavia/’s-Gravenhage
1887-1931).
Dapper, O., Gedenkwaerdig bedrijf der Nederlandsche Oost-Indische Maetschappije op de kuste en
in het keizerrijk van Taising of Sina. 2 dln. in 1 bnd. (Amsterdam 1670).
Dozy, R.P.A., Oosterlingen. Verklarende lijst der Nederlandsche woorden, die uit het Arabisch,
Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn (’s-Gravenhage 1867).
Dozy, R.P.A. en W.H. Engelman, Glossaire des mots espagnols et portugais dérivés de l’ arabe
(2e druk, Leiden/Parijs 1869).
Dunlop, H., Bronnen tot de geschiedenis der Oostindische Compagnie in Perzië. Rijks
Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie 72 (’s-Gravenhage 1930).
Eeden, F.W. van en J.J. Duyfjes, Houtsoorten van Nederlandsch Oost-Indië. Beschrijvende ca-talogus
tevens handleiding tot de kennis der voortbrengselen van de
Nederlandsche overzeesche gewesten III (3e druk, Koloniaal Museum in Haarlem
1905).
Eerde, J.C. van, ‘De samenstelling van “Bezoarsteenen”’, in Bijdragen tot de Taal-, Land- en
Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 82 (1926) 306-309.
The Encyclopaedia Britannica. 29 dln. (11e druk, Cambridge 1910-1911).
Feenstra Kuiper, J., Japan en de buitenwereld in de achttiende eeuw (’s-Gravenhage 1921).
Franck, J. en N. van Wijk, Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (2e druk,
’s-Gravenhage 1912).
Goens, R. van, ‘Corte beschrijvinge van ‘t eyland Java, derselver provintiën, landdeelinge,
rijckdom en inwoonders, soodanich ‘t selve nu bevonden ende geregeert wert’, in
Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Neêrlandsch Indië 4 (1856) 351-367.
Gorkom, K.W. van, Specerijen. Beschrijvende catalogus tevens handleiding tot de kennis
der voortbrengselen van de Nederlandsche overzeesche gewesten VI (2e druk,
Koloniaal Museum in Haarlem 1903).
Groeneveldt, W.P., ‘De Nederlanders in China’, in Bijdragen tot de Taal-, Land- en
Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 48 (6e volgreeks, 4e deel) (1898).
Haan, F. de, Oud-Batavia. Gedenkboek uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap voor
Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in
1919. 3 dln. (Batavia 1922-1923).
128
Haan, F. de, Priangan. De Preanger-Regentschappen onder het Nederlandsch bestuur tot 1811.
4 dln. (Batavia 1910-1912).
Havart, D., Op- en ondergang van Cormandel. 3 dln. in 1 bd. (Amsterdam 1693).
Heeres, J.E. en F.W. Stapel, ‘Corpus Diplomaticum Neerlando-Indicum. Verzameling van
politieke contracten en verdere verdragen door de Nederlanders in het Oosten ge-sloten,
van privilegebrieven, aan hen verleend, enz.’, in Bijdragen tot de Taal-, Land-en
Volkenkunde van Nederlandsch-Indië 57, 87, 91, 93 en 96 (1907, 1931, 1934, 1935 en
1938). In 1955 is het zesde deel uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor Taal-,
Land en Volkenkunde maar niet in de ‘Bijdragen’.
Heiden, M., Handwörterbuch der Textilkunde aller Zeiten und Völker (Stuttgart 1904).
Hellingwerf, P., Hoornse beknopte bosschieterije (Amsterdam 1742).
Hoetink, B. ed., Verhaal van het vergaan van het jacht “De Sperwer” en van het wedervaren der
schipbreukelingen op het eiland Quelpaert en het vasteland van Korea (1653-1666) met ee-ne
beschrijving van dat rijk door Hendrik Hamel. Werken uitgegeven door de
Linschoten-Vereeniging XVIII (’s-Gravenhage 1920).
Hoffmann, J.J., ‘De rijstbier- of sakebrouwerij in Japan naar Japansche bronnen’, in
Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, 3e volgreeks, 5e
deel (1870) 179-191.
Honoré Naber, S.P. l’ ed., Toortse der zeevaert door Dierick Ruiters, 1623, en Samuel Brun’s Schif-farten,
1624. Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging VI (’s-Gravenhage
1913).
Honoré Naber, S.P. l’ en I.A. Wright ed., Piet Heyn en de zilvervloot. Bescheiden uit
Nederlandsche en Spaansche archieven. Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie, nr. 53 (Utrecht 1928).
Hotz, A. ed., Journaal der reis van den gezant der O.I. Compagnie Joan Cunaeus naar Perzië in
1651-1652, gehouden door Cornelis Speelman. Werken uitgegeven door het Historisch
Genootschap, 3e serie, nr. 26 (Amsterdam 1908).
Hoytema, S.A. van, Garen en goed (Deventer 1917).
Huygelbosch, G., Memorie. In Papieren-Van Hoorn, rijksarchief 1701.
Jacob, H.K. s’ ed., De Nederlanders in Kerala 1663-1701. De memories en instructies betreffende
het commandement Malabar van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Rijks Ge-schiedkundige
Publicatiën, Kleine Serie 43 (’s-Gravenhage 1976).
Janse, J.M., De nootmuskaatcultuur in de Minahassa en op de Banda-eilanden. Mededeelingen
uit ‘s Lands Plantentuin XXVIII (Batavia/’s-Gravenhage 1898).
Jasper, J.E. en Mas Pirngadie, De inlandsche kunstnijverheid in Nederlandsch-Indië. 5 dln.
(’s-Gravenhage 1912-1930).
Kaempfer, E., Beschrijving van Japan, behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen
staat en regeering van dat rijk (’s-Gravenhage/Amsterdam 1729).
Kellen Dzn., J.Ph. van der en E.J. Benthem, Nederlandsche zeeschepen: 1470-1830 (Leiden
1913).
Kern, H. ed., Itinerario, voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naar Oost ofte
Portugaels Indiën, 1579-1592. 5 dln. Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging
II (2 bnd.), XXXIX en XLIII (2 bnd.) (’s-Gravenhage 1910-1939).
Kernkamp, G.W., ‘Stukken over de Noordsche Compagnie’, in Bijdragen en Mededeelingen
van het Historisch Genootschap te Utrecht XIX (1898) 263-379.
Kersey, John, A new English dictionary or a compleat collection of the most proper and significant
words, commonly used in the language, with a short and clear exposition of difficult words
and terms of art (Londen 1702).
Kluge, F., Seemanssprache. Wortgeschichtliches Handbuch deutscher Schifferausdrücke älterer
und neuerer Zeit (Halle 1911).
129
‘Korte schets van den koophandel der Maatschappije in Indiën, zooals dezelve aldaar op
verscheiden plaatsen wierd gedreven, geduurende het oppergezag van den
Opperlandvoogd Both’, in Historiesch Verhaal van het begin, voortgang en teegenwoor-digen
staat der koophandel van de Generaale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost-Indische
Compagnie II (Arnhem 1768-1772) 22-39.
Kussáka, J.F., Das japanische Geldwesen geschichtlich und kritisch dargestellt (Berlijn 1890).
Laet, J. de, De imperio Magni Mongolis sive India vera commentarius (Leiden/Batavia 1631).
Lennep, J. van, Zeemans-woordenboek, behelzende een verklaring der woorden, bij de scheepvaart
en den handel in gebruik en een opgave der algemeene wetsbepalingen, daartoe betrekkelijk,
en der spreekwijzen, daaraan ontleend (Leiden 1864).
Linschoten, J. Huygen van, Itinerarium ofte Schipvaert naer Oost ofte Portugaels Indiën. 4 dln.
(Amsterdam 1614).
Lokotsch, K., Etymologisches Wörterbuch der europäischen (germanischen, romanischen und sla-vischen)
Wörter orientalischen Ursprungs (Heidelberg 1927).
Milburn, W., Oriental commerce, containing a geographical description of the principal places in
the East Indies, China and Japan, with their produce, manufactures and trade. 2 dln.
(Londen 1813).
Montanus, A., Gedenkwaerdige gesantschappen der Oost-Indische Maetschappij in ‘t Vereenigde
Nederland aen de kaisaren van Japan (Amsterdam 1669).
Moreland, W.H. ed., Relations of Golconda in the early seventeenth century. Works issued by
the Hakluyt Society, 2e serie, nr. 66 (Londen 1931).
Mossel, G.P.J., Handleiding tot de kennis van het schip (Amsterdam 1859).
Muller, Hendrik P.N. ed., De Oost-Indische Compagnie in Cambodja en Laos. Werken uitgege-ven
door de Linschoten-Vereeniging XIII (’s-Gravenhage 1917).
Nachod, O., Die Beziehungen der niederländischen Ostindischen Kompagnie zu Japan im sieb-zehnten
Jahrhundert (Berlijn 1897).
Nederlandsch Handelsmagazijn, of algemeen zamenvattend woordenboek voor handel en nijver-heid.
2 dln. (Amsterdam 1843).
Nieuhof, J., Het gezantschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie aan den grooten
Tartarischen Cham, den tegenwoordigen Keizer van China. 2 dln. in 1 bd. (Amsterdam
1665).
Nieuhof, J., Gedenkwaerdige zee- en lantreize door de voornaemste landschappen van West en
Oostindiën. 2 dln. in 1 bd. (Amsterdam 1682).
Pallegoix, J.B., Description du royaume Thai ou Siam. 2 dln. (Parijs 1854).
Paulus, J. [e.a.], Encyclopaedie van Nederlandsch-Indië. 9 dln. (2e druk, ’s-Gravenhage/
Leiden 1917-1939).
Pilaar, J.C., Handleiding tot de kennis van het schip en deszelfs tuig (Delft 1826).
Raa, F.J.G. ten, F. de Bas en J.W. Wijn, Het Staatsche leger, 1568-1795. 8 dln. in 11 bdn.
(Breda/’s-Gravenhage 1911-1964).
Richardson, J., A new Malagasy-English dictionary (Antananarivo 1885).
Röding, J.H., Allgemeines Wörterbuch der Marine in allen europaeischen Seesprachen, nebst vol-lstaendigen
Erklaerungen. 4 dln. (Hamburg/Halle 1794-1798).
Rogerius, Abraham, De open deure tot het verborgen heydendom. W. Caland ed. Werken uit-gegeven
door de Linschoten-Vereeniging X (’s-Gravenhage 1915).
Rouffaer, G.P. en J.W. IJzerman, De eerste schipvaart der Nederlanders naar Oost-Indië onder
Cornelis de Houtman, 1595-1597. Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging
VII, XXV en XXXII (’s-Gravenhage 1915, 1925 en 1929).
Rouffaer, G.P. en H.H. Juynboll, De batikkunst in Nederlandsch-Indië en haar geschiedenis.
2 dln. (Haarlem/Utrecht 1899-1914). I: platen, II: tekst.
Rumphius, G.E., Herbarium Amboinense. Het Amboinsche kruid-boek … mitsgaders … eenige
insecten en gediertens … met de figuren daartoe behoorende. J. Burmannus ed. 7 dln.
(Amsterdam/’s-Gravenhage/Utrecht 1741-1755).
Rumphius, G.E., D’ Amboinsche Rariteitkamer, behelzende eene beschrijvinge van allerhande zoo
weeke als harde schaalvisschen … hoorntjes en schulpen ... mineraalen, gesteenten en
soorten van aarde (Amsterdam 1705).
Savary des Bruslons, Jacques en Ph.L. Savary, Dictionnaire universel de commerce. 5 dln. (2e
druk, Kopenhagen 1759-1765).
Schouten, Wouter, Oost-Indische voyagie. 2 dln. (Amsterdam 1676).
Stalpaert van der Wiele, Cornelis, Informatie van diverse landen en eylanden gelegen naer
Oost-Indiën om aldaer bequamelick te handelen ende wat coopmanschap daer valt en daer
best getrocken is. Handschrift Rijksarchief, ongedateerd stuk van begin november
1603. Afgedrukt als bijlage III, p. XI-XXV, bij Rouffaer en Juynboll, De batikkunst in
Nederlandsch-Indië en haar geschiedenis, deel tekst (Utrecht 1914).
Stapel, F.W. ed., Pieter van Dam. Beschrijvinge van de Oostindische Compagnie. Rijks
Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie 63, 68, 74, 76, 83, 87 en 96 (’s-Gravenha-ge
1927-1954).
Tavernier, J.B., De ses reysen van den heer J. Bapt. Tavernier, baron van Aubonne, die hij, gedu-rende
de tijt van veertig jaren, in Turkijen, Persiën, en in d’Indiën langs alle de wegen die
derwaarts strekken, gedaan heeft. J.H. Glazemaker vert. (Amsterdam 1682).
Thévenot, J. de, Les voyages de Mr. De Thévenot. 5 dln. (3e druk, Amsterdam 1727).
Tiele, P.A. en J.E. Heeres ed., Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlanders in den
Maleischen archipel. 3 dln. (‘s-Gravenhage 1886-1895).
Uytrekening van de goude en silvere muntswaardije, inhout der maten en swaarte der gewigten in
de respectieve gewesten van Indiën (Middelburg 1691).
Valentijn, F., Oud en Nieuw Oost-Indiën, vervattende een … verhandelinge van Nederlands mo-gentheyd
in die gewesten. 5 dln. in 8 bdn. (Dordrecht/Amsterdam 1724-1726).
Valentijn, F., Eerste uyt- en thuysreize.
Verdam, J., E. Verwijs en F.A. Stoett, Middelnederlandsch Woordenboek. 11 dln. (’s-Graven-hage
1885-1941).
Versameling der woorden, voorkomende in de Indische brieven, eenvoudig verduyst (1758). Een
document, door F.W. Stapel gebruikt, toen het in bezit was van J.E. Heeres, die het
hem in bruikleen afstond (Stapel II, 2, p. 444).
Veth, P.J., Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden (Arnhem 1889).
Visscher, J. Canter, Mallabaarse brieven, behelzende eene naukeurige beschrijving van de kust
van Mallabaar, den aardt des landts, de zeden en gewoontens der inwoneren
(Leeuwarden 1743).
Vixseboxse, J., Een Hollandsch gezantschap naar China in de zeventiende eeuw, 1685-1687
(Leiden 1945).
Vogel, J.Ph. ed., Journaal van J.J. Ketelaar’s hofreis naar den Groot Mogol te Lahore 1711-1713.
Werken uitgegeven door de Linschoten-Vereeniging XLI (’s-Gravenhage 1937).
Warburg, O., Die Muskatnuss, ihre Geschichte, Botanik, Kultur, Handel und Verwerthung sowie
Verfälschungen und Surrogate (Leipzig 1897).
Wilkinson, R.J., A Malay-English dictionary. 2 dln. (Mytilene 1932).
Winschooten, W. á, Seeman, behelsende een grondige uitlegging van de Nederlandse konst en
spreekwoorden, voor soo veel die uit de seevaart sijn ontleend en bij de beste schrijvers dee-ser
eeuw gevonden werden (Leiden 1681).
Witsen, N., Aeloude en hedendaegsche scheepsbouw en bestier. 2 dln. in 1 bd. (Amsterdam
1671).
Woordenboek der Nederlandsche Taal. 29 dln. (’s-Gravenhage enz. 1882-1996).
Yk, C. van, De Nederlandsche scheepsbouwkonst open gestelt, vertoonende naar wat regel of even-redenheyd
in Nederland meest alle scheepen werden gebouwd, mitsgaders masten, zeylen,
ankers en touwen enz. daar aan gepast (Amsterdam 1697).
Yule, Henry en A.C. Burnell, Hobson-Jobson, a glossary of colloquial Anglo-Indian words and
phrases, and of kindred terms, etymological, historical, geographical and discursive (2e
druk, Londen 1903).
130